woensdag 17 september 2014

Dankbaarheid

puja, een dankbaarheidsritueel van Bali


Op facebook kom ik sinds enkele weken schrijvers tegen die elkaar uitdagen om gedurende enkele dagen redenen voor dankbaarheid op te schrijven. Velen van hen ken ik: ze zijn vrijwel allen apostolisch en het lijkt er dan ook op dat juist leden vanuit deze kerk elkaar uitdagen om hun dankbaarheid te beschrijven. De één is meer met de gave van het woord begenadigd dan de ander, maar dat zegt natuurlijk helemaal niets over de mate van dankbaarheid.

Mijn vrouw, niet-apostolisch, bekritiseerde mij toen ze ontdekte dat ook ik begonnen was met een reeks over "mijn" dankbaarheid. Daar loop je nu eenmaal niet mee te koop en bovendien de grens met zelfgenoegzaamheid is een dun stippellijntje.

Ik begrijp haar.

Mag je dan niet dankbaar zijn? Zeker wel, graag zelfs....Mag je je dankbaarheid dan niet tonen? Nou, daar wilde ik het nou net over hebben.

In de prachtige trilogie "the Lord of the Ring" door Tolkien figureert een alleraardigst volkje. Ze leven in volle tevredenheid in hun overzichtelijke, agrarische wereld. Het volkje kent meerdere families die al eeuwenlang met elkaar optrekken, met soms diepgevoelde onderlinge afkeer en vetes, maar ook groots opgezette feesten waarin alle oneffenheden weer voor een tijdje worden weggepoetst. Het is het volk van de Hobbits en zij leven in de Gouw. Buitenstaanders zie je hier niet snel verschijnen en dezen worden goed in de gaten gehouden: alles wat van buiten komt wordt toch wel wat gewantrouwd, zelfs al is het de goede vriend Gandalff, een tovenaar van buiten de Gouw. Alhoewel het leven hier goed is, zijn er toch Hobbits die dromen over het leven buiten de Gouw. Zij ervaren het leven in de Gouw als zelfgenoegzaam. Het leven is er goed, maar is dit dan alles wat er is? Zeker als er een donkere wolk over de verschillende landen van Midden-Aarde tot aan Mordor trekt. Het is slechts een enkele Hobbit die ervoor kiest om te helpen in de strijd om de toenemende macht van Gondor te breken: Frodo en enkele van zijn vrienden. De anderen blijven hun leven leiden zoals ze dat gewoon zijn.

En daarmee begint een van de mooiste heldenepossen die onze moderne tijd heeft voortgebracht.

Weer terug naar het thema "dankbaarheid".....het verhaal over het leven in de Gouw, laat zien hoe gemakkelijk dankbaarheid kan uitmonden in zelfgenoegzaamheid. Zelfgenoegzaamheid betekent in deze context: alleen op zichzelf gericht. Het vraagt werkelijk wel wat zelfonderzoek om uit te maken waar je jezelf eigenlijk bevind....Ik durf het niet zonder meer hardop voor mezelf te zeggen.

Een oud apostolisch lied begint met de tekst: "Lieve Vader, leer mij danken..." Dat zingen we niet meer. In de eerste plaats, we zijn niet meer gewend om "God" aan te spreken met "Lieve Vader". Een dergelijke relatie wordt tegenwoordig teveel als patriarchaal beoordeeld. Toch heb ik persoonlijk nooit zo'n moeite gehad met het beeld dat we allemaal "kinderen van één Vader" zijn. Het geeft een belangrijke duiding over hoe ik mijn relatie met mijn medemens wil zien. En dat ik, als ruim 50-jarige, nog altijd veel moet leren..... daar schaam ik me helemaal niet voor. Het "leren danken" is daar zeker een blijvend onderdeel van, want zo vanzelfsprekend is dankbaarheid helemaal niet. In die zin hoop ik toch nog lang "kind" te blijven.

Ik realiseer me dat dankbaarheid, in religieuze zin, ook altijd gekoppeld is geweest aan een "offer". Dat vind ik een mooi beeld om over door te denken. Het voorkomt in ieder geval dat je in de val van zelfgenoegzaamheid stapt: je geeft immers een deel terug aan "God" (of aan wie je je offer ook gewend bent te brengen), als "reminder" dat je het allemaal niet aan jezelf te danken hebt....Zodoende wordt een deel van de opbrengst van de eerste oogst bestemd als offer; een deel van je salaris....

