woensdag 12 maart 2014

Pisbak



Het is 2014.

En het is dus 97 jaar geleden dat er bij een New Yorkse kunsttentoonstelling een voorwerp werd ingeleverd, waar de hele kunstwereld nog steeds over spreekt.

Het zette, zogezegd, de hele boel op zijn kop.

Het voorwerp is vrijwel direct uit het oog verdwenen. Er bestaat alleen nog één foto van. Het is mogelijk vernietigd door een kunstliefhebber die de ontstane discussie op destructieve wijze wilde stoppen. Het bleek hetzelfde effect te hebben als het doden van een weerspannige burger door een bemoeizuchtig regime: de dode wordt een martelaar en daarmee een onaantastbaar stukje van de eeuwigheid. Zo ook met dit object, na 97 jaar is de discussie erover nog niet geluwd en het voorwerp zweeft ergens in de hemel van eeuwig voortbestaande kunstvoorwerpen. Het heeft dezelfde status als het verdwenen paneel uit het altaar van van Eijck of het vernielde werk van Barnett Newman. Iedereen heeft er wel eens van gehoord en het verdwijnen ervan maakte nu juist dat het nooit meer uit ons geheugen zal worden gewist.

Ik heb het natuurlijk over de pispot van Marcel Duchamp. Weliswaar heeft hij het gesigneerd met het, al even beroemde pseudoniem "R. Mutt 1917", maar twijfelen over de werkelijke aard van de kunstenaar is zinloos. 

Juist omdat Duchamp besloot deze ordinaire pispot tot kunst te verheffen, weten we nu ook alles over het uitverkoren model. Het was het meest eenvoudige urinoir in de collectie van L. Mott, Ironworks, gevestigd op 118 Fifth Avenue in New York: de standaard Bedfordshire. Zoals wij, 21e eeuwers kunnen beoordelen, is er in bijna 100 jaar weinig gebeurd in de ontwikkeling van urinoirs: het eerste patent op een urinoir stamt uit 1866 en dit betreft een model dat al vrijwel gelijk is aan onze moderne pisbak. 

Er zijn echter voldoende archeologische vondsten die er op wijzen dat de pisbak geen exclusieve verworvenheid van onze westerse samenleving is: zo is er een urinoir bekend uit ongeveer de 10e eeuw, welke is gevonden op Sri Lanka. Eerlijkheidshalve moet hier wel bij worden opgemerkt dat het hier eerder een pisgat betreft, waarbij de afbeelding van twee voetzolen weergaven waar de man moest gaan staan om de straal voldoende gericht te krijgen op het kleine gaatje tussen de twee voeten in.

Hier heeft Duchamp zich allemaal niet mee vermoeid. Zijn enige doel was om in de wereld van kunstenaars en kunstkenners een discussie op gang te brengen. Een discussie over de aard van kunst. 

Snapt u wel?

Vandaar die pisbak.

U zit nog met vraagtekens.

Duchamp was de mening toegedaan dat een voorwerp dat hij, als kunstenaar, koos om, los van het oorspronkelijke doel van dit voorwerp, te worden getransformeerd tot kunst, ook als kunst moest worden beschouwd. En het kon worden getransformeerd tot kunst omdat hij, als kunstenaar, hiertoe had besloten. De kunstenaar wordt in die opvatting een soort tovenaar die met een toverstokje willekeurige voorwerpen kan aanwijzen en kan verheffen tot Kunst (jawel, met een hoofdletter).

En sindsdien bestaat de opmerking: "dat kan mijn nichtje van 10 jaar óók..."

Duchamp zette, met zijn daad, de hele kunstwereld op zijn kop: tot die tijd werden kunst en haar uitingen beperkt tot schilderijen, tekeningen, beeldhouwwerken, en ga zo maar door. Kunst werd voor een belangrijk deel bepaald door haar vorm en dat werd nu door Duchamp doorbroken: in principe kon alles een kunstvoorwerp zijn...

