zaterdag 24 augustus 2013

Wonderen bestaan, ook tijdens een treinreis

Een plunjezak gevuld met Korans


Reizen levert soms ontmoetingen op die nog lang blijven natrillen in je herinnering. Dat kan gebeuren omdat de ontmoeting iets wat al lang in je geest sluimerde, tot ontwaken heeft gebracht; het kan zijn dat de ontmoeting tot een volstrekt onverwacht en adembenemend inzicht leidde; het kan ook zijn dat de ontmoeting iets vooralsnog onbestemds in beweging heeft gezet.

Dat laatste, daarover gaat dit verhaal. Ze leverde een puzzel op. U kent dat wel: u probeert zich nieuwe inzichten eigen te maken en heeft het gevoel dat u er soms, met uw vingertoppen, even bij kan komen. Het lijkt binnen handbereik, maar uw armen zijn nét te kort. Zo'n puzzel.

Het is alweer jaren geleden. Ik zou een paar dagen bij mijn zus in Basel doorbrengen. Ik zou met de nachttrein naar Zwitserland rijden en de volgende ochtend, rond de koffie, zouden we elkaar op het station treffen.

Nu lijken treinen mij nogal eens op een ondoorgrondelijke wijze verder van mijn doel te verwijderen als dat ik er bij kom. Zo ook deze reis. Bij aanvang van de reis in Utrecht, werd omgeroepen dat op het station van Arnhem, door een technisch mankement, de elektriciteit volledig was weggevallen. Arnhem was daardoor onbereikbaar. We werden met de trein naar Wageningen gebracht en vandaar met een bus zouden we doorreizen naar, ik meen, Nijmegen. In Nijmegen zou een boemel klaarstaan om ons richting Venlo te brengen. Bij aankomst bleek deze boemel alweer vertrokken en ik deed, met enkele medereizigers naar Basel, mijn beklag: de aansluitende trein die ergens in Duitsland op ons zou wachten, zouden we nu zeker niet meer halen. We werden in een taxi geduwd. In Venlo bleek echter ook niemand op ons gerekend te hebben.

Enfin, lang verhaal kort. Op het tijdstip dat ik had verwacht aan de koffie te kunnen met mijn zus in Basel, was ik de Nederlandse grens nog niets eens overgestoken. Ik had urenlang in toenemende wanhoop en tenslotte in een soort doffe berusting, in taxi, bussen, boemeltreinen en intercitytreinen gezeten, zonder dat ik mijn reisdoel ook maar enigszins was genaderd.

Ik vertel dit zo uitgebreid omdat ik me later wel eens heb afgevraagd in hoeverre deze gebeurtenissen het vervreemdende karakter van de hele reis had versterkt.

In Keulen kon ik vroeg in de ochtend uiteindelijk op een trein richting Basel stappen. Ik kwam terecht in een coupé waarin een drietal gezette heren, Zwitsers, zo zou blijken, en een inktzwarte neger in witte jurk en een, ook wit, gehaakt soort keppeltje. De laatste leek in diepe slaap en zat met zijn gezicht weggedoken. De heren zaten in een geanimeerd gesprek. Ik kwam tegenover de negerjongen te zitten. Ik zag al direct dat hij helemaal niet sliep: hij zat voortdurend voor zich uit te prevelen en keek met nietsziende ogen naar buiten. Daar was ook niets te zien: door het donker, weerspiegelde de ruit uitsluitend de beelden vanuit de coupé. Mogelijk hield hij zo iedereen in de gaten. Ik maakte me er niet druk om en pakte mijn boek. Het zou nog een lange zit worden.

Na enige tijd stond de jongen tegenover mij op en reikte naar een enorme plunjezak dat boven zijn hoofd in een bagagerek lag. Hij tilde de zak omlaag en maakte hem open. Tot mijn verbazing was deze geheel gevuld met boeken. Hij moest loodzwaar zijn. De jongen pakte er een boek uit, klopte hier zachtjes op terwijl hij mij aankeek, zei hij:

"Koran...",

en hij stak zijn duim op. Hierbij sloeg hij genoeglijk op de plunjezak en deze bleek geheel gevuld met korans.