Iets terug geven.

Gelukkig zie ik bij velen om mij heen dat deze behoefte bestaat: door hulp te geven aan een weeshuis in India, door hulp te geven aan pleegkinderen die zwerven van het ene naar het andere gezin, door te helpen in een ziekenhuis ergens diep in Afrika, maar ook door op bezoek te gaan bij die hoogbejaarde die haar dagen in eenzaamheid op een kamertje in een verpleeghuis doorbrengt....

Ik denk dat velen die relatie uit het oog zijn verloren: dankbaarheid en "iets terug doen". Dan kom je alleen op dankbaarheid uit en dat is hierdoor wel erg op zichzelf gericht. Het beeld wat ik hierbij heb is dat van "thanksgiving-day", zoals dat in Amerikaanse films tot ons komt, waarbij de kalkoen in het, meestal al goed bedeelde gezin wordt aangesneden. Ik zei het al: de grens tussen dankbaarheid en zelfgenoegzaamheid is zomaar overgestoken.

Hoe moet je al die verhalen over dankbaarheid dan begrijpen? Misschien wel met het lied "Lieve Vader, leer mij danken...." zachtjes in je achterhoofd.

Een oefening.

zaterdag 23 augustus 2014

The answer, my friend.....



Gister liepen mijn vrouw en ik door Culemborg, een aardig stadje aan de Lek. We liepen het centrum uit richting de rivier. Uit één van de huizen klonken pianoklanken. Natuurlijk keek ik door het raam de kamer in waar de klanken vandaan kwamen. Ik keek op de rug van een oude vrouw die zorgvuldig een aantekening maakte in haar muziek. Vervolgens probeerde ze haar vondst met één vinger uit.

Ze vormde een cocon van geconcentreerde aandacht. Het duurde drie stappen en toen was ik het raam gepasseerd. Het beeld van deze oude vrouw bleef in mijn hoofd rondhangen.

Hoe lang was het geleden dat ik iemand zo geconcentreerd bezig had gezien? Ik kon het me, eerlijk gezegd, niet goed herinneren. Dat de wereld is buiten gesloten. Dat alles gericht is op die handeling of op die gedachte. Dat alles om je heen vervaagt en iedere belangstellende bemoeienis afbreuk doet aan het moment.

In onze tuin hangen enkele Tibetaanse gebedsvlaggetjes. Ik begrijp de tekens niet die erop staan afgedrukt. Ze zijn overigens in de loop van de jaren door de regen, de sneeuw, de hagelbuien, vrijwel volledig afgesleten. Tibetanen geloven dat de teksten door de wind worden meegenomen. Dat ze zich verspreiden over de aarde als zaadpluisjes. Dat het werkt. De teksten zouden te maken hebben met de wens om van Tibet weer een vrij land te maken. Een land waar boeddhisten en andere gelovigen zich niet langer hoeven te onderwerpen aan de centralistische dictatuur van China.

Ooit liep ik, als jonge, wat onhandige stagiaire, tijdens een avonddienst de gang op van de afdeling op de Oude Ramaerkliniek in Den Haag, waar ik toen werkte. Het was buiten herfstig weer en de regen stormde luidruchtig tegen de ramen van de serre. In het donker van de serre zag ik het silhouet van één van de patiënten, Trees. Trees woonde al tientallen jaren in het psychiatrisch ziekenhuis en sinds enkele maanden woonde ze dan hier. Trees was mager en haar lijf was kromgetrokken door al het leed dat ze altijd met zich meedroeg. Ze rookte bedachtzaam een sigaret en bladerde door een dik boek. Het was te donker om te lezen. Ik ging tegenover haar zitten. Ze pakte mijn hand en keek me opeens doordringend aan:

"Broeder, gelooft u in God?"

Ik knikte.

Trees glimlachte voor zich uit en nam opnieuw een trek van haar sigaret.

Ze knikte langdurig met haar hoofd.

