vrijdag 10 februari 2017
Ubuntu
Ik ben in mijn dagelijkse werk bestuurder van een ouderenzorginstelling.
Ondanks de continue stroom van negatieve berichten en de hoogoplopende meningen van velen die in de dagelijkse praktijk zelden of nooit een stap in een verpleeginrichting zetten, ben ik trots op mijn vak. Die trots komt voort uit de niet aflatende inzet van medewerkers, vrijwilligers en mantelzorgers.Die trots komt voort uit alle mooie initiatieven die worden genomen om de kwetsbare en afhankelijke bewoners een mooi leven te bieden. Een leven dat zoveel als mogelijk aansluit op de persoon die zij altijd zijn geweest.
Dat valt overigens niet mee.
De dagelijkse praktijk leert ook dat voor velen onder hen geldt dat het hele netwerk van vrienden, kennissen, familie, leden van de kerk en ga zo maar door, wegvalt als iemand wordt opgenomen in een verpleeghuis. Alsof een dergelijke opname betekent dat men geen deel meer hoeft uit te maken van dit netwerk.
En niets is minder waar.
Je bent namelijk voor een belangrijk deel wie je bent, dankzij dit netwerk.
Het helpt dus niet als je hierin alleen komt te staan. Zeker niet als je dementeert. Zie dan maar eens jezelf te blijven vinden.
Gelukkig zijn er velen die dit beseffen en trouw blijven aan de bewoner in het verpleeghuis.
Maar er zijn er ook veel bewoners die de dagen in eenzaamheid slijten.
Dat lossen we niet op met 1,7 miljard.
Maar dit terzijde.
Gister woonde ik een kerkdienst bij voor de bewoners van één van onze lokaties. Voor deze lokatie staat namelijk een prachtig, wit kerkje. Het kerkbestuur stelt hun kerkzaal graag voor dit doel beschikbaar. Om niet.
Deze kerkdiensten werden vorig jaar voor het eerst georganiseerd.
Eén van onze medewerkers realiseerde zich namelijk dat veel bewoners deze vaak diep ingesleten gewoonte, namelijk het naar de kerk-gaan, was weggevallen door hun opname in onze instelling. Natuurlijk, we hebben kerktelefoon en wekelijks is er een viering in de grote zaal. Maar dit is toch iets anders dan het ter kerke gaan...
Kenmerkend hiervan is dat je namelijk je jas aan moet doen, je dagelijkse omgeving moet verlaten en dat je op pad gaat naar de kerk.
Kenmerkend is dat je in de kerk samenkomt met een groep mensen die je in je dagelijkse leven meestal niet elke dag tegenkomt. Mensen met wie je desondanks toch iets hebt.
Omdat je deel uitmaakt van dezelfde groep die op zondag in de kerk samenkomt.
Het is, naar mijn overtuiging, één van de meest miskende, maar toch belangrijke rituelen: je jas aantrekken en je dagelijkse omgeving verlaten om naar de kerk te gaan....
Hoe dan ook.
Dit alles heeft één van onze medewerkers zich gerealiseerd en zij heeft de telefoon gepakt. Ze is het kerkbestuur gaan benaderen, de geestelijk verzorger van onze instelling, een pastoraal werker vanuit de kerken en zo begon het....
En nu gaan onze bewoners, tenminste zij die dit willen, met medewerkers, mantelzorgers en vrijwilligers zo'n drie keer per jaar naar de kerk.
Gister deed ik dus mijn jas aan en liep onze instelling uit. Ik ging naar de kerk. Een medewerker liep voor mij uit met een bewoner aan de arm en ze duwde een dame in een rolstoel. Ik nam het duwen van de rolstoel van haar over.
Uiteraard vroeg ik eerst aan de dame in de rolstoel of zij het goed vond dat ik haar ging duwen. Dat vond ze. Ze had alleen geen idee waar we heen moesten. Dat kwam dan weer goed uit: ik had wel een idee.
Ze zat te mopperen. Er stond dan ook een ijskoude wind en die ging door merg en been. Ze had het koud, ondanks haar dikke jas en het kleed over haar schoot.
Na afloop van de dienst liep ik met dezelfde dame weer terug naar de instelling.
Het was nog steeds koud.
Maar nu zat ze stil voor zich uit te neuriën...
vrijdag 27 januari 2017
Amsterdam volgens Plantenga.