De Zwitserse heren waren even stilgevallen en keken het tafereel aandachtig aan. Ze blikten veelbetekenend naar elkaar en dachten er duidelijk het hunne van. De jongen gunde hun geen blik waardig, maar bleef mij aankijken.

Aarzelend, hij sprak een mengelmoes van Nederlands, Duits, Engels en nog allerlei andere onverstaanbare woorden, raakten we in gesprek met elkaar. De jongen vertelde me dat hij vanuit Ivoorkust naar Nederland was gevlucht. In Nederland was hij in een asielzoekerscentrum terecht gekomen en daarmee in de Nederlandse, ambtelijke molen die onwillig en langzaam draait. Zijn aanvraag duurde en duurde totdat hij het zat was. Hij voelde zich nutteloos en zijn bestaan werd uitzichtloos. Hij besloot om terug te keren naar zijn land.

Hij keek me triomfantelijk aan. Ik keek schaapachtig terug.

Ik vroeg hem hoe hij dit voor elkaar dacht te krijgen. Had hij een paspoort, geld? Dit begreep de jongen niet:

hij had Allah.

Die had hem altijd geholpen en ook nu weer. Hij had bedacht dat de boten uit Noord Afrika die de Middellandse zee naar Europa overvoeren, gevuld met vluchtelingen, leeg terugkeerden. Dáár zag hij zijn kans...

Hij trok een verkreukeld pasje tevoorschijn. Dit bleek een pasje te zijn van het asielzoekerscentrum waar hij de afgelopen jaren had doorgebracht. Het was mij een raadsel hoe hij in deze trein terecht was gekomen en hoe hij de grens was gepasseerd. Ik begreep echter wel dat de Zwitserse grens naderde en hiermee ook het einde van zijn reis.

De Zwitserse mannen hadden zo ongeveer begrepen hoe het verhaal van de jongen in elkaar zat en maakten zich duidelijk vrolijk. Hufters.

Alhoewel ik zeker geloof dat wonderen bestaan, was dit wel teveel gevraagd. Natuurlijk werd de jongen bij de Zwitserse grens door de douane uit de treincoupé gehaald. Zonder morren stond hij op, tilde de plunjezak, gevuld met Korans op zijn rug en volgde de douanier. Hij gaf mij monter een knipoog.

Basel kwam dan eindelijk. Ik stapte de trein uit en liep over het perron richting de vertrekhal. Opeens hoorde ik achter mij een brul. Voordat ik wist wat er gebeurde, werd ik door iemand in de armen genomen: de jonge neger uit Ivoorkust.... Hij  omhelsde mij enthousiast en ik keek hem stomverbaasd aan.

Hij wees alleen maar naar boven en zei veelbetekenend: "Allah..."

Hierna gooide hij de plunjezak over zijn schouder en verdween in de mensenmassa.

Ik weet het zeker: hij is al lang weer terug in Ivoorkust.

maandag 19 augustus 2013

Dilemma's rond een onbeduidend besluit.



Het besluit werd in de vakantie genomen.

Ik liep er al langere tijd over te dubben. Zoals dat gaat, kleine ergernissen die, zodra de dag vordert, weer verdwijnen en daarmee ook de gevoelde noodzaak om de knoop door te hakken. Dit patroon herhaalt zich enkele maanden. Enfin, in de vakantie was het dus zover.

Er zou een nieuw scheerapparaat komen.

Het is onbeduidend, ik geef het onmiddellijk toe. Het gaat nergens over, zeker wanneer je het afzet tegen al het wereldleed dat via televisie, krant en internet over je uit wordt gestort. Maar toch, het vormde een soort kriebel die steeds maar weer terugkwam.

Natuurlijk, het apparaat was al oud en had zijn geld wel opgebracht na 15 jaar trouwe dienst. Ik hoef me dus nergens over te schamen. En bovendien, de oplaadbare batterij was steeds minder oplaadbaar. Dat wil zeggen, hij laadde nog wel op maar het liep er feitelijk net zo hard weer uit. Maakte ik echter het snoer vast aan het apparaat en stak ik de stekker in het stopcontact, dan liep hij weer als een net geoliede machine.

