maandag 23 juli 2012
Beauty is in the eye of the beholder...
Eén van de mooiste attracties in Parijs is de Mona Lisa.
Alhoewel ze kan strijden om deze eer met de Venus van Milo.
Gelukkig staan beide dames in het Louvre. Wel een flink stuk van elkaar verwijderd want anders wordt het haat en nijd tussen beiden.
Ze verschillen nogal in leeftijd, ruim 1600 jaar, maar dat doet niets af aan de status van schoonheid die beiden omkranst. Ze hebben wel verschillende wapens, de één verleidt ons met een wat geheimzinnige glimlach, de ander gooit vrij plompverloren haar borsten in de strijd. Het effect is hetzelfde, enorme menigten bijna hysterische bewonderaars drommen zich voor hen en staren naar ze. Soms staat er een gids bij die, volstrekt zinloos, probeert nog iets over hun achtergronden te vertellen.
Niemand luistert.
Vrijwel iedereen houdt een fototoestel, GSM of, sinds enkele jaren een Ipad of andere tablet omhoog en fotografeert de dame in kwestie. Zoals zowel Mona als Venus al ettelijke miljoenen keren gefotografeerd moet zijn en deze foto's zijn massaal en gratis van internet te plukken. Toch maakt vrijwel iedereen zijn eigen foto.
Het liefste met iemand ervoor: moeder, vrouw, vriendin.
Zodat thuis nog eens stiekum kan worden beoordeeld op welke punten het gefotografeerde eigen object van liefde faalt ten opzichte van de eeuwige schone.
Stiekum, want hardop zal steeds worden geroepen dat hij toch liever zijn eigen vrouw of vriendin heeft of dat zijn moeder er nog altijd een stuk beter uitziet.
Leugenaars.
Want dat is waar het toch de meesten om gaat. Mooi is dat zichtbaar bij Venus. Een beeld. Driedimensionaal. Je kan er dus omheen lopen.
Doet niemand.
Iedereen staat aan de voorzijde.
De kunstenaar, die haar creëerde, had haar net zo goed kunnen tekenen. Had hem een heleboel moeite bespaard. Niemand is geïnteresseerd in de achterzijde. Alhoewel die ook zeker het bekijken waard is.
Maar dat vind ik.
Een paar dagen voordat ik naar het Louvre ging, hoorde ik op de radio dat enkele Italiaanse archeologen
het, naar hun overtuiging, lichaam hadden gevonden van de vrouw die ooit voor Leonardo da Vinci had geposeerd. Dat schilderij zou uiteindelijk als "Mona Lisa" of "La Joconde" de sterrenstatus verwerven.
Die arme archeologen hebben er niets van begrepen.
Dat interesseert geen hond. Mona Lisa heeft h-e-l-e-m-a-a-l niets meer te maken met de dame die ooit voor haar model heeft gestaan. Al was het de koningin van Sheba of de hoer van Babylon geweest, Mona Lisa is de Mona Lisa. En niemand anders.
Het ergste was nog dat ze erbij vermelden dat vlakbij het skelet van deze dame, de restanten van haar kinderen lagen. In een klooster....
De Mona Lisa heeft geen kinderen en heeft al helemaal niets met een klooster te maken.
Stiekum denk ik: "Wat als het schilderij van de Mona Lisa nu eens hangt tussen die honderden, overigens prachtige schilderijen in de Italiaanse zalen van het Louvre?"
Zou dan iemand van die dagelijkse horde haar hebben opgemerkt?
Ik weet het zeker: die ene die haar opmerkt, is ook degene die beslist anders naar zijn geliefde kijkt.
Die vergelijkt niet maar kijkt... en ziet....
Kafka op zijn Frans is een vriendelijke lokettiste
De afgelopen dagen was ik met één van mijn dochters in Parijs.
Het waren aangename dagen.
Daarover gaat dit bericht niet. Toch is de opmerking dat ik in Parijs was van belang. In Parijs heb je namelijk het vraagstuk van vervoer.