Het is een wonderlijk gezicht: vertrouwd en toch ook klopt het niet. We zien de nachtwacht, maar in een onbekende omgeving. De figuren voor het wereldberoemde doek suggereren al dat we in een andere tijd terecht zijn gekomen.
Dat klopt.
Het zal ergens rond 1870 zijn. Het Rijksmuseum moet nog worden gebouwd. Dat wil zeggen: dit is een plaatje van het Rijksmuseum, maar niet het museumgebouw dat wij onder die naam kennen. We zien een zaal in het Trippenhuis, een voormalige burgemeesterswoning in Amsterdam en dat werd in 1816 in het nog jonge koninkrijk het Rijksmuseum. In 1876 verhuisde het doek, voor de zoveelste keer, maar nu naar het gloednieuwe museum dat door Cuyper was ontworpen. De meeste Nederlanders vonden het gebouw maar niks: te weinig Nederlands...
Het kan verkeren.
Maar terug naar 1876.
Amsterdam telde ongeveer 280.000 inwoners. Het was een overzichtelijke groep: ongeveer 65.000 mensen waren katholiek, 30.000 joods en de rest was protestants. Bijzondere vermelding krijgen de Duitsers, daarvan woonden er ongeveer 20.000 in de stad.
Aldus de heer Plantenga, schrijver van één van de oudste reisgidsen in ons land. Een boekje uit 1876.
Reizen deed men in die tijd vooral via het spoor. Anders waren er "kunstwegen" die de steden verbonden en hierover kon men met de dilligence reizen. Over rivieren en kanalen voeren stoomboten en bargen.
Bargen zijn trekschuiten.
Via het spoor was het ongeveer 2 uur reizen naar Rotterdam en naar Arnhem 2 1/2 uur. Voor degenen die niet via het spoor gingen, waren de reistijden aanmerkelijk langer: resp. 15 en 16 uur...
Op de dam staat het nationaal monument: een dame (in de volksmond "Naatje" genoemd) op een hoge sokkel waarop ook nog een zinnebeeld van de eendracht is uitgehouwen. De teksten brallen: "de eer van Nederland gehandhaafd door vorst en volk" en "te wapen....God bescherme Nederland en Oranje".
We zijn nog steeds in 1876.
U moet even nadenken.
Dat moest ik ook: waar sláát dit op?
De Belgische opstand en verzelfstandiging....november 1831. Niet helemaal is duidelijk hoe de eer van Nederland door vorst en volk werd gehandhaafd. Als ik mij goed herinner was de opstand een vreemde samengang van toevallige gebeurtenissen, dolle paniek en een weinig verheffende 10-daagse militaire actie die uiteindelijk nergens op uitliep. Voor vorst en vaderland dan.
De heer Plantenga noemt het monument van weinig waarde en dat was ook precies hoe zijn tijdgenoten hierover oordeelden: foeilelijk. Bovendien, de waterspuwers die de waterbak moesten vullen, werkten niet. Tot overmaat van ramp brak in 1905 een arm van Naatje af....waarop de Amsterdammers haar "Naatje Eenarm" gingen noemen. Ze heeft het uiteindelijk nog tot 1913 uitgehouden.
Met één arm.
zondag 22 januari 2017
Rome rules
Eén van de aardige aspecten van Rome is dat er Italianen wonen. Italianen verschillen van ons, Nederlanders en wij kijken dan ook onze ogen uit. Het is voor ons onbegrijpelijk dat een samenleving kan functioneren zoals deze in Rome functioneert, maar het werkt. Al eeuwen.
De afspraak was dat de taxichauffeur ons om 12.30 uur zou oppikken van het vliegveld. Op het afgesproken punt bleek het vol te staan met taxichauffeurs. Ze hielden de reizigers aan en boden hun diensten aan. Dat is natuurlijk heel aardig, maar als ik een rij van 7 chauffeurs moet passeren die je alle 7 opnieuw aanhouden, dan krijg ik iets zuchtends over mij.
Onze chauffeur ontbrak. Wij waren, natuurlijk, stipt op tijd en begonnen ons vanaf dat moment wat op te winden: waar blijft hij nou? Uiteindelijk kwam hij 12.45 uur binnen. Hij was volkomen ontspannen. We begrepen het: de afgesproken tijd is een richttijd. Dat zijn wij niet gewend.
