zaterdag 13 mei 2017

Een paria.



We weten vrij veel over Haye de Jong. Hij is geboren op 19 december 1844 in Jubbega Derde Sluis, één of ander gat in Friesland. De streek was bekend om de veenafgravingen en om de onvoorstelbare armoede die hier werd geleden. In de tijd dat Haye werd geboren, woonden de mensen hier nog veelal in plaggenhutten. Pas vanaf 1900 begon het rijk zich het lot van deze armen aan te trekken en begon men met het bouwen van eenvoudige arbeidershuisjes. Er was nog een reden dat de streek bekend, of eigenlijk berucht was: de bewoners waren eigenzinnig en gingen hun eigen gang.

Ik vermoed zomaar dat er wel een relatie valt te ontdekken tussen de armoede en het aan hun lot overgelaten zijn en de eigenzinnigheid van de bewoners van deze streek.

Hoe dan ook. We spraken over Haye.De armoede in combinatie met de eigenzinnigheid van de streek, zullen ongetwijfeld een belangrijke rol hebben gespeeld in zijn geschiedenis.

Haye staat in de boeken als instrumentmaker, als barbier, wever, polderwerker, maar vooral als klaploper. In 1859 komt zijn naam voor het eerst voor in de aantekeningen van de rechtbank in Leeuwarden: diefstal. Hij is dan 15 jaar oud. Later wordt hij weer veroordeeld omdat hij op straat liep te bedelen. Verdere veroordelingen gaan over "valsheid in geschriften"en steeds opnieuw diefstal.

Omdat Haye veelvuldig de gevangenis in verdwijnt, komt zijn naam terecht in een zogenaamd "geheim register". Een uiterst modern hulpmiddel voor de officieren van justitie in die tijd. In dit register werden de namen opgenomen van alle criminelen waarvan de verwachting was dat het nooit meer goed met hen zou komen: die bleef je tegenkomen terwijl ze weer eens bezig waren met stelen, bedelen, iemand bedonderen...Het meest opvallende kenmerk van dit register: van een ieder die de twijfelachtige eer had voor de eeuwigheid hierin te worden bewaard, werd ook een foto opgenomen.

We hebben het over 1882. Foto's waren nog een kwestie van een gevoelige plaat die, voor iedere foto die je wilde nemen, opnieuw in de camera moest worden ingebracht. En vervolgens moest je enige seconden doodstil blijven staan want anders was de foto bewogen. Haye werkte goed mee: hij staat er scherp op.

Uit de beschrijving weten we dat Haye niet erg lang was: 1 meter 74. Hij was blond en had blauwe ogen. Als ik naar de foto kijk zie ik een man die het allemaal wel gelooft. Hij lijkt me wat spottend in de lens te kijken. Die is niet heel erg onder de indruk van wat hem allemaal overkomt.

In een later register vinden we opnieuw zijn foto. Dan zien we een heel andere man: oud en uitgeblust. Volgens het register is hij hier 46 jaar. Een man getekend door een leven in armoede en een leven als paria.


Haye wordt in 1890 weer eens uit de gevangenis ontslagen. Hij trouwt in 1891 met Sjoukje Boender. Sjoukje en Haye hebben dan al twee dochters.

Hierna wordt het vaag. Haye verdwijnt uit beeld. Zijn jongste dochter, Jeltje, komt in Amsterdam terecht. Hier ontmoet ze een Brabander en trouwt met hem.

Jeltje is de moeder van mijn opa: Lambertus Zwart.

Van Haye is zelfs de overlijdensdatum niet bekend.


zaterdag 29 april 2017

Eau de Vache



Alhoewel er aardig wat klanten in de zaak rondliepen, wist men de sfeer ingetogen te houden. Er werd niet geschreeuwd of hard gelopen. De medewerkers stonden glimlachend achter de verschillende toonbanken en het was onmogelijk om hun blikken te ontwijken. Het duurde dan ook niet lang of ik werd binnen gehengeld. De dame vroeg me vriendelijk waarmee ze mij van dienst kon zijn.

Wat schuchter bekende ik op zoek te zijn naar melk.

De dame draaide zich direct naar de hoek waar melk werd verkocht. Ze vroeg me of ik ook al wist welke melk ik wenste. Hierbij gleed haar hand langs de verschillende pakken van de verschillende fabrieken.

Ik moest toegeven weinig verschil te bespeuren. De meeste pakken waren blauw en hadden afbeeldingen van koeien of van weidse luchten boven het land.