Oók die pisbak...

vrijdag 7 maart 2014

Machiavelli in de Polder



"Ik heb zitting in een adviesraad voor de zorgverzekeraars in deze regio en ik kan u verzekeren dat zij graag willen samenwerken met de gemeenten...."

Aan het woord was Piet van der Sluijs, een CU-wethouder uit Ridderkerk maar vanavond ingevlogen als debatleider in een Gouds debat over de decentralisatie van het sociaal domein.

En dit bleek hij de hele avond vol te houden: iedere keer als er vanuit het publiek een prikkelende opmerking werd gemaakt, stopte hij deze af en ging weer over tot zijn orde van de avond: een mat en volstrekt ongeïnspireerd debat tussen Goudse politici. Niets was er te merken over de grote ongerustheid die door Nederlandse gemeenten wordt geuit over het tempo waarin de decentralisaties plaatsvinden en, vooral, de ongehoord grote bezuiniging die hiermee wordt doorgevoerd.

Of het moet Hans van Dijk, woordvoerder op dit thema voor de SP zijn, die op monotone toon enkele statements van een briefje voorlas waarbij hij, heel genant, consequent door iemand van zijn eigen partij vanuit het publiek de mond werd gesnoerd. Deze dame, Hanny van Ede, zocht voortdurend bozig de microfoon en kreeg uiteindelijk zelfs het privilege van een eigen microfoon. Niet dat het haar iets hielp: de voorzitter parkeerde haar scherpe opmerkingen steeds opnieuw op een veilige plek.Op de statements van Hans van Dijk ging niemand in.

De PvdA had haar huidige wethouder met de decentralisaties in haar portefeuille, Marion Suiker, naar voren geschoven. Vlammend betoogde ze dat de PvdA, als het ging om participatie, het goede voorbeeld al had gegeven. De aanbesteding voor de schoonmaak en de catering voor het gloednieuwe "Huis van de Stad" (we hebben immers al een stadhuis, dat staat reeds eeuwen op de Markt in Gouda en alhoewel het deze functie al lang kwijt is, blijven Gouwenaren dat gebouw "het stadhuis" noemen) waren al op de rails gezet, toen de PvdA besloot de procedure te stoppen en de eisen bij te stellen. Hierdoor kon ook de sociale werkplaats, tegenwoordig modern verpakt in prachtig verhullend taalgebruik en met de moderne naam "Promen" meedoen....en weet je wat? Ze hebben de aanbesteding nog gewonnen ook.

Waarop een vertegenwoordiger van FNV bondgenoten het strijdveld betrad en de wethouder voor de voeten gooide dat met het binnenhalen van Promen als nieuwe schoonmaker en cateraar, medewerkers van de andere bedrijven die buiten de boot waren gevallen, nu werkeloos thuis zaten. Participatie betekende in dit geval verdringing.

Het lijkt een patroon te worden: de PvdA die de pas wordt afgesneden door de vakbond, maar goed...

Maar ook dit vond de debatleider allemaal te scherp en deze discussie stierf een voortijdige dood. De wethouder hoefde nauwelijks te reageren, terwijl hier toch een wezenlijk punt werd aangekaart.

De avond kabbelde wat door. Het CDA van Gouda  heeft een hoogleraar in haar geledingen en deze hield het publiek wat beschouwende teksten voor. Heel leerzaam voor een collegezaal maar deze avond vielen zijn woorden rimpelloos terug in de modderige vijver. Het is mij overigens een raadsel waarom het CDA kiest voor een vertegenwoordiger die slechts met heel veel moeite raakvlakken kan benoemen met de vraagstukken rond de decentralisaties. Dit gebrek aan affiniteit maakte een zinvolle inbreng vanuit het CDA onmogelijk.

