vrijdag 6 april 2012

Een andere wereld.



De dame van de ANWB meldde mij vanmorgen dat bij de Duitse grensposten opstoppingen waren omdat de Duitse politie controles uitvoerde. Het is vandaag in Duitsland een feestdag. Dan mogen er op de Duitse wegen geen vrachtauto's rijden.

Goede vrijdag.

Ik heb nooit goed begrepen hoe het jaarlijks herdenken van een moord, als feestdag kan gelden. Ook de naam Goede vrijdag komt op mij in dit kader tamelijk bizar over. Maar daar gaat het mij nu niet om.

Het gaat me om dit beeld. Duitse politieagenten die auto's aanhouden en onderzoekend door het raampje naar binnen staren.

"Sind Sie ein Lastkrafwagen??"

Een zwetende vader (je kan nooit weten), een sikkeneurig kijkende moeder (het was zijn idee dit ritje en nu alweer uren in de file) en joelende kinderen op de achterbank.

Ik moest vanmorgen voor een bestuursvergadering richting de Noordzeekust. Ik begrijp nu waarom ik achter elkaar werd ingehaald door Duitse auto's waarvan de inzittenden enorm plezier met elkaar hadden.

Nog even los van alle vrachtauto's op de weg. Wij maken er geen feestje van. Wij werken gewoon door.

Nederlanders en Duitsers, het blijven twee werelden die elkaar maar moeizaam begrijpen.

Gister bezocht ik, voor mijn huidige opdrachtgever, enkele verzorgingshuizen. De ene stond in Laren, de volgende in Blaricum. Het Gooi.

Toch een compleet andere wereld dan de mij bekende biotoop, de Randstad. Huizen hebben in het Gooi, zeker in het stuk tussen Laren en Blaricum, de omvang van een klein appartementencomplex in de Randstad. Het zijn paleizen. Een tuin hier is in deze omvang in de Randstad een park. Kortom, alles is groter. De bomen zijn hoger, de struiken voller. Mannen lopen in zwierige, lichtgekleurde linnen zomerkostuums en dragen hun Gucci zonnebrillen. Alhoewel, lopen. Het is een pas die wij in de Randstad niet zo goed kennen. Een soort combinatie van zelfverzekerdheid en nonchalance. Niet het haastige, doelgerichte wat ik gewend ben.

Waarschijnlijk hebben ze hun doel al bereikt.

Dames zie ik in twee dominante groepen:  de ene groep verschijnt pas rond een uur of 11 op straat. Dan hebben ze hun haar, make up en hun modieuze kleding voldoende op orde. Ze hebben een duidelijk doel: shoppen. Dat doen ze met overgave.

De andere groep lijkt geheel anders: laarzen aan, haar in een staartje, waxjas tot over de knieën. Altijd in gezelschap van een hond of een paard. Zij gaan niet shoppen, zij brengen  de dag in het bos door. Of in de tuin.

Toch is er een belangrijke overeenkomst: de dames van beide groepen hebben een helder beeld van zichzelf en wie ze willen zijn. En de dames uit de ene groep lijken dus allemaal op elkaar, net zo goed als dat de dames van de andere groep onderling elkaars evenbeeld kunnen zijn.

Dergelijke, tot niets leidende gedachten, schoten door mijn hoofd tijdens mijn ritje naar het volgende adres.

Na mijn afspraak verliet ik weer het pand. Pal voor de ingang stond een bakbeest van een auto. Een soort Jeep. Hoog en groot. Donkere ramen. De motor draaide zacht grommend.

Toen ik met veel moeite om al dat zwarte, glimmende blik was heengekropen, ik moest hierbij door de perkplantjes lopen, keek ik wat bozig bij de bestuurder naar binnen.

Een, zo te zien, stokoude dame. Breekbaar en met grijs, dun haar. Ze keek niet op of om.

Inderdaad, een andere wereld.

vrijdag 30 maart 2012

Een bejaardenhuis in 1967



In de zorginstelling waar ik momenteel werk, werd gister afscheid genomen. Afscheid van een dame op de administratie. Ze ging met pensioen.