Natuurlijk, er was de volle, halfvolle en ook de magere melk. De volle melk bleek in zeer donkerblauw en vervolgens werd het blauw steeds bleker naarmate de melk met meer water was aangelengd. De prijzen waren overigens ongeveer steeds hetzelfde.

Dat was wel weer wonderlijk.

Ik wees naar een pak halfvolle melk.

De dame complimenteerde mij met mijn uitstekende keuze. Ze bood me een miniscuul glaasje aan om vast even te proeven. Dat sloeg ik af. De dame ging mij voor naar de kassa.

Of het een cadeau was?

Ik zag hoe een pak van een klant voor mij kunstig werd ingewikkeld in een soort glimmend folie. Dat leek mij wat overdreven.

Terwijl ik mijn betaalpas in het pinapparaatje duwde, stopte de dame mijn pak melk in een papieren tasje. Ze vertelde glimlachend dat er nog een proefflesje karnemelk en ook nog een kortingsbon voor de yogurt in had gedaan.

Nu vergat ik bijna mijn stempelpasje. Om ongenoegen thuis te voorkomen, overhandigde ik deze alsnog. Dat bleek gelukkig geen probleem: mijn pak melk bleek goed voor twee stempeltjes. Ik zag dat ik nog enkele stempels nodig had om een gratis pak melk te kunnen afhalen.

Nu we toch bezig waren: er was een nieuwe zegelactie waardoor we in mei een pak biest bij elkaar konden sparen.

Eenmaal buiten zocht ik mijn weg naar de supermarkt voor een nieuw flesje aftershave.

zaterdag 15 april 2017

Dit is geen glas met water



Ik herinner mij van mijn eerste les filosofie eerlijk gezegd alleen nog maar de manier waarop de leraar het vak introduceerde. Van alle wijsheden die hier ongetwijfeld op volgden, is mij niets meer bijgebleven.

De leraar, Frank Timmer, kwam de les binnen met een glas water die hij voor zich op zijn bureau zette. Hij keek de klas in en merkte op:

"Nu denken jullie, daar staat een glas met water."

Daar viel niet veel op af te dingen. We zwegen dus en wachtten op het vervolg.

"De enige reden dat we naar elkaar opmerken dat hier een glas met water staat, is omdat we dit met elkaar hebben afgesproken: "dit is een glas met water....""

Hierna stopt voor mij de herinnering.

Ik was toen een jaar of achttien. Het zei me nog niet zoveel. Het was, zover ik bij mezelf kan nagaan, wel de allereerste keer dat ik ermee werd geconfronteerd dat de werkelijkheid waar ik dagelijks in leef niet meer dan een construct is.

De wereld zit tussen mijn oren.

Daar wist Margriet Sitskoorn, hoogleraar klinische neuropsychologie, afgelopen week over mee te praten. Op een jaarvergadering van een club met belangrijke (voornamelijk) heren, althans dat vinden ze zelf, sprak zij de troepen toe. Een blonde dame in een strakrode jurk, die de zaal ook nog eens voortdurend op milde wijze op het verkeerde been zette, dat bleek wel een sleutel tot succes.

Ik was snel weer vertrokken. Dat soort werelden doen het maar slecht tussen mijn oren.

En ondertussen was het de hele week een stille week. Overal klonk het verhaal van die ene man die ooit voor zijn overtuiging bleef staan en dat met zijn dood moest bekopen. Helemaal geen nieuw verhaal en ook al niet uniek. Het is zo'n beetje het verhaal van iedere dag: steeds opnieuw moedige mensen die opstaan en hardop durven te zeggen dat het anders moet. Maar die daarvoor dan ook een prijs moeten betalen, niet zelden met hun dood.

Maar dan opnieuw weer moedige mensen die opstaan en hardop zeggen dat het anders moet.

Opnieuw en opnieuw.

Daar gaat Goede Vrijdag over: het zal nooit stoppen, steeds komen ze weer terug. De moedigen.

Mensen die het hebben begrepen: de enige reden dat wij het weigeren van vluchtelingen normaal vinden, is omdat we dat zo hebben afgesproken.

De enige reden dat wij een ander met gelijke munt terug betalen, is, omdat we dat zo hebben afgesproken.

Omdat het zo tussen onze oren zit.

Een les die Margriet Sitskoorn ons leerde: we lopen allemaal over geitenpaadjes.

Nou ja, bijna iedereen.

Maar zeker de heren in de zaal die door haar werden toegesproken: de succesvolle bestuurders.