Op het laatste moment schoof nog een vertegenwoordiger van de Partij voor de Dieren aan. Als ik u nu vertel dat in hun verkiezingsprogramma onder het kopje "zorg" staat opgenomen dat deze partij zich er sterk voor wil maken dat huisdieren gewoon met hun baasjes mee mogen naar het verzorgingshuis....terwijl het echte vraagstuk is dat verzorgingshuizen in de nabije toekomst gaan verdwijnen....nu, dan begrijpt u wel de toegevoegde waarde van deze partij aan het debat.

Tenslotte nog de verschillende lokale partijen. Verrassend genoeg bleek de vertegenwoordiger van Trots Gouda, ik meen Roel Zwiers, het meest concreet in zijn visie: de wijk moest het centrum worden; in iedere wijk een buurtcentrum; professionals moesten vooral hun werk blijven doen en vrijwilligers konden dit nooit overnemen. En ja, de decentralisatie was ook een enorme bezuiniging waar hij zorgen over had. Zo. Punt. Aansluitend verklaarden de overige partijen dat buurtcentra inderdaad voor de wijken een noodzakelijke voorziening waren. Tja.

En de VVD? Die willen liever niets van tevoren vastleggen....het blijft tenslotte maatwerk.

Zucht.


donderdag 27 februari 2014

The glory of the human voice




Met afgrijzen zie ik soms een talentenprogramma voorbijkomen.

Ik begrijp dat er inmiddels vele zijn, maar deze zijn door mij niet uit elkaar te houden. Ze lijken allemaal op elkaar en dat is al tekenend genoeg voor de doelstelling die ze uiteindelijk hebben: mensen die zich onderscheiden vanuit het grauw van de massa in de spotlights krijgen. Geen idee hoe programmamakers die uiteindelijk alleen maar eindeloos nakauwen wat al velen voor en met hen als concept hebben bedacht, dit voor elkaar denken te krijgen.

Uiteindelijk lijken deze shows me slechts één ultieme doelstelling na te streven: de ego's van de mensen die zich jury noemen tot het oneindige oppoetsen. Dat wanstaltige televisiepersoonlijkheden als Gordon hierbij ongelimiteerd hun gang lijken te kunnen gaan, betekent dat niet alleen de ego's worden opgepoetst, maar dat ze ook nog eens een rode loper voor zich krijgen uitgerold waarop ze smakeloos tekeer kunnen gaan. De kijker geniet er blijkbaar van, waarbij de televisiemaker blijk geeft van een grove minachting van "de kijker".

Ik weet niet hoe snel ik de zender moet wegklikken, maar dat valt nog niet mee. Er zijn avonden dat de ene na de andere zender een dergelijke talentenjacht de ether in slingert.

Dan maar weer een avondje lezen.

Hoe heerlijk was dan ook de ontdekking die ik, via een berichtje van een vriend op Facebook deed:

Florence Foster Jenkins.

Een Amerikaanse die leefde aan het begin van de 20e eeuw. De tijd voordat er televisie was. De tijd dat de radio aarzelend zijn intrede in de huizen deed. De tijd dat muziek voor het grote publiek alleen te beluisteren was door een concert bij te wonen of een kroeg in te duiken waar muzikanten speelden en zongen.

Ook in die tijd konden zingende sterren rijzen en enorme successen vieren. Ze konden theaters vullen met soms wel duizenden enthousiaste bezoekers.

Zo iemand was Florence Foster Jenkins.

Aan het einde van haar lange, 32 jarige carriere, liet ze zich overhalen om een concert in Carnegie Hall te geven. Ze was inmiddels 76 jaar. De bijna 3.000 plaatsen van deze wereldberoemde concertzaal waren binnen een week uitverkocht.

Als u haar beluistert, op Youtube zijn nog verschillende opnames van haar te beluisteren, valt u direct een belangrijk detail in haar zangkunst op:

ze kan niet zingen.