Afscheid nemen kunnen we goed in de zorg. Het hele gebouw hing vol met de foto van deze dame. De personeelskantine werd versierd met ballonnen en slingers. Een buffet werd voorbereid. Al dagen waren collega's in de weer met een herinneringsboek. Toen de receptie begon, waren alle kantoren leeg. 

Ze had 45 jaar in deze organisatie gewerkt.

Daar wordt u wel even stil van.

Ik ook.

Ze was in 1967 als 20-jarige, administratief medewerkster in dienst gekomen in één van de verzorgingshuizen van deze zorginstelling.

Dat was toen natuurlijk nog een eigenstandige organisatie. Met een eigen directeur. Met een facilitaire man. Misschien iemand voor personeelszaken. En dus die dame voor de administratie.

Een Raad van Bestuur bestond toen nog niet. Wel een bestuur. Meestal enkele notabelen uit het dorp of uit de kerk. Zij bestierden de stichting en de door haar gestelde doelstellingen.

Een overzichtelijke wereld.

De directeur kende iedere bewoner bij naam. Iedere verzorgende, toen nog bejaardenhulpen, de kok, de receptioniste. Hij noemde je vriendelijk bij je voornaam, maar je moest het niet wagen de directeur bij zijn of haar voornaam te noemen. Dat was mijnheer of mevrouw. Een autoriteit.

Natuurlijk ging iedere directeur daar op zijn eigen wijze mee om. Maar hij (of zij) was wel de baas.

Tenzij de huisarts sprak. Of de notabele uit het bestuur. Of de dominee. Of de burgemeester. De wereld was gevuld met autoriteiten. Dat botste zelden. Daar waren de beroemde achterkamertjes voor bedoeld. Daar had je als gewone sterveling niets te zoeken.

Je keek wel uit.

In die tijd was het heel normaal om je, voor je pensionering, alvast in te schrijven voor het bejaardenhuis. Zo kon je, meestal niet lang na je pensioen, verhuizen. En verdween je in een klein kamertje of, als je geluk had, had je twee kamertjes. En kon je deelnemen aan de kaartavondjes met je medebejaarden. Of met elkaar koffie drinken in de conversatieruimte. Een enkele keer kwam Willy Alberti of Johnny Jordaan zingen. En bij het begin van de lente met het hele bejaardenhuis met de bus naar de Keukenhof.

Bejaarden in het bejaardenhuis waren, over het algemeen, gezonde ouderen. Dat wil zeggen: mensen werden toen wel vroeger oud. Mensen van 65 waren echt bejaard. Werd je 75, dat was in die tijd stokoud. Men ging ook eerder dood.

Bij ons achter, in Castricum, was een gloednieuw bejaardenhuis gebouwd. Een wereld apart. Je zag er nooit iemand. Iedereen zat binnen. Stiekum het terrein opsluipen met vriendjes was erg spannend: we werden onverbiddelijk weggejaagd als we werden betrapt. Het was het domein van de bejaarden. Of beter: het terrein van de tuinman en de receptioniste van het bejaardenhuis, want zoveel hadden de bewoners volgens mij niet te zeggen. Die vonden het wel best, spelende kinderen in de tuin.

Nu, na 45 jaar, werkte de dame waar ik mij verhaal mee begon, op het hoofdkantoor van de zorginstelling. Bejaardenhuizen zijn verzorgingshuizen en verpleeghuizen geworden. Bewoners hebben een indicatie nodig, wat meestal betekent dat de ouderdom die met de nodige gebreken komt, teveel gebreken heeft gebracht, zodat het thuis niet meer lukt. Vaak moet je een echtgenoot of echtgenote achterlaten als deze nog gezond is: die krijgt immers geen indicatie.

De directeur van het huis is een manager geworden. Die manager heeft veelal weer een directeur als baas en ook deze directeuren hebben weer bazen: de raad van bestuur. De dame van de administratie is een hele afdeling met verschillende administraties geworden, bovendien zijn er controllers toegevoegd. De dame voor personeelszaken, in 1967 vaak een secretaresse van de directeur, is nu een afdeling HRM geworden, compleet met opleidingsfunctionarissen. En zo zijn er op een hoofdkantoor nog veel meer gespecialiseerde stafafdelingen gekomen, waar men in 1967 nog niet eens van had gehoord: ICT, marketing, communicatie, bouw, opnamefunctionarissen.