Ook ik.

We zijn niet voor niks succesvol gebleken: we wisten de geitenpaadjes van onze maatschappelijke constructen het makkelijkst te bewandelen.

Voor ons bleek dat glas water op tafel dan ook alleen maar een glas met water.

donderdag 9 maart 2017

Tot de dood ons scheidt...



In het verpleeghuis waar ik toen werkte, was hij pastoor. Een roomse priester die al decennialang de herder was voor de dolende zielen die aan hem waren toevertrouwd. Hij was ergens rond de zeventig, maar zijn werk was zijn leven en dus was pensioen onbespreekbaar voor hem. Hij vertrouwde me een keer in een intiem gesprek over leven en dood toe dat hij geen voorstander was van euthanasie. Wel ging hij soms in gesprek met een stervende die zich angstvallig vastklampte aan het leven. Dat leven was inmiddels pijnlijk en zonder enig uitzicht, maar nog altijd beter dan dat onbekende gebied dat we de dood noemen. Hij streelde dan de vechter en sprak zachtjes de angsten weg.

Soms gingen ze samen bidden.

Dan kwam meestal snel het moment dat iemand zich ontspande en zachtjes weggleed in het onbekende duister.

Zo had hij er al velen naar gene zijde zien vertrekken.

Ik moest aan hem denken toen ik vanmiddag een bijeenkomst bijwoonde van een palliatief netwerk, waar ook mijn organisatie deel van uitmaakt.

Palliatieve zorg is de zorg die wordt verleend aan stervenden. Ze is gericht op het verzachten of verlichten van het laatste deel van de weg die moet worden afgelegd door een, veelal, ernstig zieke. Het is niet langer gericht op genezing, maar op comfort en voorkomen van pijnlijk lijden.

Zonder enige twijfel bijzonder zinvol en mooi werk.

In een gesprek met verschillende werkers in de palliatieve zorg, veelal (wijk) verpleegkundigen, kwam al snel het gesprek op de huisarts.

Deze ontbrak bij de bijeenkomst. Zoals hij of zij, zo werd gemeld, veelal ontbreekt bij de verschillende besprekingen.

Ik vroeg hardop hoe belangrijk de huisarts eigenlijk is bij palliatieve zorg.

Nou, dat was wel een beetje een domme vraag: heel belangrijk natuurlijk. Zonder de huisarts zou het hele proces stil komen te liggen.

Ik bleef verbaasd.

Ik begrijp heel goed dat de huisarts een belangrijke speler is als het gaat om pijnbestrijding....maar sterven is toch meer dan alleen maar pijnbestrijding? Het lijkt nu wel of sterven expliciet een medisch probleem is.

Mensen gaan toch wel dood, met of zonder een huisarts.

Als het nu gaat om verzachten of verlichten, dan is er toch veel meer aan de hand? Ik ben zelf niet Rooms-Katholiek opgevoed, maar de traditie van een biecht, zo aan het einde van je leven...dat lijkt mij in veel situaties belangrijker dan een pilletje tegen de pijn.

Niet dat zo'n pilletje onbelangrijk is, maar het zou niet het centrale thema moeten zijn.

Of, zoals een deelnemer aan het gesprek vertelde, hij begeleidde psychiatrische patiënten in hun laatste fase, zijn zoektocht naar naasten die zich nog iets aan de eenzame stervende gelegen laten liggen. Die ene broer waar al 40 jaar geen contact meer mee is geweest...

Ik ga volgende week maar eens het gesprek aan met de pastoraal werker in onze organisatie.

vrijdag 10 februari 2017

Ubuntu


Ik ben in mijn dagelijkse werk bestuurder van een ouderenzorginstelling.

Ondanks de continue stroom van negatieve berichten en de hoogoplopende meningen van velen die in de dagelijkse praktijk zelden of nooit een stap in een verpleeginrichting zetten, ben ik trots op mijn vak. Die trots komt voort uit de niet aflatende inzet van medewerkers, vrijwilligers en mantelzorgers.Die trots komt voort uit alle mooie initiatieven die worden genomen om de kwetsbare en afhankelijke bewoners een mooi leven te bieden. Een leven dat zoveel als mogelijk aansluit op de persoon die zij altijd zijn geweest.

Dat valt overigens niet mee.

De dagelijkse praktijk leert ook dat voor velen onder hen geldt dat het hele netwerk van vrienden, kennissen, familie, leden van de kerk en ga zo maar door, wegvalt als iemand wordt opgenomen in een verpleeghuis. Alsof een dergelijke opname betekent dat men geen deel meer hoeft uit te maken van dit netwerk.