En je gaat hechten aan zo'n ding.

Maar goed. Toen het besluit eenmaal was genomen, was de volgende puzzel het vinden van een nieuwe.

Dat is nog geen sinecure. Je kan ze op vele plaatsen krijgen, ook via internet, maar er zijn natuurlijk verschillende merken met onderling weer allerlei typen en, uiteraard, overal hangt een ander prijskaartje aan. Dat geeft een belangrijk dilemma voor de aanschaf van het stuk techniek. Bovendien, techniek waardoor je jezelf iedere ochtend toch minstens 10 minuten in de spiegel staat aan te staren. Onuitgeslapen, soms zelfs ronduit chagrijnig of juist fluitend en vol goede zin in de komende dag. Het scheerapparaat maakt het allemaal mee. Dat vraagt toch een zekere zorgvuldigheid bij de keuze van een nieuwe.

Ik besloot om een winkel op te zoeken waar nog verkopers rondlopen die iets te vertellen hebben over de door hen verkochte waren. Ik geef toe, ze zijn zeldzaam. Toen ik laatst met mijn dochter op pad was voor een nieuwe laptop, begon de verkoper die ik om advies vroeg, ijskoud voor te lezen wat op het kaartje stond dat wij samen allang hadden gelezen. Maar van deze winkel weet ik dat het anders is.

Ze stelde me niet teleur. De verkoper begon me enthousiast uit te leggen dat de afgelopen 15 jaar nu net revolutionaire jaren waren geweest voor scheerapparaten. Dat had ik toch maar weer allemaal gemist. Natuurlijk waren de scheerapparaten, zoals ik die net had weggedaan, nog wel verkrijgbaar, maar dan miste ik toch het beste. Gelaten bedacht ik me dat dit ouderwetse stuk techniek me 15 jaar zonder enig probleem had geholpen. Maar ik wilde niet eigenwijs zijn. Belangstellend vroeg ik waar de belangrijkste ontwikkeling dan eigenlijk in zat.

"Nou, dat zit in de mesjes. Kijk, in die ouderwetse apparaten zit er veel ruimte tussen de mesjes. In die nieuwe sluiten de mesjes onderling vrijwel op elkaar aan. Dat geeft een veel beter scheeroppervlak..."

Ik kon niet direct in gejubel uitbarsten en keek de verkoper dan ook wat waterig aan. Ik probeerde me de scheerapparatenfabriek voor te stellen waar jonge technici enthousiast met hun innovatieve ideeën in de weer waren. Het riep geen beeld op. Een scheerapparaat blijft toch een beetje een scheerapparaat.

Ik besloot aan mijn eigen kwelling een einde te maken en wees een apparaat aan. Hij leek wel wat op de mijn oude, maar het bleek een topmodel te zijn. Een klassiek model voor krachtige scheerresultaten, wist de verkoper uit zijn mond te krijgen.

Ik was er weer voor 15 jaar vanaf.

zondag 18 augustus 2013

Wat zoekt een mens in Albury?

Het huis van Drummond in Albury Park


Albury ligt midden in het heuvelachtige, idyllische landschap van het graafschap Hertfordshire, iets ten zuidwesten van Londen. De A 248, een lokale weg, slingert door de heuvels, bossen, landgoederen en dorpjes heen en ook dwars door het gehucht Albury.
Albury is klein. Behalve een pub, een kantoor van de gemeente, een paar doodlopende dwarsstraten waaraan wat bebouwing, valt er niets te beleven. Het is een aardig plaatsje, op sommige plekken zelfs schilderachtig, maar daar kent deze streek talloze voorbeelden van.

Toch wilde ik persé naar Albury.