Ik vroeg deze dame hoe ze die 45 jaar had ervaren.

"Het is voorbij gevlogen. Nooit ben ik met tegenzin naar mijn werk gegaan."

Of ze nog wel eens verlangde naar die jaren zestig.

"Ben je gek, al die mannetjes..."

Een kanjer.

maandag 26 maart 2012

De Goudse geest



Enige tijd terug zag ik op een, volgens mij, commerciële zender een uitzending voor ondernemers. Ik ben ZZP'er en daarmee officieel ondernemer, bovendien ingeschreven bij de kamer van koophandel, dus mijn status is wel duidelijk. Ik bleef kijken want ik hoorde eindelijk een keer bij de doelgroep.

Het was een warrig programma. Een oud-wethouder uit Den Haag, Frits Huffnagel, sprong jolig op en neer voor de camera. Stelde een vraag waarbij het antwoord voor hem blijkbaar niet zo relevant was en riep regelmatig positief bedoelde kreten.

Ik werd een beetje moe van die man.

Zoveel opgewektheid, maar het hoort blijkbaar bij de huidige televisiecultuur. Soms zie ik een zaal vol met opgewekte, elkaar enorm vermakende, rondhossende, gillende en zich-op-de-dijen-kletsende menigten, aangevoerd door wat dan bekende nederlanders zijn (ik ken ze meestal niet). Die vormen het topje van de ijsberg van jolijt en gevatheid. Ik hou dat niet vol, waarde lezer. Na enige minuten lachen, gieren, brullen, lig ik, naar adem happend op de grond.

Het is teveel. Het is teveel.

Maar goed.

Huffnagel trok Gouda in. Dat deed hij met de lokale volkswagendealer. Op de vraag wat Gouwenaren (hiermee werden mensen uit Gouda bedoeld) voor mensen zijn, volgde een popi-jopi-positief bedoeld antwoord door de lokale ondernemer: allemaal hardwerkende, leuke mensen.

Tja, massaal RTL-4 publiek.

De vraag werd herhaald bij een ondernemer die al generaties lang gehoortoestellen op de lokale markt brengt. Hij had er duidelijk beter over nagedacht. Mensen uit Gouda zijn mensen die niet onmiddellijk ieder initiatief ondersteunen. Ze zijn afwachtend, conservatief en houden niet van teveel poespas.

Duidelijk géén RTL-4 publiek.

Ik raakte in verwarring over al deze tegenstrijdigheden, maar niet onze Frits. Die huppelde gewoon door en vond het allemaal geweldig.

Hij kreeg ook de burgemeester te spreken. Onze burgemeester gaat binnenkort vertrekken. Het is niet een man die de harten van de mensen in Gouda gestolen heeft. Een bestuurder op afstand. Ook hij gaf zijn visie op de Gouwenaar:

"Een beetje chagrijnige mensen..."

Hij zei het echt. Onze burgemeester. Na ruim 10 jaar burgemeesterschap, was dit de meest indringende analyse die hij van de bevolking van zijn stad kon geven: chagrijnige mensen. Wel betrokken, haastte hij zich om toe te voegen, maar chagrijnig.

Ook hier huppelde Frits vrolijk overheen.

Enkele weken geleden woonde ik een vergadering bij waarin allerlei vertegenwoordigers uit de Goudse samenleving. In de voorstelronde kwam op enig moment een jonge man aan het woord:

"Ik ben Achmed el Amrani....geboren en getogen in Gouda."

Hij maakte zich zorgen, zorgen om zijn stad. Hij zag hoe tegenstellingen werden verscherpt. Hij zag hoe bevolkingsgroepen tegen elkaar uit werden gespeeld.

Duidelijk geen RTL-4 publiek.

En ook Huffnagel was in geen velden of wegen te zien.

zondag 25 maart 2012

Soms even stilstaan...



Ik ben een kind van de vrede.

Oorlog is een onderwerp van het nieuws, een artikel in de krant en soms, niet te vaak, onderwerp van gesprek bij het koffie-apparaat. Dichterbij is ze nooit gekomen.