De rit naar ons hotel confronteerde ons met de Italiaanse rijstijl. In onze ogen is deze samen te vatten als absolute chaos, tegelijkertijd merken we dat het wel gewoon werkt. Iedereen krioelt en kruipt over, langs en voor elkaar heen en, op een enkele claxon na, men reageert uiterst soepel op de bewegingen van de ander. Als er bij een kruispunt een verbreding naar 2 banen ontstaat, moet je er niet vreemd van opkijken als er spontaan drie of zelfs vier banen van worden gemaakt: zolang het past, past het en doet niemand hier moeilijk over. De taxi reed om voor ons onbegrijpelijke redenen bij voorkeur op twee banen tegelijk. Dat bleek geen afwijking van deze taxi te zijn: vrijwel iedereen doet dit. Een bord voor eenrichtingsverkeer blijkt vooral als suggestie bedoeld te zijn, maar als het moet en als het kan, dan duikt men de straat tegen de rijrichting in. Mocht er onverhoopt toch een tegemoetkomende auto aankomen, dan rijdt men gewoon weer een stukje achteruit. Het duurde even, maar we begrepen het uiteindelijk: regels zijn er als mogelijke ondersteuning, maar geen dwingend gegeven. Dit vinden wij, Nederlanders, uiterst onaangenaam. Nog vervelender is de constatering dat deze manier van rijden niet tot grote problemen leidt, althans, niet groter dan bij ons, waar we soms erg pietepeuterig bezig zijn om elkaar duidelijk te maken hoe de regel in elkaar zit.
Heel bijzonder is het oversteken via een zebrapad. Het verkeer raast in hoog tempo door de straten, soms verschillende rijen dik. Niemand lijkt enige aandacht te hebben voor de voetganger die op de stoep staat en aarzelt of hij wel durft over te steken. Totdat diezelfde voetganger een voet op de zebra zet: de auto die het dichtst bij de stoep rijdt, staat onmiddellijk boven op de rem en, naarmate je de straat via de zebra verder oversteekt, herhaalt zich dit patroon. Toegegeven, men remt pas op het laatste moment en er wordt alweer gas gegeven als je de auto maar net bent gepasseerd, maar ook hier: het werkt. Mocht je echter bij een zebra met een voetgangerslicht oversteken en je negeert hierbij het rode licht: doe dan maar een schietgebedje, de automobilisten rijden ongenadig hard en zonder te remmen door.
Ook wat betreft de looprichting is er geen pijl op te trekken. Wij houden natuurlijk, regel, braaf rechts aan als we bijvoorbeeld in de metro een trap bestijgen. Daar zijn onze Italiaanse broeders en zusters niet van onder de indruk: links en rechts en overal waar maar een gaatje is, duiken ze doorheen. Dit leverde voor mij wel een puzzel op: één keer liep ik rechts de trap op en een indrukwekkende Romein kwam aan dezelfde kant naar beneden. Hij stopte demonstratief voor mijn neus en maakte met een vingergebaar duidelijk dat ik aan de verkeerde kant liep. Ik kreeg de indruk dat hij zijn voorrang vooral afleidde aan het gegeven dat hij inwoner van de eeuwige stad was en ik maar een domme buitenlander. Het moet gezegd, dit was een uitzondering op de regel die ook hier luidt: het gaat zoals het gaat en zolang het goed gaat is er geen vuiltje aan de lucht.
Parkeren, ook een boeiend aspect van het Romeinse leven. Uiteraard, er zijn parkeerplaatsen, maar veel te weinig. Daar zit niemand mee: ieder gaatje wordt benut en als de gaatjes gevuld zijn, dan zet je je auto gewoon dwars op de weg voor een andere geparkeerde auto. Naast auto's, is de stad gevuld met scooters en deze hebben overal hun eigen parkeerplekken en als die er niet zijn, wordt de stoep volgezet.