In Albury kocht Henri Drummond in 1819 het landgoed "the Albury Park" met het bijbehorende huis. Drummond was een telg uit een rijke, Engelse familie. De familie bezat een bank en Henri beheerde deze instelling. Dat deed hij goed en het bezorgde hem geen windeieren. Sinds 1810 zat hij ook in het Engelse Parlement. Hij studeerde in Oxford aan het prestigieuze Christchurch-college en in 1825 was hij de grondlegger van de leerstoel "politieke economie" aan dezelfde universiteit.

Het moge duidelijk zijn: Drummond behoorde tot de Engelse "upperclass".

Nog steeds vraagt u zich af waar mijn belangstelling voor Drummond nu eigenlijk vandaan komt.

Ik ben Apostolisch.

Het vraagteken wordt alleen maar groter.

Laat ik volstaan op te merken dat ik behoor tot een kerk die voortkomt uit een traditie die rond 1830 in, jawel, Albury ontstaan is... Op het landgoed van Drummond, die tussen 1826 en 1830 jaarlijks een conferentie organiseerde met discussies over de toestand van de kerk in die dagen, bijbellezingen en gebed. Deze conferenties leidden uiteindelijk tot de oprichting van de "Catholic Apostolic Church".

Vandaar.

Bijzonder is wel dat deze eerste kerk in de Apostolische traditie, inmiddels vrijwel is uitgestorven. Vooral wanneer je je bedenkt dat deze zelfde kerk in korte tijd, na 1830, een enorme groei doormaakte: rond de eeuwwisseling naar de 20e eeuw kende ze ruim 200.000 leden en had ze zo'n 1.000 gemeenten over de hele wereld. Eén van haar eerste, belangrijke voorgangers, Edward Irving, trok, wanneer hij predikte, soms wel 3.000 toehoorders aan.

Deze kerk is vrijwel geheel verdwenen. In Engeland tref je soms nog een kerkgebouw aan met een plaquette aan de muur waarop vermeldt staat dat het gebouw oorspronkelijk door de Catholic Apostolic Church is gebouwd. Van de 17 gemeentes in Nederland, zijn er nog ongeveer 3 over. Nieuwe ambtsdragers worden al vele decennia niet meer aangewezen. De leden van de kerk hebben aansluiting gezocht bij andere, Christelijke kerken en komen nog beperkt samen om hun eigen rituelen uit te voeren.

De kerk kende echter verschillende afscheidingen die zich in de loop der jaren weer vertakten. Deze nog jonge scheut van de Christelijke Kerken, kent al een zeer volgroeide kruin. Wereldwijd zijn er zo'n 15 miljoen mensen die zich Apostolisch noemen. En daar ben ik er één van.

Nieuwsgierig liep ik dus het landgoed in Albury op. Ik zag het bordje dat het niet toegankelijk was, maar, zo was mij verzekerd, Apostolischen worden getolereerd.

Het duurde niet lang toen een dame naar mij riep, of ik verdwaald was. Na mijn uitleg, raakte ze in toenemende mate geïrriteerd. Ze woonde hier al haar hele leven en steeds opnieuw "those Apostolic" die maar het terrein op kwamen lopen. Ze was echt Engels, je moest goed naar haar luisteren om te begrijpen dat ze het echt zat was: "this is really an issue for me..."

We zijn maar weggegaan.

We liepen nog even naar de kerk die Drummond aan de rand van het landgoed had laten bouwen. De eerste kerk die door de Catholic Apostolic Church was gebouwd.

Hij zat op slot...

zaterdag 10 augustus 2013

1066

De slag bij Hastings op het tapijt van Baijeux....let op de heuvel!



Ik zeg: "1066" en u zegt dan: "Hastings".

Heel goed, waarde lezer. Alleen jammer dat de slag bij Hastings niet bij Hastings plaatsvond. Ze werd ongeveer 35 kilometer landinwaarts uitgevochten. Nu mag je natuurlijk discussiëren in hoeverre 35 kilometer nog "bij" is, maar het lijkt mij wat ver opgerekt. Maar, de geschiedschrijvers hebben bepaald dat de slag "de slag bij Hastings" moet heten, dus ik reken uw antwoord goed.