O ja, ooit, ik ging nog met vakantie met mijn ouders, zagen we in een Iers stadje een klein oploopje tijdens een jaarmarkt. Nieuwsgierig mengden we ons met de Ieren voor het monumentale pand. We hadden het idee dat de burgemeester een toespraak zou gaan houden. Niet erg spannend, maar het geeft wel aan hoe levendig zo'n jaarmarkt is. Je bent al snel tevreden. Zo stonden we minutenlang te wachten. Er gebeurde niets. Teleurgesteld dropen we weer af.

De volgende ochtend las mijn vader in de krant dat het oploopje was veroorzaakt door een bommelding en de vondst van een bom in het pand. De strijd in Noord Ierland trok sporadisch haar sporen in de Ierse republiek. Als deze bom inderdaad was ontploft, was het direct een flink spoor geweest: het had er zwart gestaan van de mensen. Inclusief mijn ouders, mijn broer en zus en ik.

Een andere keer, ik weet eerlijk gezegd niet meer of het dezelfde vakantie is geweest (mijn ouders gingen jaren achtereen met vakantie naar de Ierse republiek), reden we op een weg die kaarsrecht de Noord Ierse grens naderde. Pal voor de grens zou de weg afbuigen naar het plaatsje aan de kust. Terwijl we de grens naderden, zagen we een wachttoren groter en groter worden. Boven in de toren was een mitrailleur geplaatst. Deze volgde nauwgezet de bewegingen van onze auto. Toen was zelfs gezin Zwart voor enige minuten stil.

Maar dichterbij is de oorlog in mijn leven nooit gekomen.

Dienstplicht is aan mij voorbij gegaan. Laat staan uitgezonden worden naar gebieden als Libanon, Bosnië, Irak of Afghanistan. Als overtuigd pacifist, wat ik nog steeds geen verkeerde overtuiging vind, kondigde ik bij de keuringsambtenaar aan dat ik zou gaan weigeren. Hij keek me glimlachend aan, oordeelde over mijn weinig atletische gestalte en enkele weken later viel zijn oordeel door de brievenbus: ik was uitgeloot. Geen idee waarom want werkelijk iedere vriend en schoolkameraad in mijn omgeving werd onverbiddelijk opgeroepen.

Nooit heb ik hoeven smeken om onderdak. Als je tenminste die keer niet meerekent dat een onuitstaanbare Duitse campingbaas onze camper weigerde: in plaats van één, hadden we twee honden aan boord. Tja, regels... Het kon hem niet zoveel schelen dat het tegen de avond liep en dat we ook kinderen aan boord hadden. Sterker, hij vond me geen blik meer waardig. Maar goed, we hadden een camper en onze grootste ellende bestond eruit dat we nog een uur verder moesten rijden. Dat is te overzien.

Nooit heb ik honger geleden. Of je moet die keer willen meerekenen dat mijn vrouw en ik ons hadden vergist in een wandelafstand en we onderweg nergens een eetgelegenheid vonden. Dat leverde wel een zeldzaam hongergevoel op, maar zelfs dat was een honger in de overtuiging dat het binnen afzienbare tijd zou zijn opgelost. No big deal.

Ik zit nu in de tuin. De zon schijnt. Het prille groen loopt uit: bomen, struiken, de eerste bloemen. Een zacht briesje fluistert beloftes van zon en leven. Ergens zit een groot gezelschap in een tuin. Ze hebben plezier. Soms kijk ik naar de lucht met geen enkele andere reden om te zien of de bewolking wegblijft.

Ze blijft voorlopig weg.

Ik ben een kind van de vrede.

woensdag 21 maart 2012

Toilet



Soms, waarde lezer, overkomen je de gekste dingen.

Raadselachtig.

Bizar.

Zoals vandaag.

Ik had een toiletblok opgezocht en had plaats genomen in een van de twee toiletruimtes. Deur op slot. Uiteraard.

Wees gerust. Mijn aanwezigheid daar zal ik niet verder duiden. Het gaat u niet aan.

Op enig moment hoor ik de deur van het toiletblok zich openen. Iemand komt dus binnen. Voelt aan de deur van het toilet waar ik zit. Deur op slot. De betreffende, voor mij onzichtbare, neemt de deur van het tweede toilet.

Tot zover niets om over naar huis te schrijven. Laat staan om er een blog aan te wijden. Maar dan.