Sterker, ik heb nog nooit iemand zo onvoorstelbaar vals en zonder enig gevoel voor maat en ritme de klassieke meesters horen verpesten. Het is afgrijselijk en ze gaat maar door.

Natuurlijk waren er criticasters die het waagden te benoemen dat ze zo vals zong als een kraai. Hierover haalde Florence luchtig haar schouders op: ze hadden er gewoon geen verstand van. Haar concerten waren immers uitverkocht? Het publiek hield toch van haar?

Haar bijnaam?

The glory of the human voice.

Stiekum denk ik te weten waar deze dame had uitgehangen als ze in deze tijd had geleefd:

in de jury van een talentenjacht.

Naast Gordon.

Beiden ervan overtuigd dat ze geweldige zangers zijn...

opname Florence Jenkins

donderdag 20 februari 2014

IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid




Kleding, schoenen, horloges, bril, auto.... ik vertoon op al deze onderdelen al sinds mijn vroege jeugd een ernstige afwijking: het interesseert me geen biet. Mijn kleding heeft geen enkele relatie met heersende modeopvattingen, mijn horloge koop ik eens per jaar voor een habbekrats bij de Hema, mijn bril is een model van 5 jaar terug en zit onder de krassen en mijn auto tenslotte is een ongewassen, 2e hands en inmiddels 7 jaar oude Toyota Prius waarmee ik zo'n 300.000 km heb gereden. Als ik al opval tussen het winkelend publiek, dan is het omdat ik een onmogelijke kleurencombinatie heb aangetrokken: iets waarvoor mijn vrouw me nog wel eens probeert te behoeden, maar waarover ik de gevoeligheid nog steeds niet begrijp.

Ik denk dat ik daarom mag opmerken dat ijdelheid mij vreemd is.

Alhoewel...

Ik hou van luchtjes.

Dan bedoel ik niet kookluchtjes of zeker geen lichaamsluchtjes, maar geurende luchtjes: parfums, eau de toilette, after shave, goede zeep....heerlijk.

Ik heb hierin ook mijn voorkeuren: geen al te zoete luchtjes of van die moderne, ietwat naar zweet ruikende luchtjes. Het mogen wel stevige geuren zijn, maar dat hangt erg van de samenstelling af. Ik ben hier kritisch in. Het liefst echter ruik ik een wat meer subtiele, kruidige geur.

Ik koop ook graag een luchtje voor mezelf. En ik heb er een hekel aan als mijn fles eau de parfum leeg is. Er staan dus vaak verschillende flesjes op onze wastafel.

Vanmorgen constateerde ik dat de bodem van de verschillende flesjes weer in zicht was. Om die reden dus stapte ik op de fiets naar de stad.

Het was rustig in de luchtjeszaak en er kwam dan ook onmiddellijk een verkoopster op me af.

Hier heb ik een hekel aan.

Als ik eenmaal word omringt door talloze flesjes waarin duizelingwekkende hoeveelheden merken en soorten, raak ik steeds opnieuw de draad volledig kwijt. Ik probeerde tevergeefs om de naam van "mijn" geur te herinneren. Ik ben echter slecht in namen en dat geldt ook voor dit domein.

Het meisje, uiterst vriendelijk, deed wat funest voor mij is in een dergelijke situatie: ze begon namen en merken op te noemen.

Ik probeerde wanhopig niet naar haar te luisteren en keek speurend rond en zag na enige tijd een bekende fles....

"Eternity", sprak ik opgelucht. Het meisje pakte een fles met deze naam, maar de vloeistof in de fles was blauw....dat was ik niet gewend. Het meisje maakte me glimlachend duidelijk dat dit een nieuwe geur was van Eternity, maar ze begreep direct dat dit helemaal niet de bedoeling was. Ze pakte een ander exemplaar en deze had een geruststellende gelige vloeistof.

Het inpakken van flesjes in een geurwinkel, is altijd een apart ritueel en ik verzocht het meisje vriendelijk om dit maar over te slaan. Wat mij betreft volstond een plastic tasje.