Afgelopen week waren wij bij het plaatsje "Battle". U raadt het al, dáár speelde zich de oorlogstaferelen in 1066 zich af. Alleen, Battle, de plaats dan, bestond toen nog niet. Feitelijk was er helemaal niets op die plek, behalve een enorme heuvel. En boven op die heuvel stond Harold. Harold was een Saks en hij had de kroon van de overleden Edward de Belijder overgenomen. De Saksische edelen hadden hem hier ook voor aangewezen, dus alles leek in kannen en kruiken.
Beneden aan de heuvel stond echter Willem. Toen nog "Willem de Bastaard" geheten. Dat vond hij niet zo'n fraaie bijnaam en men fluistert dat de enkeling die dit in zijn gezicht durfde te zeggen, dit met een afgehouwen voet of hand moest bekopen. Een echte man dus, die Willem. Willem was een Normandiër en hij beweerde bij hoog en bij laag dat Harold hem ooit had gezworen dat hij, Willem, de opvolger van Edward zou zijn. Waarom Harold hier überhaupt iets over te zeggen had, wordt niet beschreven, maar Willem vond het serieus genoeg om de Paus te benaderen over het onrecht hem aangedaan. De Paus vond het best als Willem koning van Engeland werd: hij was per slot van rekening een trouwe Katholiek (dat wil zeggen: hij betaalde genoeg aan de Paus).

Het was dus alles behalve in kannen en kruiken.

De veldslag is wel beschreven als één van de meest invloedrijke veldslagen in de Engelse geschiedenis. Na Hastings was de Saksische heerschappij in Engeland definitief gebroken. De voortdurende strijd van de Engelsen tegen de Normandiërs (de "Fransen"), zou tot op de dag van vandaag een thema blijven in de Britse psychologie.

Maar goed, de veldslag dus. Willem stond dus onderaan de heuvel, Harold er boven op. Willem had op zichzelf de beste kansen: zijn leger bestond uit goed getrainde en uitgeruste soldaten: ridders, boogschutters, voetvolk. Harold zijn leger was een samengeraapt zooitje gelegenheidsstrijders die bovendien een paar dagen eerder nog een flinke veldslag tegen de Denen (die waren Engeland ook al binnen gevallen) hadden uitgevochten. Appeltje, eitje, zou je zeggen. Probleem was echter die heuvel: de mannen van Willem moesten iedere keer die rottige heuvel opklauteren en de mannen van Harold bleven maar van alles naar beneden gooien. Bovendien, als de mannen van Willem eindelijk boven waren, vormden de mannen van Harold een muur van schilden en zwaarden en duwden Willem zijn mannen gewoon weer naar beneden.

Het was een zooitje. Willem zijn mannen bleven maar tegen die heuvel opklauteren en de enkeling die boven kwam, werd weer omlaag geduwd. Geen gezicht.

Willem bedacht echter een list: hij liet zijn mannen opnieuw, wat moest je anders, de heuvel opstormen. Echter, deze keer draaiden ze zich voortijdig om en leken massaal op de vlucht te slaan. Dat vonden de mannen van Harold prachtig en de stoere kerels holden de heuvel af, achter de mannen van Willem aan om ze eens lekker in de pan te hakken. Daar had Willem op gewacht: hij gaf zijn cavalerie nu opdracht in beweging te komen en in een lus om de groep mannen heen te rijden. Zodoende werden de mannen van Harold ingesloten en werden zij in de pan gehakt.

Deze truc herhaalde Willem verschillende keren en, verdomd, die stomme Saksen stonken er iedere keer opnieuw in. Zodoende werd het leger van Harold flink gedecimeerd. Toen Harold ook nog eens dodelijk door een pijl in zijn oog werd verwond, was de strijd voor Willem gewonnen. Weliswaar waren zijn manschappen nog enkele uren druk doende met het zorgvuldig afslachten van de mannen van Harold, het was ook voor die tijd een uitzonderlijk bloedige veldslag, maar de overwinning was al binnen. Willem zijn naam zou voortaan "Willem de Veroveraar" zijn....daar kon hij mee thuis komen.