Parijs is een grote stad.
Ze heeft ook een uitgebreid metronetwerk. Voor een toerist is de metro dan ook al snel het uitgesproken antwoord op het vervoersprobleem. En voor toeristen hebben ze iets bedacht. Een metrokaartje dat 2, 3, 4 of 5 dagen geldig is. Natuurlijk afhankelijk van het aantal dagen dat je in de stad verblijft.
De kaartjes zijn verkrijgbaar aan een loket waarboven "Information et tickets", staat. Je kan ze ook uit de muur trekken met behulp van je creditkaart. Dat is blijkbaar een ingewikkelde procedure want er gaat nogal eens iets fout. Ik heb toeristen wanhopig zien worden achter de machine: kaart ingeslikt of de procedure moest voor de 4e keer over of...Eromheen staan behulpzame jongemensen met een shirt waarop "service" staat. Zij helpen maar weten het ook niet altijd.
Ik stond het spektakel even te bekijken en besloot tot het face-to-face contact: het loket. Dat leek me een veiliger optie. Want om nu op de eerste dag van je verblijf je creditkaart al kwijt te raken...
Dit bleek een boeiende keuze. De rij was immens. Van de 4 loketten was er eentje open. Hierachter zat een vriendelijke dame die zich, in al het gemopper, geleuter en onverstaanbare koeterwaals van mensen uit alle gebiedsdelen van de wereld, haar humeur niet liet bederven.
Voor ons had zich een exotische groep mensen verzameld: Indiërs, Afrikanen, Amerikanen, Nederlanders en zelfs Fransen. Niemand, behalve natuurlijk de Fransen, sprak Frans en de dame achter het loket sprak uitsluitend Frans. Van sommigen betwijfelde ik of de vraag wel over de metro ging. De dame achter het loket probeerde dan proestend iets duidelijk te maken, met behulp van foldertjes, geschreven teksten en getallen, handgebaren aan de verbijsterde toerist voor haar loket. Die keek dan bedremmeld om zich heen. In het ongunstigste geval schoot een familielid die buiten de rij stond, te hulp. De verwarring werd dan alleen maar groter, waarop nog meer familieleden toeschoten. Op de één of andere manier lukte het de dame achter het loket steeds om tot een bevredigende afronding van de chaos te komen en vertrok het hele span de duistere diepten van het metrostelsel in.
De Fransen in de rij stoorden zich. Om de één of andere reden is het voor hen een onbegrijpelijk gegeven dat er mensen op de aardbol zijn die geen Frans spreken en die toch Parijs willen bezoeken. Die zouden zelfs inburgeringscursussen voor toeristen willen. Met rollende ogen en grootse gebaren bekritiseerden ze het gedoe in de rij voor hen.
Soms gaf iemand het op. Meestal besloot zo iemand om dan toch maar de gok van de automaat te wagen. Deze rij was beduidend korter, maar de wachttijd was zonder enige twijfel veel langer. De mens is echter nogal eens verrassend bewust kortzichtig. De kortere rij bleek dan een sterkere impuls te geven dan de waarneming dat de wachttijd duidelijk langer was. Maar goed, je hoorde mij niet klagen als weer iemand door de knieën ging: welgemoed schoven mijn dochter en ik naar voren.
Opeens leek er een kink in de kabel te komen.
De dame achter het loket stond op. Even later kwam ze een deur zijwaarts het loket uit. Ze sloot de deur omstandig en met een brede lach op haar gezicht liep ze langs de rij naar achteren. Ze verdween in een donkere gang en was weg. Verschwunden. Gone.
Haar stoel was leeg. Het loket onbemand.
We stonden wat ongemakkelijk om ons heen te kijken. De concurrerende rij voor de automaat werd toch weer aantrekkelijker. De mensen hier konden een glimlach duidelijk niet onderdrukken.
Kijk, het was toch weer iemand gelukt om een kaartje tevoorschijn te toveren.
Ik keek mijn dochter aan. Ik besloot optimistisch te blijven.