Tenslotte nog deze. We verbleven in een klein hotel met, overigens, bijzonder vriendelijke medewerkers. In de kleine hal stond een indrukwekkende balie en achter deze balie bevonden zich steeds minimaal vier medewerkers. Eentje zat achter een computer en keek met een bijzonder verveeld gezicht naar het scherm; eentje stond tegen een muur geleund en twee tegen de balie aan, waarbij er één de gasten aansprak. Ook als er meerdere gasten voor de balie stonden te wachten, bleef steeds die ene de enige die de gasten hielp. De andere drie keken toe. Soms, héél soms, mocht degene die naast de helpende baliemedewerker stond een kleine handeling verrichten, maar dat ging altijd via die ene. De anderen heb ik op geen enkel moment op enig initiatief of werk kunnen betrappen. Ik kon me hun verveelde gezichten dan ook wel voorstellen. Links van de balie was een klein kantoortje, waar steeds een dame achter een bureau zat en zij hield voortdurend de werkzaamheden aan de balie in het oog. Ook zij sprong niet in als het op enig moment wat drukker werd achter de balie. Hier heb ik geen regel kunnen ontdekken, maar mijn organisatiedrift werd wel ernstig geprikkeld.
Natuurlijk ontkom ik er niet aan om de wereld te bekijken met de bril die ik gewend ben: de Nederlandse. Het aardige is wel dat ik steeds meer ontdek dat ik een dergelijke bril hanteer en de confrontatie zit hem er in dat er dus meerdere brillen mogelijk zijn: een Romein zal niet veel van onze overgereguleerde samenleving begrijpen. Wij, Nederlanders, zijn er van overtuigd dat we al deze regels nodig hebben omdat we zo'n dicht bevolkt landje zijn, maar als ik nu eens zeg dat Rome bijna 3 miljoen inwoners heeft....
En het werkt....
al eeuwen.
zaterdag 21 januari 2017
Memento mori
De laatste dag van ons verblijf in Rome bleek mijn vrouw ziek. Ze bleef dus op de hotelkamer en ik trok de wijk in, op zoek naar afleiding voordat de taxi ons naar het vliegveld zou brengen. Het hotel bleek in de buurt van een enorme begraafplaats te liggen. Nu heb ik weinig aversie tegen de dood, ze is nu eenmaal onlosmakelijk met het leven verbonden, dus ik besloot mijn wandeling hier voort te zetten.
De begraafplaats bleek de oudste van Rome te zijn. Na de verovering van Rome door Napoleon in 1799, bepaalde de Fransman dat niet langer in kerken mocht worden begraven. Dit was overigens een volstrekt begrijpelijk standpunt. Het begraven worden in de kerk was sinds vele eeuwen als gewoonte in het christelijke Europa ontstaan. Omdat de graven in de kerken niet werden geruimd, de jongste dag kon immers ieder ogenblik aanbreken, puilden de kerken zo langzamerhand uit van de hierin opgeborgen doden. Het effect was weerzinwekkend en bovendien uiterst onhygienisch: de doden verspreiden een afgrijselijke geur en, ondanks dat nog niemand had gehoord van ziektekiemen, hadden deze natuurlijk gewoon vrij spel.
Napoleon doorbrak deze gruwelijke gewoonte en bepaalde dat mensen voortaan op grafvelden buiten de stad moesten worden begraven.
En zo ontstond de begraafplaats van Verano.
Een dodenstad. Compleet met toegangswegen, parken, verstilde zijpaadjes, rotondes en flatgebouwen. Jawel, de grond was schaars, de hoeveelheid doden talrijk en de minder bedeelden werden dus weggestopt in hoge flatgebouwen, de zogenaamde loculi. Voor het gemak is voor iedere loculi een verrijdbare trap geplaatst, zodat treurende nabestaanden nog een kaarsje kunnen branden of een bloemetje kunnen plaatsen.
Naast deze eindeloze rijen graven voor de niet-draagkrachtigen, zijn er hele buitenwijken met lommerrijke paden waaraan enorme praalgraven: complete gebouwen zijn voor hen opgetrokken. Veelal natuurlijk in de vorm van een kapel, maar ook pyramiden en andere wonderlijk gevormde monumenten komt men tegen.
En overal buigen treurende engelen en huilende kinderen hun stenen hoofd, ofwel in de richting van de zon, ofwel in de richting van het graf. Een typisch Italiaanse gewoonte is om op het graf foto's van de begravenen te bevestigen. Duizenden foto's van gewone mensen die hun leven in of rond Rome hebben geleefd. Sommigen kijken wat dromerig in de lens. Anderen, niet gewend aan het poseren voor een camera, zitten er stijf en ongemakkelijk bij. Je ziet mensen van alle leeftijden, ook kinderen en baby's. Dat laatste is natuurlijk niet zo gek: ook in Italië was kindersterfte tot in de 20e eeuw een heel gewoon verschijnsel, veelal stierf de jonggeborene samen met de moeder.