Willem stichtte na de overwinning een abdij. Aanvankelijk begonnen de monniken abdij een paar kilometer van de heuvel op te bouwen: boven op de heuvel was niet alleen voor soldaten een flinke klim en bovendien was er geen water....maar dat vond Willem maar niks. De al opgebouwde muren moesten steen voor steen worden afgebroken en opnieuw worden opgebouwd boven op de heuvel. Rond de abdij ontstond, zo ging dat in die dagen, een plaatsje: Battle.

Diezelfde abdij  is alweer afgebroken en er staat nu alleen nog een ruïne. Daar is weer een andere koning voor verantwoordelijk: Henry VIII, maar die had er een nationale sport van gemaakt: het afbreken van kerken en abdijen.

zaterdag 27 juli 2013

Whole the world is a stage



Jacques, de melancholicus in As You Like It, een toneelstuk van Shakespeare, verklaart op enig moment meer te zien in somberheid dan in vrolijkheid. Met zijn scherpe waarnemingsvermogen schetst hij in zijn lange monoloog over het menselijk bestaan een accuraat maar ook treurig beeld van zijn medeschepselen. Slechts toneelspelers zijn het die het podium even opkomen en, als ze het verlaten, niet meer zijn dan een schim van wie ze eens waren. Een treurig lot. Het lachen was hem in ieder geval vergaan.

Onontkoombaar schoten de herinneringen aan deze melancholicus mij te binnen, toen ik vandaag in Stratford upon Avon rondliep. De wereld die hier is geschapen is niet alleen één groot theater, het is nog eerder een circus. In de hitte van de middagzon doorkruisten tallozen het kleine stadje en iedereen liep op hetzelfde punt af: naar daar waar het geboortehuis van Shakespeare zou staan. Dit geboortehuis is een oude cottage. Niet heel bijzonder en nogal grauw door haar ouderdom. De meeste bezoekers liepen hier echter straal aan voorbij: er staat namelijk een hek omheen en even verderop staat een modern, lelijk jaren tachtig gebouw opgetrokken en hier staat met grote letters op geschreven: "Entrance birth place William Shakespeare".Vrijwel niemand viel het woord "entrance" op. Het effect was komisch, voor de niet-Jacques onder ons: velen lieten zich voor het toegangsgebouw fotograferen en lieten het echte geboortehuis links liggen.

In dezelfde straat was een winkeltje waar met grote letters op stond geschreven: "Peter Rabbit specialist". De creatie van miss Beatrix Potter was op talloze manieren weergegeven in de etalage: op mokken, T-shirts, boekjes en ga zo maar door. Met name de Chineze toeristen reageerden verrukt: ze lieten zich bij tientallen tegelijk voor de winkel op de foto zetten.

Het maken van een foto is in dit digitale tijdperk overigens een handeling zoals je ademhaalt of in je neus peutert: volstrekt gedachteloos, de camera of het telefoontoestel nauwelijks omhoogtillend, laat staan dat er naar het te nemen plaatje wordt gekeken, wordt er voortdurend afgedrukt.

Ondertussen waren wij op een terras neergestreken. Met plezier bekeken we de fratsen van onze medeschepselen en werden wij door hen bekeken. Een straatartiest begon te zingen en ergens jammerde een kind dat haar ijsje had verloren.

Stiekum moest ik denken aan een andere creatie van dit heerlijke land: Pooh Bear. Hij vroeg aan Piglet: "What day is it?" "It's today", said Piglet..."Ah, my favourite day",said Pooh.