"Ze is vast even naar het toilet."
"Of lunchen", merkte mijn dochter op die soms meer wereldwijsheid heeft dan ik.
"Of lunchen", dacht ik somber en realiseerde me dat de lunch in deze contreien een uitgebreid ritueel is.
Tot mijn opluchting hoorde ik achter mij uit het duister een alreeds bekend gerinkel van een enorme sleutelbos. Daar was ze weer. Onze lokettiste. Onze heldin. Als een olympisch kampioen liep ze weer breed lachend langs de rij naar haar loket.
En daar gingen we weer.
Wij waren nu snel aan de beurt. Eerst nog even de bozige Franse dames voor ons. Verongelijkt bediscussieerden ze hun ongenoegen met de dame achter het loket. Zelfs deze zuurpruimen konden haar humeur niet beïnvloeden. Ze wimpelde ze duidelijk af.
Vervolgens kon ik mijn vraag stellen. Ze had mijn verhaal helemaal niet nodig. Ze pakte de kaartjes en vroeg nog even voor hoeveel dagen. Trois, zei ik in mijn beste Frans. Het was gebeurt. We draaiden ons om en liepen langs de nog steeds immense rij.
Parijs lag aan onze voeten....
maandag 16 juli 2012
Sick Building
Enige weken schrokken de medewerkers van rijkswaterstaat in het gebouw aan de A12 in Utrecht op. Alles begon te trillen. Kopjes vielen van tafel. Sommigen meldden een geluid alsof er een harde knal klonk. De mensen verlieten zo snel mogelijk het gebouw en eenmaal veilig buiten begon het Grote Gissen. Wat was er gebeurt? Was het gebouw nog wel veilig?
Het gebouw uit 1973 kent een enerverende geschiedenis. Na oplevering bleek het al snel een schoolvoorbeeld van een "sick building". Het binnenklimaat was onregelbaar slecht, de gevel lekte en ook de brandveiligheid was slechts matig. Het besluit om te slopen liet uiteraard nog wel enkele decennia op zich wachten: een te snelle afschrijving kost nu eenmaal geld. Veel geld. Na de eeuwwisseling werd sloop een serieuze optie.
Totdat de rijksgebouwendienst modellen onder ogen kreeg die het gebouw door een spectaculaire renovatie weer een geheel nieuw leven zou inblazen.
Alzo werd besloten.
Het bestaande gebouw werd ingrijpend onder handen genomen. De technische hoogstandjes zijn bijna niet kort samen te vatten. Het mocht blijkbaar wat kosten. Er kwamen klimaatzones, er kwam biodynamische verlichting, voor de gevel werd een tweede huid gespannen zodat de ramen gewoon open konden, door het gehele gebouw werden aanpassingen doorgevoerd: serres, vides, binnentuinen. Alles was gericht op licht, ruimte en comfort.
En het moet gezegd: het werd een succes.
Van "Sick Builing" werd het een prijzenwinnaar. Van over de gehele wereld kwamen belangstellenden het gebouw bewonderen nadat het in 2007 haar deuren had geopend.
Tot die klap. En die trillingen.
En niemand die weet wat de oorzaak is geweest.
Wat de gevolgen kunnen zijn.
Iemand moet op enig moment een besluit nemen.
Slopen of niet?
maandag 9 juli 2012
Wijkverplegingblues
Haar grootste probleem is haar gewicht. Van daaruit ontwikkelde zich tal van andere problemen: de knieën kapot, suikerziekte en ga zo maar door. Het gevolg is uiteindelijk dat ze niet meer zelfstandig haar bed uit kan komen.
Daarom komt de wijkverpleegkundige.
Die helpt haar met een tillift uit haar bed en zorgt dat ze een paar keer per week onder de douche kan.
Verder is ze geheel afhankelijk van haar man.
Ook niet de lichtste en een notoire alcoholist. Al jaren. Een moeilijke man die gluurt naar de wijkzuster en het leuk vindt om haar aan het schrikken te maken. Dan komt hij opeens uit een donkere kamer en staat dan pal voor haar. Als hij gedronken heeft is hij kwaaïg. Dan kan hij schelden.