En niets is minder waar.

Je bent namelijk voor een belangrijk deel wie je bent, dankzij dit netwerk.

Het helpt dus niet als je hierin alleen komt te staan. Zeker niet als je dementeert. Zie dan maar eens jezelf te blijven vinden.

Gelukkig zijn er velen die dit beseffen en trouw blijven aan de bewoner in het verpleeghuis.

Maar er zijn er ook veel bewoners die de dagen in eenzaamheid slijten.

Dat lossen we niet op met 1,7 miljard.

Maar dit terzijde.

Gister woonde ik een kerkdienst bij voor de bewoners van één van onze lokaties. Voor deze lokatie staat namelijk een prachtig, wit kerkje. Het kerkbestuur stelt hun kerkzaal graag voor dit doel beschikbaar. Om niet.

Deze kerkdiensten werden vorig jaar voor het eerst georganiseerd.

Eén van onze medewerkers realiseerde zich namelijk dat veel bewoners deze vaak diep ingesleten gewoonte, namelijk het naar de kerk-gaan, was weggevallen door hun opname in onze instelling. Natuurlijk, we hebben kerktelefoon en wekelijks is er een viering in de grote zaal. Maar dit is toch iets anders dan het ter kerke gaan...

Kenmerkend hiervan is dat je namelijk je jas aan moet doen, je dagelijkse omgeving moet verlaten en dat je op pad gaat naar de kerk.

Kenmerkend is dat je in de kerk samenkomt met een groep mensen die je in je dagelijkse leven meestal niet elke dag tegenkomt. Mensen met wie je desondanks toch iets hebt.

Omdat je deel uitmaakt van dezelfde groep die op zondag in de kerk samenkomt.

Het is, naar mijn overtuiging, één van de meest miskende, maar toch belangrijke rituelen: je jas aantrekken en je dagelijkse omgeving verlaten om naar de kerk te gaan....

Hoe dan ook.

Dit alles heeft één van onze medewerkers zich gerealiseerd en zij heeft de telefoon gepakt. Ze is het kerkbestuur gaan benaderen, de geestelijk verzorger van onze instelling, een pastoraal werker vanuit de kerken en zo begon het....

En nu gaan onze bewoners, tenminste zij die dit willen, met medewerkers, mantelzorgers en vrijwilligers zo'n drie keer per jaar naar de kerk.

Gister deed ik dus mijn jas aan en liep onze instelling uit. Ik ging naar de kerk. Een medewerker liep voor mij uit met een bewoner aan de arm en ze duwde een dame in een rolstoel. Ik nam het duwen van de rolstoel van haar over.

Uiteraard vroeg ik eerst aan de dame in de rolstoel of zij het goed vond dat ik haar ging duwen. Dat vond ze. Ze had alleen geen idee waar we heen moesten. Dat kwam dan weer goed uit: ik had wel een idee.

Ze zat te mopperen. Er stond dan ook een ijskoude wind en die ging door merg en been. Ze had het koud, ondanks haar dikke jas en het kleed over haar schoot.

Na afloop van de dienst liep ik met dezelfde dame weer terug naar de instelling.

Het was nog steeds koud.

Maar nu zat ze stil voor zich uit te neuriën...

vrijdag 27 januari 2017

Amsterdam volgens Plantenga.


Het is een wonderlijk gezicht: vertrouwd en toch ook klopt het niet. We zien de nachtwacht, maar in een onbekende omgeving. De figuren voor het wereldberoemde doek suggereren al dat we in een andere tijd terecht zijn gekomen.

Dat klopt.

Het zal ergens rond 1870 zijn. Het Rijksmuseum moet nog worden gebouwd. Dat wil zeggen: dit is een plaatje van het Rijksmuseum, maar niet het museumgebouw dat wij onder die naam kennen. We zien een zaal in het Trippenhuis, een voormalige burgemeesterswoning in Amsterdam en dat werd in 1816 in het nog jonge koninkrijk het Rijksmuseum. In 1876 verhuisde het doek, voor de zoveelste keer, maar nu naar het gloednieuwe museum dat door Cuyper was ontworpen. De meeste Nederlanders vonden het gebouw maar niks: te weinig Nederlands...

Het kan verkeren.

Maar terug naar 1876.