donderdag 25 juli 2013

De magie van wetenschap



Vandaag brachten wij de dag door in Oxford. Een dag waarin de zegen van de wetenschap voortdurend, zacht fluisterend op de achtergrond aanwezig was. De middeleeuwse en renaissance gebouwen waar kerk en wetenschap elkaar nog stevig omarmden, de beelden en schilderijen van fameuze Oxford-denkers: John Locke, Caroll Lewis, Edwin Hubble, Walter Raleigh, Oscar Wilde, maar vooral het feit dat 13 prime ministers hier hun studie hebben gedaan, moet indruk maken. Nu vind ik prime ministers niet de meest inspirerende personen, maar Britten hangen nu eenmaal erg aan status en aanzien, dus het wordt overal vermeld. De universiteit is voor Nederlandse begrippen, ingewikkeld georganiseerd: ze bestaat uit 38 colleges. Ieder college is feitelijk weer een eigen universiteit, maar op de één of andere manier vormen ze gezamenlijk toch ook weer "de" universiteit van Oxford, welke dus wel of niet bestaat: het is maar hoe je het bekijkt. Een college ziet er steeds hetzelfde uit: rond de "meadow", een groot grasveld, is in een vierkant hierom heen een hoog gebouw opgetrokken. In dit gebouw bevinden zich de kamers van de studenten. Recht tegenover de centrale poort, zie je de ingang naar de kapel en naar de eetzaal. Sinds de films van Harry Potter, zijn deze eetzalen geliefd en vormen zich lange rijen om ze van binnen te mogen bekijken. Dat wil zeggen: de eetzaal van Christchurch college, het meest prestigieuze college van allemaal. Loop je naar een ander, minder bekend college, bijvoorbeeld die van Wadham, dan loop je alleen, want wie wil nu de eetzaal van het college van Wadham zien...De zaal is overigens net zo indrukwekkend als die van Christchurch college: schemerlampen op de lange tafels, enorme portretten van beroemde leden van het college en hoge, gebrandschilderde ramen.
Oxford kent ook nog een geweldig museum: het Pritt River museum. Een museum, geheel naar de wetenschappelijke traditie van de 19e eeuw ingericht...Een heel overzichtelijke wereld. Een wereld die nog geheel in hokjes kon worden ingedeeld. Hokjes die samenhang suggereerden, alhoewel men er wel achterkwam dat, hoe meer samenhang men in kaart bracht, diezelfde samenhang toch wel iets gecompliceerder in elkaar stak. Maar daar had men bij de inrichting van dit museum nog geen last van. Alles wat de Engelsen, wereldwijd, vonden, werd geclassificeerd, gerubriceerd en beoordeeld. Als wetenschappelijke Sherlock Holmes-personages, trokken de wetenschappers door de wereld (en dat was feitelijk allemaal Engeland in die tijd) en brachten talloze artifacten mee naar hun universiteit. Een ware wedrace over wie de meest exclusieve en authentieke object wist te bemachtigen, barste los. In die tijd was het blanke ras nog superieur, dus men vermoeide zich in het geheel niet met vragen of het allemaal wel kon: het tentoonstellen van afgehouwen hoofden uit Nieuw Guinea of de huid met tatoeages uit Papoea. Het museum herbergt zo tal van artefacten die op het randje van betamelijk zijn, ze vertegenwoordigen echter toch ook weer een manier van denken waar we nog niet geheel van zijn bevrijd.
Het kent ook zeer opvallende verzamelingen. De mooiste vond ik wel de vitrine met "friendly magic". Een bonte verzameling van over de hele wereld van objecten waarmee mensen ooit het kwade wilden afschrikken, ziektes wilden bestrijden en de zegen wilden afdwingen. Zo lag er een, wat we nu kennen als een versteend achterlijf van een inktvis. Vroeger beschouwde men dit echter als een bovennatuurlijk object en het steen werd vermalen: dat hielp tegen allerlei ziektes. Wie weet, hielp het ook nog. Er tegenover was een vitrine met minder vriendelijke magie, waaronder een ketting van hanenveren, welke kruisgewijs in een dik stuk touw waren gestoken. Dit trof men aan in het raamkozijn van een oude vrouw ergens in Amerika: het was bedoeld om de melkproduktie van koeien te stoppen en ook verspreidde het dodelijke ziekten....
Zoals ik al zei: het was een overzichtelijke wereld: heksendom werd teruggebracht tot een verzameling in een vitrine. Het was een kwestie van bestuderen, duiden en rubriceren. Het doel was ongetwijfeld om bijgeloof en magie te verbannen, maar voor mij was ze weer even voelbaar toen ik de voorwerpen bekeek.