Vroeger sloeg hij zijn vrouw nog wel eens, maar dat doet hij niet zo vaak meer.
Het huis vervuilt. Daar kan de huishoudelijk hulp, die één keer per week komt, niet tegen op werken. Op de vloer kleeft het door de etensresten en in het hele huis hang een weeïge, penetrante geur. Ongeveer zoals een vuilnisbak ruikt die een paar dagen in de volle zon heeft gestaan. Maar dan 24 uur per dag. Zeven dagen per week.
Schreeuwend vanuit haar bed, probeert ze nog wat orde in de chaos te houden. Maar haar man luistert al lang niet meer naar haar. Soms schreeuwt hij terug, maar over het algemeen zwijgt hij. En hij drinkt zijn bier. En nog maar één. En nog maar één.
De kinderen komen nog maar nauwelijks. Afwisselend hebben ze ruzie met vader of met moeder of met allebei.
Ze kijkt tv of bladert in een puzzelboekje. Maar eigenlijk let ze nergens meer op. Ze wacht. Op de hulp. Op de wijkverpleegkundige.
Mijn vrouw is één van die wijkverpleegkundigen.
Afgelopen week werd ze midden in de nacht gebeld. Ze had bereikbaarheidsdienst. Vandaar.
Of ze kon komen. De vrouw had een luide bons in de kamer van haar man gehoord. Hierna was het stil geworden. Hij reageerde niet op haar roepen. Ze was bang dat hij was gevallen. En niet meer overeind kon komen.
Mijn vrouw stapte uit bed en reed naar hen toe.
De man lag aangekleed op zijn bed. Hij rook naar de alcohol en was ongewassen. Verder was er niets aan de hand.
Dat wil zeggen. Hij was niet gewond.
De volgende ochtend moest mijn vrouw alweer om 8.00 uur bij de eerste cliënt zijn. Een vriendelijke, bejaarde dame die over niet al te lange tijd zal overlijden. Met kind noch kraai. Van wie de wijkverpleegkundigen waarschijnlijk de enigen op de begrafenis zullen zijn.
donderdag 28 juni 2012
Een stuwende kracht
Als ik mij goed herinner is Rob Oudkerk er ooit mee begonnen.
Behalve Marokkaanse jongetjes, werden ook de managers in de gezondheidszorg door hem in de verdachtenbank geplaatst. Het bleek een vruchtbare bodem.
Managers, bestuurders, toezichthouders, allemaal maken ze zich schuldig aan incompententie, graaigedrag, onverschilligheid en zo kan ik het lijstje nog wel even doorzetten. Het thema werd warm omarmd door vele kamerleden, staatssecretarissen, ministers en natuurlijk het journaille.
Tegelijkertijd beleefde de professional, de hardwerkende dokter en (wijk)verpleegkundige een herwaardering. Zij waren immers altijd het slachtoffer geworden van die kleilaag van managers en bestuurders. Zij moesten worden bevrijd.
En in tweedimensionale omgevingen, krant en televisie, doet zo'n zwart/wit tegenstelling het altijd goed. Je hebt "good" en je hebt "bad" guys. Dat iedere nuance zo langzamerhand verloren is gegaan, ontgaat vrijwel niemand, maar wat doe je er aan?
Laat ik helder zijn.
Dat we in ons zorgland te kampen hebben met falende bestuurders en managers met weinig visie, is evident. Ook is hun hemd vaak nader dan de rok. Niets menselijks is hen vreemd. Dat toezichthouders vaak hebben verzuimd om hun bestuurder kritisch te benaderen en te vaak teveel meebewogen, de voorbeelden zijn helaas zonder al te diepgaand onderzoek op tafel te krijgen.
Dus we hebben de oplossing bijna gevonden: een zwarte lijst. Als we nu maar precies bijhouden welke bestuurders hebben gefaald, dan sluiten we hen uit van het systeem en zullen de problemen al snel weer verleden tijd zijn.