Amsterdam telde ongeveer 280.000 inwoners. Het was een overzichtelijke groep: ongeveer 65.000 mensen waren katholiek, 30.000 joods en de rest was protestants. Bijzondere vermelding krijgen de Duitsers, daarvan woonden er ongeveer 20.000 in de stad.

Aldus de heer Plantenga, schrijver van één van de oudste reisgidsen in ons land. Een boekje uit 1876.

Reizen deed men in die tijd vooral via het spoor. Anders waren er "kunstwegen" die de steden verbonden en hierover kon men met de dilligence reizen. Over rivieren en kanalen voeren stoomboten en bargen.

Bargen zijn trekschuiten.

Via het spoor was het ongeveer 2 uur reizen naar Rotterdam en naar Arnhem 2 1/2 uur. Voor degenen die niet via het spoor gingen, waren de reistijden aanmerkelijk langer: resp.  15 en 16 uur...

Op de dam staat het nationaal monument: een dame (in de volksmond "Naatje" genoemd) op een hoge sokkel waarop ook nog een zinnebeeld van de eendracht is uitgehouwen. De teksten brallen: "de eer van Nederland gehandhaafd door vorst en volk" en "te wapen....God bescherme Nederland en Oranje".


We zijn nog steeds in 1876.

U moet even nadenken.

Dat moest ik ook: waar sláát dit op?

De Belgische opstand en verzelfstandiging....november 1831. Niet helemaal is duidelijk hoe de eer van Nederland door vorst en volk werd gehandhaafd. Als ik mij goed herinner was de opstand een vreemde samengang van toevallige gebeurtenissen, dolle paniek en een weinig verheffende 10-daagse militaire actie die uiteindelijk nergens op uitliep. Voor vorst en vaderland dan.

De heer Plantenga noemt het monument van weinig waarde en dat was ook precies hoe zijn tijdgenoten hierover oordeelden: foeilelijk. Bovendien, de waterspuwers die de waterbak moesten vullen, werkten niet. Tot overmaat van ramp brak in 1905 een arm van Naatje af....waarop de Amsterdammers haar "Naatje Eenarm" gingen noemen. Ze heeft het uiteindelijk nog tot 1913 uitgehouden.

Met één arm.


zondag 22 januari 2017

Rome rules



Eén van de aardige aspecten van Rome is dat er Italianen wonen. Italianen verschillen van ons, Nederlanders en wij kijken dan ook onze ogen uit. Het is voor ons onbegrijpelijk dat een samenleving kan functioneren zoals deze in Rome functioneert, maar het werkt. Al eeuwen.

De afspraak was dat de taxichauffeur ons om 12.30 uur zou oppikken van het vliegveld. Op het afgesproken punt bleek het vol te staan met taxichauffeurs. Ze hielden de reizigers aan en boden hun diensten aan. Dat is natuurlijk heel aardig, maar als ik een rij van 7 chauffeurs moet passeren die je alle 7 opnieuw aanhouden, dan krijg ik iets zuchtends over mij.

Onze chauffeur ontbrak. Wij waren, natuurlijk, stipt op tijd en begonnen ons vanaf dat moment wat op te winden: waar blijft hij nou? Uiteindelijk kwam hij 12.45 uur binnen. Hij was volkomen ontspannen. We begrepen het: de afgesproken tijd is een richttijd. Dat zijn wij niet gewend.

De rit naar ons hotel confronteerde ons met de Italiaanse rijstijl. In onze ogen is deze samen te vatten als absolute chaos, tegelijkertijd merken we dat het wel gewoon werkt. Iedereen krioelt en kruipt over, langs en voor elkaar heen en, op een enkele claxon na, men reageert uiterst soepel op de bewegingen van de ander. Als er bij een kruispunt een verbreding naar 2 banen ontstaat, moet je er niet vreemd van opkijken als er spontaan drie of zelfs vier banen van worden gemaakt: zolang het past, past het en doet niemand hier moeilijk over. De taxi reed om voor ons onbegrijpelijke redenen bij voorkeur op twee banen tegelijk. Dat bleek geen afwijking van deze taxi te zijn: vrijwel iedereen doet dit. Een bord voor eenrichtingsverkeer blijkt vooral als suggestie bedoeld te zijn, maar als het moet en als het kan, dan duikt men de straat tegen de rijrichting in. Mocht er onverhoopt toch een tegemoetkomende auto aankomen, dan rijdt men gewoon weer een stukje achteruit. Het duurde even, maar we begrepen het uiteindelijk: regels zijn er als mogelijke ondersteuning, maar geen dwingend gegeven. Dit vinden wij, Nederlanders, uiterst onaangenaam. Nog vervelender is de constatering dat deze manier van rijden niet tot grote problemen leidt, althans, niet groter dan bij ons, waar we soms erg pietepeuterig bezig zijn om elkaar duidelijk te maken hoe de regel in elkaar zit.