Buiten begon het te onweren en een nieuwe regenbui sloeg met veel geweld tegen de ramen. We keken beiden zwijgend het duister in.




woensdag 28 mei 2014

Over oude wijn en het scherp van de snede....

Hij moet ergens in het jaar 800 zijn begonnen en zijn product werd zo geliefd dat het zelfs na zijn dood is gemaakt. De jongste exemplaren zijn van het jaar 1000.

Ze zijn dus 200 jaar gemaakt.

Het had ook een eigen beeldmerk: je ziet en herkent het onmiddellijk. Honderden zijn ervan gevonden. En dat terwijl het niet goedkoop was, alleen de welvarenden konden zich er één veroorloven.

Met name de Vikingen waren er gek op. Zij kwamen zo ongeveer over de hele wereld. Je vindt ze dus overal.

Omdat het zo'n geliefd product was, werd het ook nagemaakt.

Inclusief het beeldmerk.

Helaas, ook toen al, bleken de kopieën vaak van bedenkelijke kwaliteit. Ze kwamen overigens opvallend vaak uit een Aziatisch land.

Die kopieën dan.

Waar de maker of de makers van het originele product woonden en werkten, weet men niet zeker. Men vermoedt ergens in het Rijnland.

Ik heb het over een zwaard.

Een Ulfberht-zwaard.


Echt, het diertje dat we mens noemen is niet zo verschrikkelijk veranderd in al deze eeuwen...


Maar of Apple het 200 jaar zal uithouden??

zondag 20 april 2014

Variaties op een rij



Het is een bekend fenomeen: als in Engeland een grote groep mensen op hun beurt moet wachten, vormt zich spontaan een rij. Of het nu gaat om het betreden van de bus, het kopen van een kaartje bij de bioscoop of het bestellen van een kilo kaas bij de kaasboer, zwijgend verandert de massa net zo lang van vorm totdat zich een overzichtelijk lint heeft gevormd.

Kom daar in Nederland maar eens om.

Gister vervoegde ik me vroeg bij een Hema bij ons in de buurt. Mijn vrouw houdt erg van Tom Poucen en dan met name van die van de Hema. Dus een feestdag is pas een feestdag wanneer we een tom pouce bij de koffie hebben. Ik heb hier geen enkel bezwaar tegen, maar de consequentie is dat ik vroeg mijn bed uit moet om de begeerde gebakjes in huis te halen: wij zijn met velen als het gaat om de liefde voor Tom Pouce.

Waarom het nu persé de Tom Poucen van de Hema moeten zijn, ik weet het niet. We komen verder nooit in deze zaak, alleen voor de rookworst en dus de Tom Pouce. Het zal ook wel domweg gewoonte zijn.

Hoe dan ook, ik kwam de Hema dus al vroeg binnen en werd bij de kassa onmiddellijk aangestaard door verschillende mensen. Ze stonden te wachten en allemaal wilden ze ook gebak bestellen. Ik nam de mensen voor de kassa in me op, het waren er 7 en wist genoeg: een ieder die zich als nieuweling zou melden, zou onherroepelijk na mij aan de beurt zijn. Vervolgens concentreerde ik me op de Tom Poucen in de vitrine en begon aan het gedachtenspel dat zo ongeveer voorafgaat aan iedere door mij ondernomen actie: het berekenen van het "worst case scenario". In dit geval: ik telde het aantal Tom Poucen en deelde dat door het aantal mensen voor mij: 80/7= 11,4.... als iedereen dus 12 Tom Poucen zou bestellen, zouden ze op zijn voordat ik aan de beurt ben. Ik weet genoeg van kansberekening om me te realiseren dat dit een onwaarschijnlijk scenario is. Ik haalde opgelucht adem en begon op mijn beurt te wachten.

Dit alles speelt zich overigens binnen enkele seconden af.

Voor mij bleek één van de dames het klontje wachtenden onvoldoende te vertrouwen. Ze begon rond te vragen wie in welke volgorde was binnen gekomen. Op basis van het antwoord, duwde de dame de wachtende vriendelijk in een overzichtelijk rijtje. Tenslotte keek ze naar mij.

"U kwam toch na mij naar binnen?"

Het is altijd ingewikkeld om jezelf voor een ander te positioneren.

"U mag voor mij staan, mevrouw."