Een zwarte lijst?
Ik werk al ruim 30 jaar in de zorg. Het is een klein wereldje. Iedereen kent iedereen. Een bestuurder die in de ene organisatie hard onderuit ging, zie je regelmatig op een andere plek weer terugkomen.
En laten we eerlijk zijn...
het is niet gezegd dat zo'n bestuurder per definitie er opnieuw een potje van maakt....
Soms heeft iemand ook een nieuwe kans nodig.
En soms is dat heel onverstandig.
Daar heb je nu precies een raad van toezicht voor nodig die een dergelijke afweging maakt.
Dus, wanneer zet je iemand op zo'n zwarte lijst?
Waarom eigenlijk een zwarte lijst?
Omdat we het niet meer vertrouwen. We vertrouwen die raden van toezicht niet meer. We vertrouwen de bestuurders niet meer. We vertrouwen managers niet meer.
We kiezen dus voor maatregelen die voortkomen uit wantrouwen. We willen controle, we willen transparantie, we willen openheid...mooie termen die vaak moeten verhullen dat we die ander diep wantrouwen.
Pleit ik dan voor achterkamertjes en het "old boys network"?
Nee zeg, ik schrik er van. Ik gruw daarvan.
Ik pleit voor een andere benadering.
Vertrouwen.
Volgens mij moet de spiraal worden doorbroken. Wanneer de focus ligt op wantrouwen, dan zullen de voorbeelden zich opstapelen en we weten van gekkigheid niet meer welke regels en maatregelen we nog zullen moeten verzinnen om de menselijke factor uit te kunnen schakelen. Met de toename van regels moet er meer worden gecontroleerd en bovendien, een veelheid van regels werkt vervreemding in de hand. Paradoxaal effect is dat een toename van regels ook meer management vraagt: iemand moet bewaken dat de regels worden nageleefd. Of de professional klaagt: de veelheid van regels bedelft haar werk onder bureaucratische rompslomp.
Vertrouwen.
Dat vraagt lef. Iemand weer een kans geven. Iemand de ruimte geven om zelf oplossingen te bedenken. Soms even achterover leunen en zien wat er gebeurt. Dat vraagt lef.
We zoeken dus moedige bestuurders en moedige toezichthouders.
Vertrouwen.
Dat vraagt een zekere dwarsheid. Niet iedere vraagstuk vanuit een tweedimensionale wereld willen oplossen. De wereld van de statistiek en managementinformatie loslaten en de werkvloer opzoeken. Een dialoog aangaan. Dat vraagt ontregelen. Ontregelaars zijn niet populair. Ontregelen is eng. We willen graag duidelijkheid.
We vragen dus bestuurders die dwarsligger durven zijn. Toezichthouders die soms met hun volle persoon voor een gemakkelijke oplossing gaan liggen.
Vertrouwen.
Dat betekent ook openheid. Gewoon, omdat je vindt dat het zo hoort. Zo ga je immers met elkaar om. Niet omdat er regels over zijn of een inspectie dreigt. Je medewerkers weten waar je mee bezig bent. Dat geeft namelijk vertrouwen. Dan schrijven we gewoon een rapportage omdat we ons willen verantwoorden. We gaan om met gemeenschapsgeld. Daar willen we zorgvuldig mee omgaan en iedereen mag daar iets van vinden.
We vragen dus bestuurders die open durven zijn. Ook als het een keer niet goed ging. Toezichthouders die hier met open vizier mee om durven gaan. En soms ook gewoon voor die bestuurder durven te gaan staan.
Is hiermee alles gezegd? Nee, er moet veel gebeuren. De samenleving vergrijst, de medewerkers vergrijzen, de kosten nemen alleen nog maar toe. Vraagstukken genoeg. Vraagstukken waar we elkaar hard bij nodig zullen hebben. Toezichthouder, professional, bestuurder, zorgvrager, kamerlid.