De persoon in het andere toilet is snel klaar. Ik hoor het toilet doortrekken en de deur naast mijn toilet zich openen.

...en vervolgens voelt dezelfde persoon opnieuw aan de deur van het toilet waar ik in zit...

Nog steeds op slot.

Uiteraard.

De persoon verlaat de toiletruimte.

Zonder de handen te wassen.

En ik zit vanaf dat ogenblik met een hoofd vol vraagtekens...

Wat bezielt iemand om, na de toiletgang, opnieuw aan een deur te trekken waarvan hij enkele minuten eerder had geconstateerd dat deze op slot zit? Een tic? Een onbedwingbare nieuwsgierigheid? Een pervers trekje? Waarom zou je, na de toiletgang, opnieuw een deur van een toilet openen? Inderdaad, een compleet raadsel.

Ook onbevredigend. Ik heb geen idee wie die persoon is geweest...

Hij handelde geluidloos. Dus geen stemgeluid waar ik naar op zoek kon. Geen bijzondere tred, een klakkende hiel of kreunend leer. Niets. Volstrekt anoniem.

Of bevond zich nog iemand in de voorruimte en moest er iets gedeeld worden wat niemand anders mocht horen? Zodat, voor de zekerheid, even aan de toiletdeuren werd getrokken om te controleren dat er geen willoze oren zouden meeluisteren?

Onzin, ik had niemand gehoord die ook de ruimte was binnengekomen. De deur naar het toiletblok is een zware deur, met dranger. Die hoor je. Zeker als je in de stilte zit.

Of stond iemand buiten het toiletblok te wachten op een seintje:"Kom maar, er is niemand..."

Dat zou nog kunnen.

Maar dat vind ik wel ver gaan.

En toch had iemand twee keer aan mijn deur getrokken. Vóór en ná zijn toiletbezoek.

Ik kom er niet uit.

Bizar.

zaterdag 17 maart 2012

Meester van Vliet




De lagere school doorliep ik eind jaren zestig, begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Het was de tijd van democratisering en inspraak. Jongeren sliepen op de dam en beleefden hun happening rond het Lieverdje. Ik leefde in een dorp onder de rook van Amsterdam, Castricum. Het tumult van de grote stad ging aan ons voorbij.

Toch moet ik op een vooruitstrevende school hebben gezeten.

In de zesde klas kregen we "staatskunde" van meester van Vliet.

Hij leerde ons debatteren. Hij leerde ons hoe politiek in elkaar zat. Dat deed hij door ons de opdracht te geven om zelf een politieke partij op te richten. We moesten met onze zelf opgerichte partijen onderling de strijd om de kiezer, de andere leerlingen van de school, aangaan.

Ik richtte de MOEM op. Meer Orde en Mogelijkheden. Dat van die orde begrijp ik nog steeds niet goed, de mogelijkheden vonden we veel interessanter. Met een aantal vriendjes begonnen we de partij vorm te geven. Met alles wat hierbij hoort: enthousiasme, onderlinge strijd, er ontstond zelfs een scheuring in de partij.

Toen we al een aantal keren massaal, onze partijleden kwamen uit verschillende klassen van de school, te laat in de les verschenen waren, werden we bij de hoofdmeester, meester Koster, ter verantwoording geroepen. Wat we eigenlijk precies met orde bedoelden. Dat was inderdaad een zwak punt in onze doelstellingen, we wisten het niet precies. Hij stelde voor dat we dan maar zouden beginnen om in ieder geval zelf op tijd in de les te komen. Het was een lastig onderdeel van ons partijprogramma.

We hielden vurige toespraken op het schoolplein. We maakten foldertjes en verspreidden die over de leerlingen. We gingen de klassen af. In de aula werd een debat georganiseerd.

Ik heb geen idee meer wat onze programmapunten waren. Wel herinner ik me een discussie over de tekst van de folder. Ik had hierin een rijtje eisen opgenomen. Dat vonden mijn medepartijgenoten te scherp uitgedrukt. Dat zou wel eens verkeerd kunnen vallen bij de meesters en juffen. Eisen werden wensen.

We wonnen de verkiezingen. Daardoor mochten wij de meeste leerlingen in het leerlingenparlement aanleveren.