Bedremmeld voldeed ze aan mijn verzoek. Ze pakte nog een proefflesje met een geur die ik waarschijnlijk nooit zou uitproberen en deed deze ook in mijn tas. Ik bedankte haar vriendelijk.

"Mag ik u parfumeren?"

Toch wat van mijn a propos, keek ik haar ietwat argwanend aan.

"Wat zegt u?"

"Mag ik u parfumeren?"

De zaak was nog steeds leeg. Het meisje keek me afwachtend aan. Ik probeerde me een beeld bij de vraag te vormen, wat mij maar matig lukte.

"Het was al ijdelheid en kwelling des geestes", spookte door mijn hoofd toen ik de winkel verliet.

Ongeparfumeerd, dat dan weer wel.


zaterdag 15 februari 2014

Verkooppraatje....



Ergens vorig jaar woonde ik met mijn vrouw een demonstratie bij van Perzische tapijten in Istanbul. Het was natuurlijk een ordinair verkooppraatje, maar wel één van een indrukwekkend niveau. Het is dat we Hollanders zijn en dat blijkbaar ook uitstralen, zodat wij na afloop niet besprongen werden door één uit de horde verkopers die opeens overal vandaan de ruimte in stroomden, anders had ik nu met mijn stoel op een Perzisch tapijt gestaan.

Het begint met de aanwezigen een gevoel van exclusiviteit te geven.

Die aanwezigen werden in ons geval gevormd door een internationale groep van divers pluimage en leeftijd die vanaf het cruiseschip waarmee we de stad hadden aangedaan, een rondrit door het centrum maakten.

We werden in een enorme winkel, aan de rand van de grote Bazaar in het centrum van de stad, via trappetjes en brede zalen vol met de meest prachtige tapijten, naar een grote, inpandige ruimte gebracht. We konden gaan zitten aan de rand en het licht werd aanvankelijk wat gedimd. We kregen thee en nog een onduidelijk drankje waar overduidelijk alcohol, flink wat alcohol in zat. Daar waren ze niet karig mee, met het bijschenken van dat laatste drankje. En natuurlijk werd ieder gebaar van de medewerkers om ons heen, gecombineerd met een onderdanige buiging en de breedste glimlach.

De gids die ons tot nog toe overal had vergezeld, was nu nergens meer te bekennen. Zij zat vast ergens haar fooi te tellen die haar door de eigenaar van de winkel was toegestopt.

Toen we allemaal te drinken hadden en de groep wat rumoerig werd, ging de deur open en stond daar een indrukwekkende gestalte. Hij bleek de eigenaar van de winkel te zijn. Met een nasale stem begon hij ons te vertellen hoe hij, pakweg, 20 jaar geleden tot de ontdekking kwam dat de kunst van het tapijtweven vrijwel was uitgestorven in zijn land. Hoe hij geschokt ontdekte dat tapijten steeds meer machinaal werden vervaardigd en dat hierbij eeuwenoude technieken in hoog tempo verloren dreigden te gaan.

U voelt het natuurlijk aankomen: hij zorgde ervoor dat dit proces van verval werd gestopt. Hij zorgde ervoor dat de oude technieken die nog bekend waren bij stok- en stokoude vrouwen in bergdorpen, door hen konden worden overgedragen aan een jongere generatie. Hij zorgde er tegelijkertijd voor dat hierdoor jongeren in deze bergstreken weer konden gaan verdienen aan deze opnieuw oplevende tapijtweverijen.

Goedkeurend gemompel door de toehoorders, werd onmiddellijk door hem gestopt. Hij was de bescheidenheid zelve, alhoewel dat niet helemaal oprecht overkwam.

Hij had genoeg gepraat. Hij knipte met zijn vingers en twee medewerkers kwamen met een enorme rol tapijt naar het centrum van de zaal lopen. Ze wachten geduldig totdat hun grote baas hen met een hoofdbeweging toestemming gaf om het tapijt uit te rollen.