Vertrouwen is niet de oplossing, wel de stuwende kracht.
maandag 25 juni 2012
Een hondenleven
| De honden, vanaf links: Siep, Djabba, Bono |
Hij was vrijwel blind. Zijn ogen waren permanent ontstoken. Hij had geen kracht meer en struikelde over iedere drempel. Of hij viel spontaan om. En hij had zijn blaas niet meer onder controle.
Hij was veertien jaar oud.
Bono, onze hond.
Vanmiddag om 15.30 uur was het afgelopen.
Hij was de zwakste van het hele nest. Als er melk kon worden gedronken, werd hij door alle wriemelende hondelijfjes steevast naar achter gedrongen. Hij stond dan maar een beetje te wachten of er nog iets voor hem overschoot. Uiteindelijk heeft hij het van al zijn broertjes en zusjes het langste vol gehouden.
Bono was nog maar een klein half jaar bij ons, toen we werden gebeld. Een zusje van Bono was in Woerden terecht gekomen. Onder het mom van een allergie moest ze daar weer vertrekken. Of wij plaats hadden.
Daar kwam Djabba. In dat halve jaar was ze goed verpest: ze sprong op tafel, gebruikte de huiskamer als uitlaatplaats, luisterde op geen enkele manier en ze was angstig. Bono heeft haar opgevoed. Hij kalmeerde haar en leerde haar hoe een hond zich in een mensengezin hoort te gedragen.
Ze werden onafscheidelijk.
Ze jaagden samen. Bono sprong in het water en zwom de sloot door. De verschrikte eenden vlogen de kant op, waar Djabba ze tussen het riet stond op te wachten. Ze hebben nooit een eend te pakken gekregen.
Ze speelden samen. Djabba was het meest gehaaid. Als we een flinke stok gooiden, was Djabba er als eerste bij. Ze holde zo snel ze kon weg, maar de stok was meestal te zwaar. Bono greep dan het andere uiteinde van de stok en samen holden ze zo verder. je moest wel oppassen, ze liepen je compleet omver als ze zo bezig waren.
Ze hielpen elkaar. Toen we, tijdens een wandeling door de bergen, met de kinderen en de honden, werden overvallen door een groots onweer en zware hagelstenen, krulden de beide hondenlijven zich in elkaar en beschermden ze elkaar.
Vijf jaar geleden werd Djabba ziek. Ongeneesbaar. Haar dood betekende voor Bono dat voor hem de ouderdom zich had ingezet. Onze derde hond, toen nog maar enkele maanden bij ons, Siep, had nooit geleerd te spelen. Het was dus over met spelletjes. Bono werd van toen af aan een oude hond.
Siep is een voormalige fokhond. Toen ze economisch waardeloos was geworden, werd ze naar een dierenasiel gebracht. Tot die tijd had ze achter elkaar nesten jonge hondjes geworpen. Nog steeds moet Siep niets hebben van puppen: ze blaft ze weg of loopt voor ze weg.
Siep had ook nog nooit in een gezin geleefd. Bono heeft het haar geleerd. Hij kalmeerde haar. Dat is goed gelukt. Eigenlijk is slapen het enige dat Siep met overgave doet. Als ze tenminste niet eet.
Dan hebben we ook nog even Blondie gehad. Een Belgische schone, ook een voormalige fokhond. Ze werd aangetroffen in een schuur zonder daglicht, met nog ruim 100 andere honden. Daar leefden ze, in een permanent donker op een betonnen vloer. Toen ze werden bevrijd, moesten de meeste honden direct worden afgemaakt omdat ze in een te slechte conditie waren. Blondie werd geheel kaal geschoren omdat het vuil met sop niet uit haar vacht was te verwijderen. Ze haalde het maar net. Na enkele weken haalden wij haar op. Een angstige, gestoorde hond. Bono nam haar onder zijn hoede. Hij kalmeerde haar, alhoewel ze altijd nerveus bleef.
Blondie bleek al snel ziek te zijn. Ze werd dan ook niet erg oud.
Bono was er steeds bij. Veertien jaar lang. Hij hoorde er gewoon bij.