Ondertussen scheen er een warm zonnetje over het grafveld en schoten overal verwilderde katten tussen de graven door. Het geluid van de miljoenenstad, de begraafplaats ligt allang niet meer aan de rand maar maakt deel uit van het immense centrum, klonk maar vaag door: een sirene en vliegtuig dat overvloog.
Uiteindelijk stond ik voor een graf waarop de tekst: "Mariano Fortuny, la real academia de bellos artes de Madrid". Op een pilaar prijkte de kop van een besnorde man die de bezoeker trots aankijkt. Uit alles blijkt dat hier een belangrijke man zijn laatste rustplaats had gevonden.
Alleen, ik had nog nooit van hem gehoord....
Later las ik dat hij één van de belangrijkste couturiers van het begin van de 20e eeuw is geweest. Hij was een bron van inspiratie voor Marcel Proust.
Het kan verkeren...
Memento mori.
Slenteren door Rome
Afgelopen week brachten mijn vrouw en ik in Rome door. We houden er van om door een stad te dwalen en zo de stad op ons af te laten komen. Zo liepen wij van Campo de'Fiori naar de wijk Trastevere. Deze wijk ligt aan de andere zijde van de Tiber en dat is dan ook precies waar de naam op slaat: "trans tiberum", "aan de andere zijde van de Tiber". Een goed bewaarde, Middeleeuwse volkswijk met nauwe straatjes, onderbroken door pleintjes waaraan veelal natuurlijk kerken zijn gesitueerd.
Hoe dan ook, deze route voert dwars door het oorspronkelijke, Joodse getto van de stad. Als je dit niet weet, valt het nauwelijks op. Totdat je opeens in het trottoir de bekende strumpel steine tegenkomt. En een paar huizen verder opnieuw en weer en weer...Hier op staan de namen van de 1022 joodse, Romeinse burgers die op 16 oktober 1943 door de Duitsers werden weggevoerd richting Auswitz. Van hen kwamen er 15 na de oorlog terug, 14 mannen en één vrouw.
Onvermijdelijk voert de route je langs een immens gebouw aan de oever van de Tiber: de joodse synagoge. Wij besloten tot een bezoek en werden de geschiedenis van de Romeinse joden ingezogen.
In Rome wonen al sinds de 2e eeuw voor Christus joden. Ze roken handel door het opkomende Romeinse rijk en, door de Joods-Romeinse oorlogen, kwamen ook velen als slaaf de eeuwige stad binnen. Hoe dan ook, joden en Rome horen, vaak tegen wil en dank, al ruim 2000 jaar bij elkaar.
Om deze 2000 jaar kort samen te vatten: het was steeds een gespannen relatie, waarbij joden er voortdurend rekening mee moesten houden dat de magere jaren van vernedering, vervolging en uitbuiting weer waren aangebroken. Die zeven magere jaren zijn in dit verhaal een understatement: ze konden tientalle jaren aanhouden, maar altijd brak er ook wel weer een periode aan van voorspoed en vredig samenleven met de Romeinse burgers.
Met name onze christelijke roergangers, de vele pausen, hebben zeer veel moeite getroost om de joden het leven zuur te maken. Tegelijkertijd was er ook voortdurend een vreemde afhankelijkheid: anders dan christenen, mochten joden geld tegen rente uitlenen en dat geld, dat hadden onze christelijke broeders heel hard nodig in de verwezenlijking van hun dromen. Helaas beperkten deze dromen zich veelal tot grootse bouwwerken waardoor de opdrachtgevers voor eeuwig herinnert zouden kunnen worden en andere projecten tot meerdere eer en glorie van henzelf.
Maar goed, we hebben er wel een prachtige stad vol grootse bouwwerken en volgepropt met de meest fantastische kunstwerken aan over gehouden.
Het is zeer plastisch, maar soms kwam het een heerschap (jawel, altijd mannen) beter uit om joden in een kwaad daglicht te stellen, zodat het gepeupel weer tot moorden en onderdrukking overging, zodat de opgebouwde schulden in alle ellende verdwenen.
Tja.