Hij was prachtig. Expressieve kleuren en een mooi, tijdloos en abstract patroon.

De man gaf ons geen tijd om lang te genieten. Opnieuw werd een tapijt uitgerold, welke de eerste nog in schoonheid overtrof. En nog één en nog één.

De man toonde ons de verschillende, traditionele weeftechnieken en wees ons op de verschillende kleuren. In niets leken ze op de kleedjes die in Nederland bij de opa's en oma's van mijn generatie op de eettafel lagen.

Opeens pakte de man het laatste tapijt bij één van de hoeken beet en met een fantastisch brede armbeweging, draaide hij het tapijt om zijn as en liet hem weer neerkomen.

Stomverbaasd keken we toe: het tapijt kreeg opeens een geheel andere kleur.

Deze techniek bleek één van de paradepaardjes van de verkoper te zijn: de hierop volgende tapijten bleken steeds opnieuw van kleur te kunnen veranderen door het om zijn as te draaien. Uiteindelijk deed de verkoper niet meer zelf de truc van het draaien en lieten zijn medewerkers in de verschillende hoeken van de zaal het wonder aan de verbaasde toeschouwers zien.

Over prijzen werd natuurlijk niet gesproken.

Wel vertelde de man tussen neus en lippen door dat hij bereid was om over de financiering te praten, de prijs was onderhandelbaar (mits je natuurlijk meerdere tapijten meenam) en over de levering hoefde je je nooit zorgen te maken: hij leverde direct aan huis, over de hele wereld.

Het einde van de show kwam duidelijk dichterbij. Om te voorkomen dat iedereen onmiddellijk weg zou stuiven, kreeg iedereen nog een kopje thee aangeboden (de drank bleef nu in de fles). De verkoper gaf ons nog een vriendelijk knikje en verdween door de deur: op weg naar het volgende zaaltje, wed ik. Door verschillende deuren stroomden nu de assistent verkopers de ruimte binnen.

Wij merkten al snel dat wij geen enkele belangstelling vanuit de verkopers opriepen. Als enigen van de gehele groep, konden we ongestoord naar de deur lopen en de trap naar beneden bereiken. We haalden opgelucht adem en zochten de zon buiten op.

Soms zie ik in Nederland nog zo'n zaak met Perzische tapijten. Vroeger verbaasde ik me erover dat ik nooit, maar dan ook nooit een klant in de winkel zag.

Nu begrijp ik het: als je naar binnen gaat, dan ben je verloren.

maandag 27 januari 2014

Er is één ding wat ik nooit zou willen missen....



Regelmatige lezers weten het zo langzamerhand wel: wij zijn wandelaars.

Al wandelend ontmoet je anderen en dat is soms boeiend. Ook boeiend is de manier waarop je wordt benaderd, dat verschilt nogal per landstreek. Onze ervaring is: des te zuidelijker, des te meer kom je in een gebied van "ons kent ons" en ons kent men dan niet.

Maar daar wilde ik het helemaal niet over hebben.

Vissers.

Dáár wilde ik het over hebben. Dat wil zeggen: een nieuw soort visser zoals we deze de laatste paar jaar steeds meer tegenkomen. Ik kan ze maar het beste omschrijven.