Heel bijzonder is het oversteken via een zebrapad. Het verkeer raast in hoog tempo door de straten, soms verschillende rijen dik. Niemand lijkt enige aandacht te hebben voor de voetganger die op de stoep staat en aarzelt of hij wel durft over te steken. Totdat diezelfde voetganger een voet op de zebra zet: de auto die het dichtst bij de stoep rijdt, staat onmiddellijk boven op de rem en, naarmate je de straat via de zebra verder oversteekt, herhaalt zich dit patroon. Toegegeven, men remt pas op het laatste moment en er wordt alweer gas gegeven als je de auto maar net bent gepasseerd, maar ook hier: het werkt. Mocht je echter bij een zebra met een voetgangerslicht oversteken en je negeert hierbij het rode licht: doe dan maar een schietgebedje, de automobilisten rijden ongenadig hard en zonder te remmen door.

Ook wat betreft de looprichting is er geen pijl op te trekken. Wij houden natuurlijk, regel, braaf rechts aan als we bijvoorbeeld in de metro een trap bestijgen. Daar zijn onze Italiaanse broeders en zusters niet van onder de indruk: links en rechts en overal waar maar een gaatje is, duiken ze doorheen. Dit leverde voor mij wel een puzzel op: één keer liep ik rechts de trap op en een indrukwekkende Romein kwam aan dezelfde kant naar beneden. Hij stopte demonstratief voor mijn neus en maakte met een vingergebaar duidelijk dat ik aan de verkeerde kant liep. Ik kreeg de indruk dat hij zijn voorrang vooral afleidde aan het gegeven dat hij inwoner van de eeuwige stad was en ik maar een domme buitenlander. Het moet gezegd, dit was een uitzondering op de regel die ook hier luidt: het gaat zoals het gaat en zolang het goed gaat is er geen vuiltje aan de lucht.

Parkeren, ook een boeiend aspect van het Romeinse leven. Uiteraard, er zijn parkeerplaatsen, maar veel te weinig. Daar zit niemand mee: ieder gaatje wordt benut en als de gaatjes gevuld zijn, dan zet je je auto gewoon dwars op de weg voor een andere geparkeerde auto. Naast auto's, is de stad gevuld met scooters en deze hebben overal hun eigen parkeerplekken en als die er niet zijn, wordt de stoep volgezet.

Tenslotte nog deze. We verbleven in een klein hotel met, overigens, bijzonder vriendelijke medewerkers. In de kleine hal stond een indrukwekkende balie en achter deze balie bevonden zich steeds minimaal vier medewerkers. Eentje zat achter een computer en keek met een bijzonder verveeld gezicht naar het scherm; eentje stond tegen een muur geleund en twee tegen de balie aan, waarbij er één de gasten aansprak. Ook als er meerdere gasten voor de balie stonden te wachten, bleef steeds die ene de enige die de gasten hielp. De andere drie keken toe. Soms, héél soms, mocht degene die naast de helpende baliemedewerker stond een kleine handeling verrichten, maar dat ging altijd via die ene. De anderen heb ik op geen enkel moment op enig initiatief of werk kunnen betrappen. Ik kon me hun verveelde gezichten dan ook wel voorstellen. Links van de balie was een klein kantoortje, waar steeds een dame achter een bureau zat en zij hield voortdurend de werkzaamheden aan de balie in het oog. Ook zij sprong niet in als het op enig moment wat drukker werd achter de balie. Hier heb ik geen regel kunnen ontdekken, maar mijn organisatiedrift werd wel ernstig geprikkeld.

Natuurlijk ontkom ik er niet aan om de wereld te bekijken met de bril die ik gewend ben: de Nederlandse. Het aardige is wel dat ik steeds meer ontdek dat ik een dergelijke bril hanteer en de confrontatie zit hem er in dat er dus meerdere brillen mogelijk zijn: een Romein zal niet veel van onze overgereguleerde samenleving begrijpen. Wij, Nederlanders, zijn er van overtuigd dat we al deze regels nodig hebben omdat we zo'n dicht bevolkt landje zijn, maar als ik nu eens zeg dat Rome bijna 3 miljoen inwoners heeft....

En het werkt....

al eeuwen.