Ik geef het wat plastisch weer, maar het hele verhaal komt in grote lijnen wel hier op neer. Dat "de joden" ook de moordenaars van Jezus waren geweest, dat kwam dan wel handig uit. Dat Jezus zelf een jood was, was een onuitspreekbare en verboden waarheid.
Enfin. Nog in 1848 (!!) werden de joden door paus Pius IX teruggedreven in een klein getto en voerde hij vele, onaangename maatregelen in om de joodse bevolking te dwarsbomen. Zo werden de joden gedwongen om wekelijks in hun synagogen, voorafgaand aan hun eigen viering, een uur lang te luisteren naar een onvervalste christelijke donderpreek. Hierbij moesten 100 mannen en 50 vrouwen aanwezig zijn: er werd bij de deur geteld. Als het aantal niet werd gehaald, was de betreffende gemeente een boete verschuldigd. Zo kon onze Pius weer zijn kunstschatten verder uitbreiden.
Nu moet worden gezegd dat onze arme Pius in één van de meest roerige perioden paus was: de kerk verloor haar wereldlijke macht in Italië, Italië werd onder Garibaldi een eenheidsstaat met Rome als hoofdstad. Rome was altijd het wereldlijke gebied van de kerk geweest (met nog een paar enorme lappen grond in Italië) en dit raakte ze nu kwijt: Pius teruggedreven in Vatikaanstad....een beetje zoals hij de joden had teruggedreven in hun getto. Het grote verschil was wel de enorme rijkdom, de ruimte en de nog altijd heel behoorlijke macht die hij als paus behield.
De vorming van de eenheidsstaat Italië was voor de joden in Rome weer eens een ommekeer: ze werden formeel opgenomen als volwaardige burgers van de stad en waren vrij zich te vestigen waar ze maar wensten. Om dit feit te vieren, het had ruim 2000 jaar geduurd, werd in 1904 daarom de grote synagoge aan de oever van de Tiber geopend.
De vrijheid van de joodse burgers duurde ditmaal 73 jaar....om precies te zijn tot 16 oktober 1943. Toen greep een kwaadaardiger macht dan die van de kerk in in hun leven: de nazi's pakten alle 1022 romeinse joden op en vermoorden ze in dat gruwelijke kamp Auswitz. Slechts 15 kwamen na de oorlog weer terug naar Rome.
Overigens, de nazi's hadden de joden eerst nog een enorme afkoopsom afgedwongen om hun transport te vermijden: 200 goudstaven moesten worden verzameld. Dit is gelukt, maar het mocht niet baten: ze werden alsnog opgepakt en naar hun dood gereden.
Ze zijn weer terug. Hoeveel het er tegenwoordig zijn, ik weet het niet. Maar tijdens de rondleiding in hun synagoge word je door hen van harte uitgenodigd om samen met hen een gebedsviering bij te wonen...
zaterdag 7 januari 2017
Een korte familiegeschiedenis
![]() |
| stationsplein Helmond eind 19e eeuw |
Op 1 december 1877 trad Heiliger Zwart als 26-jarige man in dienst van de staatsspoorwegen. Hij werd aangesteld als weger en verdiende hier F 420,- per jaar mee. Zijn standplaats werd Helmond. Op 1 juni 1881 volgde zijn gezin: Adriana Pietronella de Bruijn, zijn vrouw met drie kinderen werden met Heiliger ingeschreven als inwoners van Helmond.
Heiliger brak hiermee met het verleden. De familie Zwart woonde sinds vele eeuwen in het gebied van Capelle-Vrijhoef, Sprang, 's Grevelduin-Capelle en Waspik. De streek staat bekend als "de Langstraat" en vormde het centrum van de leer- en schoenindustrie. Dat is terug te zien in onze familiegeschiedenis: vele van mijn voorvaderen staan te boek als "schoenmaker". In de periode dat mijn familie hier woonde, was er nog geen sprake van een industrie zoals wij die tegenwoordig kennen: het maken van schoenen was een vorm van huisvlijt. Als er op het land minder werk was of gedurende de spaarzame loze uurtjes, werden de schoenen gemaakt. Zeer waarschijnlijk pakten mijn voorvaderen al het werk aan dat ze konden krijgen om aan geld voor het dagelijks brood te komen. Dat was in Langstraat geen ingewikkeld vraagstuk: hier werden de schoenen voor Nederland gemaakt.