Vanmiddag was het dan afgelopen.
Om 15.30 uur.
En Siep? Die ligt gewoon te slapen.
vrijdag 22 juni 2012
Een dame van stand.
Aan het einde van haar leven draaide de wereld sneller dan zij kon bijbenen. Electriciteit had zijn intrede gedaan, evenals auto's en de telefoon en telegraaf.
Ze moest er niets van weten.
Haar huis werd verlicht door kaarsen.
Goudse kaarsen.
Ze reisde met een koets, voortgetrokken door één of meer paarden. En als ze contact met iemand wilde, zocht ze hem of haar wel op of schreef een brief.
Ze was er overigens aan gewend dat de mensen haar opzochten. Dat waren ze wel aan haar en haar familie verplicht.
Pauline Maria le Fevre de Montigny Bisdom van Vliet.
Die enorme rij van namen wijzen op een gegoede komaf, maar konden niet verhullen dat de familie geen adellijke rechten kende. Toch leefden ze generaties lang als de machtigen van Haastrecht: de familie leverde van 1730 tot het eind van de 19e eeuw de burgemeester. Ze bezat landerijen, boerderijen, fabrieken, handelshuizen en ga zo maar door. Uiteraard in Haastrecht, Gouda en directe omgeving, maar verder door vrijwel heel Nederland.
Pauline was de laatste telg. Na haar stierf de familie uit. Ze woonde bijna veertig jaar in haar enorme landhuis aan de rand van Haastrecht. Ze werd 82 jaar oud. En steeds eenzamer. In een wereld die ze steeds minder begreep.
Haar huis is nog steeds te bezichtigen. Daar is na haar dood, vrijwel niets meer gebeurd aan de inrichting. Want dat heeft Pauline zo bepaald in haar testament. En haar wil was wet, zeker als het over de laatste wil gaat.
Om het spannend te houden heeft ze nog een stapeltje papieren, bijeen gebonden door een strik en met lak verzegeld, bij de notaris achtergelaten. Die lakzegels mogen 100 jaar na haar dood worden verbroken. Over een goede 10 jaar is het zover, in juni 2023.
Haar man was de laatste burgemeester die door de familie werd geleverd. Hij is niet oud geworden, ergens begin 40. Ene Dupper, ook een Haastrechtenaar, werd nu burgemeester. Pauline vond het maar niks. Als vrouw speelde ze haar rol naast haar echtgenoot. Als vrouw van de burgemeester stond ze voortdurend in het middelpunt van de belangstelling en het echtpaar bestierde de gemeente en haar 1400 inwoners minzaam. Tijdens feestdagen namen ze aubades in ontvangst. Bij hen thuis ontvingen ze de behoeftigen of ruziemakers. Dat was allemaal voorbij. Haar rol in het dorp was uitgespeeld.
Tenminste.
Ze was nog altijd de rijkste vrouw van de streek. En ze bezat het halve dorp en vrijwel alle boerderijen en landerijen er omheen.
Maar als vrouw werd ze geacht die rol op de achtergrond te spelen. En dat heeft ze gedaan. En iedereen hield rekening met haar. Want ze was wel mevrouw Bisdom van Vliet.
Auto's werden niet in zicht van het huis geparkeerd. Daar had ze een hekel aan. Mannen en jongens namen hun pet van het hoofd als ze het huis passeerden. Vrijwel iedere vereniging werd gefinancierd door Pauline en hield altijd rekening met haar wensen.
En zo ze werd steeds eenzamer in dat grote, sombere huis. Want eerbied is nog iets anders dan warmte en minzaamheid is nog geen liefde.
Ze overleed in 1923. Een jaar nadat vrouwen in Nederland stemrecht hadden gekregen. Ik geloof niet dat ze ooit een stem heeft uitgebracht. Democratie was voor haar veel te volks.
Maar stiekem zal ze het prachtig hebben gevonden: de emancipatie van de vrouw.
Abonneren op:
Posts (Atom)