donderdag 18 juli 2013

Je ziet niet wat je ziet



Mijn eerste ervaring met een interim manager was toen ik nog in het ziekenhuis werkte. Na een fusie en reorganisatie, was ik, tot mijn eigen en verder tot ieders verrassing benoemd als divisiemanager. Hierdoor kwam ik automatisch in de directie. Op dat moment had ik niet meer dan 5 jaar ervaring als afdelingshoofd en een summiere opleiding voor operationeel management in mijn zak. Ik stapte dus in een voor mij compleet nieuwe wereld. Het ging over strategie, capaciteitsbenutting, positie in de regio en over geld. Vooral dat laatste. Verrassend weinig werd er gesproken over patiënten.


Omdat de reorganisatie niet vlekkeloos was verlopen, waren er nogal wat posities die niet konden worden ingevuld. Zo ook die van facilitair manager en daar kwam dus een interimmer op terecht. Deze dame hield van aanpakken. Ze bemoeide zich met ieder detail, joeg haar medewerkers voor zich uit en was al snel de schrik van het ziekenhuis. Alles moest veranderen: dekens werden vervangen door dekbedden, er kwamen nieuwe uniformen, de keuken was helemaal niets en moest op de schop. En zo ging het maar door. De bestuurder, ook een interimmer, liet haar gaan.

Ze hield niet van formaliteiten. Knopen werden de hele dag doorgehakt. Ze kon opeens je kamer binnenstormen en overlaadde je dan met een geweldig schrikbeeld, hel en verdoemenis, maar, gelukkig, zij had al een oplossing en, weet je wat, het bespaarde nog een heleboel geld. Wat je ervan vond. Totaal overdonderd keek je schaapachtig in haar richting, wat voor haar voldoende was: wie zwijgt stemt toe. En weg was ze weer. Er was immers een besluit genomen.

Soms probeerde ik met haar discussie aan te gaan. Dat werd niet op prijs gesteld. Daadkracht, Zwart, daadkracht. Doorpakken. Tempo. Bespiegelingen zijn voor de borrel bij het haardvuur. We hebben een crisis te bestrijden.

Opeens was ze ook weer weg. Haar vertrek werd niet nader toegelicht. Ze zal wel een keer de verkeerde deur zijn binnen gestormd of, de echte doodzonde in een algemeen ziekenhuis, een medisch specialist omver hebben gelopen. Uiteindelijk blijven zij de baas en als een medisch staf op de rem gaat staan, is de race gelopen.

Inmiddels ben ik zelf 5 jaar interim-manager, na zo’n 20 jaar directie-ervaring in verschillende zorginstellingen. Het hierboven beschreven beeld van een interim-manager is natuurlijk ernstig gechargeerd, maar blijkt zich wel in de praktijk van alledag als een gestalt, een beeld te hebben vastgezet. Omdat we vaak maar oppervlakkige waarnemers zijn, we reageren veelal op de wereld om ons heen vanuit beelden zoals die zich in ons denken hebben vastgezet (en verdraaid, het lijkt ook wel of we hierin steeds weer worden bevestigd!), is het onontkoombaar dat ook ik vanuit een dergelijk beeld wordt bekeken. Dat levert soms fraaie taferelen op.

Ik was nog geen drie maanden aan de slag in mijn eerste interim-opdracht, toen een lid van de Raad van Toezicht van de instelling waar ik rondliep naar mij opmerkte: “je bent een echte interim-manager, dat zie ik al…” Ik had de man hooguit drie minuten gesproken en alles klopte al voor hem. Of: in de aanloop naar een nieuwe opdracht, werd een referent over mij gebeld. Ik was in het gesprek helemaal niet overgekomen als interim-manager: ik straalde zo’n rust uit. Was ik wel in staat om moeilijke knopen door te hakken? De opdracht werd mij overigens gegund en in korte tijd wist ik orde op zaken te krijgen.

Op mijn manier, dat wel. Maar dat ziet waarschijnlijk niemand.