Ze voelde zich geroepen om uit te leggen waarom ze iedereen in een rij wilde hebben. Ik luisterde glimlachend en kon mijn wat spottende blik blijkbaar niet goed uit mijn ogen bannen.

"Ik vind het prima hoor, mevrouw. Ikzelf vertrouw op de argusogen die we allemaal hebben, maar zo wordt het wel zo overzichtelijk."

Ze besloot geen aandacht meer aan mij te besteden. Achter mij wilde het geen rij worden. De mensen kwamen uit verschillende gangpaden aanlopen en bleven ter plekke staan. Het was een wat klonterig geheel.

Ondertussen deden de twee dames achter de taartenbalie hard hun best om de bestellingen te verwerken. Dat viel nog niet mee. Velen gingen blijkbaar pas nadenken over wat ze wilden, als ze aan de beurt waren. Dus een taart werd geroepen, tevoorschijn gehaald en, o nee, toch maar een vlaai en als de vlaai eenmaal in een doos zit, op de handen gaan tellen of iedereen zo genoeg zoetigheid zou krijgen. Ook dat tellen viel niet mee. Tegelijkertijd sloop een dame tussen de wachtenden door en begon uitgebreid de collectie taarten en taartjes te bestuderen. Niemand die iets zei, maar de ruggen werden strakker, de stemmen staakten en ogen begonnen te priemen.

Achter me werd de spanning een man teveel. Brommend mopperde hij dat het allemaal zo lang duurde. Hij begon commentaar te geven op de handelswijze van de twee Hema-dames, waarvan één duidelijk nog niet zo bedreven was in het taartenverkoopvak. Haar hoofd werd steeds roder en haar handelingen onhandiger. Haar, oudere collega duwde haar op enig moment naar de kassa en bleef stoïcijns onder de commentaren. De man probeerde zijn medewachters mee te krijgen in zijn onvrede, maar hier onderschatte hij zijn medemens: hij ontving afkeurende blikken van de dames om hem heen. Hij kroop zeurderig in zijn schulp.

Inmiddels kon ik mijn bestelling plaatsen. De dame gaf me een knipoog en verklaarde dat ze maar één paar handen had. Ik keek en moest haar gelijk geven. Die handen visten behendig de 9 Tom Poucen uit de vitrine, welke ze soepel in een doos liet glijden die ze al had voorgevouwen. Ze wierp een blik naar de man achter mij en ook hij kreeg een vriendelijke knipoog. Hij liet zich niet vermurwen en zij haalde haar schouders op.

Opnieuw kwam de dame die de taartjes al uitgebreid had bestudeerd, naar voren, deze keer met haar man en nu keken ze samen naar al het lekkers. Achter mij voelde ik de spanning weer toenemen, maar het echtpaar besloot later terug te komen. Gearmd liepen ze de winkel uit.

Mijn wachten was voorbij. Ik wandelde naar de rolband die me naar het dakterras zou brengen want daar stond mijn auto. Deze rolband is geschikt voor winkelwagens, waarvan de wieltjes op de band blokkeren zodat de gevulde karren moeiteloos naar boven worden getild. Vlak voordat ik de rolband wilde opstappen, duwde een dame nerveus haar volle winkelwagen snel nog voor mij de band op.

Ik zuchtte en sloot aan in de rij die zich achter haar geblokkeerde wagen vormde.


vrijdag 18 april 2014

Hebban olla vogala




Die vogel bij ons in de straat, heeft het begrepen.

Wanneer de eerste zonnestralen voorzichtig door het duister prikken, zwelt zijn keel en begint hij te tjilpen. Dit houdt hij vol totdat de zon weer achter de horizon is verdwenen.

Hij maakt dus lange dagen.

En geloof maar niet dat hij pauzes houdt. Hij gaat gewoon achter elkaar door.

Ik heb géén idee hoe hij zichzelf in leven houdt, maar zijn territorium is veilig gesteld. En daar gaat het allemaal om. Want dáár houden de vrouwtjes weer van: een zeker bestaan.

Ik heb het natuurlijk over vogeltjes.