Veelal bevinden ze zich met enkelen ietwat buiten de bebouwde kom. Niet te ver, maar genoeg om de huizen van de stad of het dorp nét niet meer te kunnen zien. De auto, meestal een bestelbusje of een stoere 4 wheel drive (het is tenminste nooit een Toyota Prius), staat in de onmiddellijke omgeving. Bij de waterkant is een klein kampement ingericht: halfopen tentjes in legerkleuren. Hierom heen bevindt zich een keur aan vissersgereedschap: hengels, netten, schepnetten (altijd groot genoeg om minstens reuzevissen van een anderhalve meter uit het water te lepelen), dozen vol met haken, kunstaas, lijnen en bakjes met voer en aas voor de vissen. De mannen zijn, als wij passeren, altijd wat chagrijnig: ik vermoed dat ze de hele nacht in touw zijn geweest en, gelet op de drankflessen die hier en daar liggen, hebben ze de kou verdreven met alcohol. Ze hebben overigens uiterst comfortabel gelegen op stretchbedden en in dikke, luxe slaapzakken. Ook de mannen zijn gekleed in militair groen en grauw gekleurde kleding. Niet gewoon maar kleding, maar specifiek voor het vissen ontworpen kleding: overal zakjes en haakjes. En ja, ze dragen een petje: natuurlijk, dat hoort erbij. Het mooiste is natuurlijk als ik ook nog ergens een antenne ontwaar alwaar een krakend soort radio met enige regelmaat politieberichten uitbraakt.

Nu ben ik geen visser. Een doodenkele keer ga ik met een werphengeltje de polder in en probeer een snoek te verleiden en ooit ging ik met mijn broer, onze vader en mijn zoon, dochter en neefjes, een dagje vissen op de waddenzee. Eén van de neefjes ving de ene platvis na de ander en verder ving niemand wat. Ik ben dus geen fanatiek visser en de kans is uitermate gering dat dit vuur ooit nog in mij gaat branden.

Ik moet dus voorzichtig zijn in mijn oordeel.

Toch heb ik de indruk dat de mannen die ik zo tegenkom, in een verkeerde film acteren. Of de film is wel correct maar het castingsbureau heeft zijn werk slecht gedaan... de mannen zijn gekleed en uitgerust alsof ze dagenlang in een woeste wildernis moeten overleven. De werkelijkheid is dat ze veelal 's ochtends na 10 minuten lopen wel een tankstation kunnen vinden waar ze een kop koffie kunnen krijgen. En ik weet zeker dat al die mannen, altijd mannen, na een nachtje drinken, lullen en ook wat vissen, de volgende ochtend binnen een half uur bij moeder de vrouw weer onder een hete douche staan.

Van mij mogen ze. Natuurlijk.

Het raadsel is voor mij alleen al dat geld, het loopt gemakkelijk in de duizenden euro's, die zijn uitgegeven aan al die volstrekt onzinnige attributen. Als je een nacht wil zuipen met je vrienden, dan kun je toch gewoon naar de kroeg? Als je wil vissen, dan kun je toch gewoon een hengeltje uitgooien, desnoods in de vroege ochtend? Wat is het toch dat ook een dergelijk simpel vermaak opgesmukt moet worden met zoveel luxe en overbodigheden? En bovendien, als de attributen zo geavanceerd zijn dat vissen nauwelijks nog een kans om te ontsnappen hebben, waar blijft dan de sport?

Mijn opa trok er graag op uit met een hengeltje. Bamboe. Hij gooide het haakje en de dobber in het water en ging languit liggen in het gras, in de zon. Op een dag kwam er een jongen voorbij fietsen en die stapte af om te kijken naar de prestaties van mijn opa. Na enige tijd zocht de knul wat beschroomd contact en wees naar de dobber:

"Mijnheer, dat werkt toch niet? Dat is geen dobber, maar een drijver om je lijn boven water te houden...zo ziet u echt niet of er een vis aan het aas knabbelt."

Mijn opa haalde zijn schouders op:

"Je zal wel gelijk hebben. Maar kijk eens om je heen: het is hier prachtig, de zon schijnt en ik geniet...ik vind het best zo..."

En hij ging weer liggen in het gras.