Hierna wordt het vaag. Ik kan me tenminste niet herinneren dat we ooit een bijeenkomst met dit parlement hebben gehad.

We zaten ook in de zesde klas en dat laatste jaar vloog voorbij.

In 1974 was het voorbij. Ik verliet met mijn ouders en broer en zus dat jaar Castricum. We verhuisden naar Gouda, voor ons toen een grote stad. Abba won het eurosong festival, in Portugal begon de Anjerrevolutie, de palestijnen en de PLO werden steeds actiever, Turkeije viel Cyprus binnen, Nixon trad af door het Watergateschandaal, van Kooten en de Bie begonnen de uitzendingen van het Simplistisch Verbond. Dat ging allemaal toen volkomen langs mij heen.

Het zou weer jaren duren voordat ik geïnteresseerd raakte in politiek en de wereld om mij heen.

Maar meester van Vliet heeft mij geleerd hoe het allemaal werkt, de politieke partijen. Inclusief de strijd en de scheuringen.

vrijdag 16 maart 2012

Het leven is een schouwtoneel




"Kijk, nu zet ik hier nog een paar flessen neer."

De man keek op om te controleren of de cameraman zijn bewegingen wel volgde. Dat deed deze niet. De camera maakte een opname van het geheel: een deur waarvoor de man een stoel had geplaatst, zodat deze de deurklink omhoog duwde; een balk over de breedte had gehangen in een paar muurklemmen aan weerzijde van de deur en bovendien een touw wat in een ingewikkeld patroon nog eens via grote spijkers in de deurpost, voor de deur was gespannen. Op de stoel kwamen dus de flessen. Die zouden onverbiddelijk op de grond vallen wanneer een onverlaat toch probeerde de deur te openen.

De cameraman werd meegenomen naar de voordeur. De man vertelde trots dat hij de deur had vervangen door een plaatstalen geval. Het slot was een ingewikkeld mechanisme geworden met een verankering zowel boven als onderaan de deur. Een soort kluisdeur.

Inmiddels had zich ook de vrouw des huizes bij het geheel gevoegd. Wat zurig merkte ze op dat de deur een keer was dichtgevallen toen ze beiden aan de buitenkant bezig waren. De brandweer was eraan te pas gekomen om het echtpaar weer toegang tot hun huis te geven.

"Awel", merkte de man op, "maar toen ze via het keukenraam binnen waren geklommen, hoefden ze alleen nog maar dit te doen."

Hij demonstreerde trots hoe soepel de immens zware deur openging.

De vrouw ging onverbiddelijk verder. Ze vertelde hoe ze vroeger beiden samen regelmatig op stap gingen. Dansen, een lezing, de bioscoop. Dat gebeurde nu al jaren niet meer. Ze waren altijd thuis en altijd binnen. Als ze nu nog maar een hondje had gehad, ze hadden ook al geen kinderen. Maar ja, haar man hield niet van honden. Bitter vertelde ze dat het door de eigenaar van het appartementencomplex verboden was om dieren in huis te nemen. Maar inmiddels hadden verschillende mensen op de trap toch dieren: een hondje, een kat, een vogel. Haar man was de schrik van het trappenhuis, ging ze door, hij bullebakte iedereen af die met een huisdier de trap opliep. Hij hield van orde.

Zijn orde.

De man hoorde het relaas van zijn vrouw glimlachend aan.

Zo was het.

Ze was ongelukkig. Maar gelaten.

De man liep naar de garage. Deze was zo ingewikkeld afgesloten, met extra pennen en balken, dat de auto vrijwel nooit meer naar buiten werd gereden. Maar die auto kon tenminste niet gestolen worden.

Of er ooit iets gebeurd was? Een inbraak? Nee, gelukkig niet, maar je kon je maar beter voorbereiden.

In het laatste shot bleek het echtpaar een autoalarm te hebben gekocht. De man had het alarm in de auto gemonteerd. Helaas, door de beperkte ruimte in de garage en het voortdurende nerveuze gefriemel van het echtpaar waarbij ze steeds weer controleerden of alles wel goed was afgesloten, bleef het alarm maar afgaan.

"Nu zijn we ook nog bedrogen", jammerde de vrouw.

Striptease, Canvas, donderdagavond 22.25 uur