Het kreng tjilpt en tjilpt en tjilpt en tjilpt. Hij laat zich door niemand of niets verjagen. Het enige wat zal helpen om hem de snavel te snoeren, is een lekkere vrouwtjesvink die een avontuur met deze rakker wel ziet zitten.

Zolang zij zich nog niet heeft aangemeld, schreeuwt hij de longen uit zijn lijf.

Hij is vrijwel de enige. Soms hoor je wat voorzichtig getjilp van verder uit de straat, maar die maakt geen schijn van kans tegen onze supertjilper. Wat een machtig geluid weet deze te produceren.

Blijkbaar hebben deze vogeltjes, hoe klein ze ook zijn, nooit last van een zere keel. Ik heb tenminste nog nooit een vinkje horen hoesten. Ook blijft het geluid continu dezelfde schrille, maar heldere klank houden. Geen spoor van een versleten, rood aangelopen keel. Geen last van angina pectoris of een ordinaire verkoudheid: hij zit toch maar de hele dag buiten op een tak, in weer en wind. Niks.

Geen spoor van vermoeidheid.

En dat al bijna de hele week door.

Een echte machotjilper.

Veel vrouwtjes trekt hij nog niet. Die laten zich niet zien.

Je zou denken, dan gaat hij wel een toontje lager zingen. Maar nee. Hij zet alles op alles. Het moet en zal gebeuren. Ook al moet hij ze helemaal uit het park weglokken. Dat is wel een paar honderd meter van hier.

Opeens...

is het stil.

Een bijna enge stilte.

Heeft hij een vrouwtje gestrikt of is hij dood neergevallen?

Het is doodstil, maar dan begint het weer.

Eerst nog zachtjes en dan zwelt het geluid weer aan.

Ze is doorgevlogen.

Dat moest hij toch even verwerken...

vrijdag 11 april 2014

Ontmoeting met rauwe kippenpootjes



Ik was wat te vroeg voor een afspraak en het zonnetje scheen. Ik zocht daarom een bankje in een park vlakbij de plek waar ik mijn afspraak zou hebben.

Schuin tegenover mij zat een man op een ander bankje.

Hij had zijn handen in een plastic tas en diep voorover gebogen rommelde hij wat. Vervolgens trok hij een stuk vlees uit de tas en begon hier omstandig op te kauwen. Blijkbaar was het gemarineerd vlees want het gebied rond zijn mond kleurde rood. Ook trok hij een fles tevoorschijn en zette deze na het kauwen aan zijn lippen.

Toen zag hij mij.

En hij zag mij kijken.

Moeizaam stond hij op en kwam waggelend op mij aflopen. De plastic tas klemde hij tegen zich aan. Hij plofte naast me neer.

Hij stonk. Naar alcohol en vettige viezigheid.

"Dat was rauwe kip...."

Verbaasd keek ik hem aan. Hij hief zijn handen in de lucht.

"Ik heb geen mogelijkheid om die kip te braden of zo....en ik had vreselijke honger....dus wat moet je dan?"

Ik vroeg hem of hij op straat leefde. Dat bleek zo te zijn.

"Vannacht heb ik op een matras geslapen dat ik in een vuilcontainer bij de Karnemelksloot vond."

De Karnemelksloot is een smal watertje dat de Goudse singel verbindt met de Reeuwijkse Plassen.

Ik vroeg hem of het koud was geweest, maar dat was meegevallen. En het was gelukkig droog geweest. Ik ben een leek op het gebied van het straatleven en waarschijnlijk ook grenzeloos naïef, want mijn suggestie om 's nachts bij het Leger des Heils te slapen, werd smalend aangehoord.

"Weet je wel wat dat kost?"

Dat wist ik niet.

"€ 3,50..."

Ik vroeg hem of hij een uitkering had waar hij dat dan van kon betalen, maar natuurlijk niet. Hij had immers geen adres dus ook geen uitkering.

"Hoe kom je dan aan € 3,50?"

Ik zag hem niet zo snel aan het werk.

Hij keek mij bedachtzaam aan:

"Wat denk je zelf?"

"En hoe moet het dan nu verder met jou?"

Hij vertelde dat hij vanmorgen een goed gesprek had gehad, bij de reclassering. In dit gesprek was hem aangeboden dat hij naar Vlissingen kon om hier geholpen te worden.