Kijk, die snap ik.

zaterdag 18 januari 2014

Het natuurlijk gezag




Hoog rees zijn gestalte op, boven aan de trap, op de tweede verdieping. Hij stond daar dagelijks met zijn handen op zijn rug en keek strak omlaag. Hij wipte voortdurend, in een vaste cadans, even omhoog door zijn hielen van de vloer te laten komen en weer te laten zakken. Het gegil op de trap naar de eerste verdieping verstomde onmiddellijk zodra de leerling hem in het oog kreeg.

Vons. De conrector van het atheneum.

En met zo'n naam in de jaren zeventig van de vorige eeuw, dat werd al snel "the Fonz". Maar geloof maar niet dat ook maar één leerling het ooit gewaagd heeft om dit in zijn gezicht te zeggen.

Ik was zelf een leerling van de HAVO. Onze conrector zag je vrijwel nooit, maar zijn gezag was niet minder absoluut. Hij zat in zijn kamer, die direct aan de centrale hal grensde. Als je daar moest zijn, was het per definitie mis en kon je alleen maar hopen dat het mee zou vallen.... Schifflers. En ja, inderdaad, natuurlijk, leraar Duits en het robuuste uiterlijk van een sergeant uit het leger. Hij had wel een merkwaardig zachte stem.

Dan was er nog de rector. Een kleine man met een baardje. Den Hertogh, zo heette hij. Ook zo'n man die je totaal niet kende, ook al liep je zes jaar in hetzelfde gebouw rond. Hij liep soms door de gang met een verwarde blik alsof hij niet precies wist waarnaar hij op weg was. Ook wij hadden geen idee waar hij de hele dag mee bezig was, maar voor ons was het feit dat hij de rector was, voldoende om zijn blikken te ontwijken.

Merkwaardige jaren, die middelbare school. Het was maar een enkele leraar die het aandurfde om een wat meer persoonlijk contact met de leerlingen aan te gaan: Smeele, de Klerk, Broere en Ooms. Al de anderen hielden de afstand zorgvuldig in stand. Ieder op zijn eigen manier.

Van Hofweegen stak tijdens het lesgeven in wiskunde een sigaret op, ging in de vensterbank zitten en begon intimiderend met zijn voet tegen de verwarming te schoppen. Een ieder die hier, op welke wijze dan ook op reageerde, kon verzekerd zijn van een hatelijke opmerking die je nog lang voelde. Daar was hij een meester in: kwetsen.

Van Eiken negeerde ieder signaal vanuit de klas: vragen, geklier, lachen, een opmerking. Volstrekt stoïcijns ging hij door met zijn Franse les. Tot het hem teveel werd, dan ontplofte hij, stuurde minstens de helft van de leerlingen naar de conrector en liet de rest, bij voorkeur, op vrijdagmiddag nablijven. Dan ging de deur van het klaslokaal op slot en kwam hij na een uur of zo weer terug.

Nauta, Nederlands, kon langdurig, pijnlijke stiltes laten vallen. Zijn borende blik was voldoende om de orde te doen terugkeren.

Van Zanten begon het jaar door iedere, zelfs de meest minimale verstoring van de natuurkundeles, zo hard mogelijk te straffen. Wanneer, rond de herfstvakantie, zijn gezag onaantastbaar was, liet hij de touwen steeds meer vieren. Het was bij hem zelfs mogelijk dat aan het eind van het jaar in zijn les ... gelachen werd.

En dan waren er natuurlijk nog de leraren en leraressen die het probeerden met een preek. Een beroep op je gezonde verstand. Roosendaal, de gymleraar, was er zo één. In je gymkleren in een te koude gymzaal, zittend op de grond, luisterend naar het eindeloze verhaal van deze gefrustreerde leraar. Niet dat hij en de andere prekers veel gezag opbouwden, maar je haalde het niet in je hoofd te veel rottigheid uit te halen, want die preken vond je vreselijk.

Het waren de jaren dat gezag hoorde bij een functie en gehoorzaamheid bij een kind. Als vanzelfsprekend.

Het waren merkwaardige jaren.

Het waren beknellende jaren.