Het is om nog een andere reden een bijzondere streek: ze vormt een protestants-christelijke enclave in het Rooms-Katholieke Brabant. Ook mijn voorouders staan te boek als "Nederduits Gereformeerd", de voorloper van de latere Nederlands Hervormde Kerk. Het calvinistische Holland was zo bang dat de Rooms-Katholieke kerk de protestanten in de enclave zouden verdringen, dat de streek tot 1815, het jaar dat Nederland weer zelfstandig werd na de Franse overheersing, bij Zuid-Holland hoorde.
Waarom Heiliger besloot om het land van zijn voorouders te verlaten en het schoenmakersvak los te laten waar al generaties lang het geld mee werd verdiend, dat is onbekend. Het was in de periode dat in Europa zo ongeveer alles veranderde: de steden en haar opkomende, grootschalige industrieën werden de dominante economische grootheden, zodat het platteland leegliep. De wereld kwam in een enorme versnelling doordat overal spoorwegen werden aangelegd. De vorstenhuizen en adel probeerden wanhopig terug te keren naar een wereldorde die door de Franse revolutie en Napoleon verdreven leek (wat overigens in Nederland heel goed lukte: ons land, ooit de eerste republiek in de wereld, werd in 1815 opeens een koninkrijk), wat op zeer veel plaatsen en momenten gepaard ging met opstanden, rellen en heuse revoluties. Ongetwijfeld is in deze kolkstroom van gebeurtenissen, ook een verklaring te vinden voor de keuze van Heiliger om Langstraat te verlaten en zijn leven in dienst van het spoor te stellen. Een aanwijzing voor het wegvallen van werk in Langstraat is er overigens wel: toen rond 1850 de Haarlemmermeer was drooggemalen, vertrokken vele boeren en handwerklieden uit Langstraat naar deze nieuwe polder om hier het land te bewerken.
Zo niet Heiliger, die sprong, vrij letterlijk, op de trein.
In Helmond werden nog 7 kinderen geboren, waaronder mijn overgrootvader Dirk Pieter. Van de tien kinderen stierven er alweer 6 voordat ze volwassen waren. Ook Heiliger is niet oud geworden: hij stierf in 1892 op 42-jarige leeftijd in Arnhem.
vrijdag 25 november 2016
Gewoon boos.
"Iedereen is boos! Studenten, ouderen, ouders van kinderen....echt, iedereen is boos."
Daar werd ik toch wel even stil van. Ik keek mijn vrouw van opzij aan:
"Hoeveel boze mensen heb jij vandaag ontmoet?"
Ze haalde haar schouders op.
"Ben jij overigens boos?"
Dat was ze niet. Ik keek wat mismoedig voor me uit.
Ik ook niet.
Ik moet toch iets missen. Ben ik dan blind of doof of gewoon een sukkel? Ik kon het geen van alle echt uitsluiten....maar mijn vrouw? Ik keek nog even steels naar het televisiescherm, maar Paul Witteman meende het echt. Fascinerend, hij had het eerder meegemaakt en toen waren Henk Spaan en Harry Vermeegen in hun televisieprogramma al tevergeefs op zoek geweest naar "de gewone man".
Dus de gewone man is boos?
Of bedoelt hij dat boosheid bij de gewone man hoort? Boos is gewoon? Nou ja, als echt iedereen boos is, dan is boosheid inderdaad gewoon. Ik kon de logica wel weer inzien. Toch leek Paul Witteman mij niet echt boos. Ook Matthijs van Nieuwkerk zat er ontspannen bij. Twee ongewone mannen. Maar....als zij niet boos zijn, dan is blijkbaar niet echt iedereen boos....
Ik bedacht me: ik was ook niet boos en ook mijn vrouw niet en wij beiden hadden de gehele dag geen boze mensen ontmoet. Dus blijkbaar zijn ook wij en al die tientallen mensen die we vandaag waren tegengekomen allemaal ongewone mensen.
Dat is wel een beetje wennen.
Ik beschouw mezelf niet als erg ongewoon. Ik ben nogal gemiddeld. Je zou kunnen zeggen, gewoon. Maar niet boos en dat zou er blijkbaar wel bij horen.
Ik begon aan te voelen dat ik er niet goed uit zou komen.
En nee, ik werd nog steeds niet boos.
Abonneren op:
Posts (Atom)