"Waarom Vlissingen?"

"Weet ik veel, maar daar zien ze blijkbaar nog mogelijkheden voor me....ik kan er alleen pas in augustus terecht....het is nu april....godverdomme."

Hij vloekte zachtjes in zichzelf en staarde in de verte. Dat werd een lange zomer.

"Zijn er nog andere adressen waar je terecht kan?"

Hij begon een lang en onsamenhangend verhaal waarin de clou doorklonk dat hij steeds maar weer door iedereen bedonderd werd. Niemand die hem wilde helpen....nou ja, behalve dan de politie. Het werd me alleen niet duidelijk hoe zij hem hielpen, maar ik vermoed dat ze hem soms een nachtje opsluiten. Had hij in ieder geval een bed en 's ochtends een douche en ontbijt. Kon hij er weer even tegen.

Ik moest naar mijn afspraak. Ik gaf de man € 3,50, dan kon hij komende nacht tenminste in een bed slapen. Hij bood me verrast een slok uit zijn fles aan. Ik zwaaide afwerend en liep het park uit.

Toen ik omkeek zat hij weer te kauwen.

Op een rauwe kippenpoot.

vrijdag 4 april 2014

Van die koele meren...



Het voordeel van even geen opdracht hebben, is dat je ook door de week tijd hebt om met je hond een flink eind te gaan wandelen. Gezien het weer van de afgelopen dagen, was dat dus een dagelijks terugkerend ritueel.

De wandeling voert mij door een door mensen bedacht en aangelegd gebied, de Goudse Hout. De mens heeft zich echter weer teruggetrokken en de natuur gaat haar eigen gang. Het koolzaad staat in bloei, de wilgen lopen uit en overal laten vogels aan elkaar horen dat ze een stukje van deze wereld hebben opgeëist. Mijn hond scharrelt zich hier volstrekt onwetend doorheen. Hij snuffelt en tilt voortdurend zijn achterpoot op zodat medehonden weten dat hij in de buurt is. Ik loop vrijwel in mijn eentje rond. Een enkeling draaft me met een hoogrode kleur puffend voorbij en soms ontmoet ik een medewandelaar, meestal met hond.

Zo langzamerhand leer ik de vaste bewoners van dit gebiedje ook wat beter kennen.

Het gebied is waterrijk: sloten, plassen, tussen de bomen, overal is water.

Op één van deze plassen drijft een zwaan.

Om hem heen zwemmen wat eenden en meerkoetjes. Hij staat dit grootmoedig toe. Hun gekwetter en gedoe contrasteert op een prettige manier met zijn statige manier van zwemmen.

Hij haat ganzen.

Soms haalt een troep ganzen het in hun botte hersens om af te dalen op zijn waterplas. Luid gakkend drijven de beesten dan rond.

De zwaan bedenkt zich geen ogenblik.

Hij zet de aanval in.

Met de kop laag op het water zwemt hij zo snel mogelijk op één van de ganzen af. De gans protesteert heftig. Hij kiest altijd eieren voor zijn geld: hij zwemt van de zwaan weg. Die blijft de gans echter achtervolgen.

Het is een vreemde strijd.

De gans zwemt rondjes en gakt bozig naar de zwaan. De zwaan blijft onverdroten op ramkoers.

Totdat de gans het zat is en het luchtruim in vlucht. Gakkend vertrekt hij naar een ander water. De zwaan verandert onmiddellijk van koers en zoekt de volgende gans op. Het ritueel herhaalt zich van begin tot eind. Onvermoeibaar blijft de zwaan de ganzen opjagen.

Ik ontdekte dat er een verborgen wet ligt in dit spel. Wanneer zo ongeveer de helft van het aantal ganzen individueel de vlucht heeft genomen, besluit de rest van de troep dat het genoeg is. Ze kiezen in één keer met elkaar het luchtruim.

De zwaan draait tevreden een rondje en duikt even met zijn kop diep het water in.

Mijn hond heeft ongeduldig staan wachten en besluit op enig moment het water maar in te duiken.

Dat vindt de zwaan helemaal geen goed idee.

Ook mijn hond is in een mum van tijd het water weer uit.

Hij zwijgt en schudt zijn natte vacht.