woensdag 22 juli 2015

S-M-A-R-T




Ooit was er op de afdeling waar ik als verpleegkundige werkte, een patiënt opgenomen die nogal wat vage klachten had. Omdat het een psychiatrische afdeling in een algemeen ziekenhuis was, liepen de internist en neuroloog niet direct de deur plat, maar op vrijdagmiddag waren ze er: dan werd er een borrel geschonken.

Voor de zekerheid: het is allemaal al vele jaren geleden…

De internist had voor de patiënt met vage klachten onder andere gevraagd om urineonderzoek. Het potje met urine stond klaar om naar het lab te worden gebracht. De dokter zag het potje, draaide de deksel ervan af en hing zijn neus boven de scherp geurende vloeistof. Hij keek bedachtzaam naar het plafond; snoof een paar keer diep en stak vervolgens nog een keer zijn neus in het potje.

“Trichomoniasis.”

Op onze bevreemde blikken vervolgde hij:

“Een SOA…niet perse door onbeschermde sex, maar gezien zijn andere klachten, zou het me niet verbazen als onze vriend iets te uitbundig zijn hormonen achterna is gelopen en nu vooral zielig wil zijn want, tja…”

Wij bleven hem aanstaren.

“O, dat ruiken…dat zien jullie natuurlijk nooit meer. Al die jonge dokters vragen allerlei lab-onderzoeken aan en durven pas een diagnose te stellen als het bloed, de urine, het speeksel door allerlei machines is gehaald en de bestanddelen in partjes zijn ontleed…Ik gebruik mijn eigen zintuigen nog: voelen, ruiken, kijken, luisteren…dat is het handwerk dat ik heb geleerd, maar die kunst zijn we kwijt aan het raken. We hebben pas zekerheid als er een formulier voor onze neus ligt…”

Hij had een punt.

Als ik tegenwoordig naar de garage ga, wordt er ergens op mijn dashboard een computer op de auto aangesloten, die de monteur precies vertelt waar het eventuele probleem zit. Heb ik een klacht die niet op het schermpje zichtbaar wordt, dan zit de monteur met zijn handen in zijn haar. De motorkap wordt voor de diagnose niet meer geopend. De motor wordt niet meer gestart om te luisteren, er wordt niet meer ergens een vettig stripje tevoorschijn getrokken om de vloeistofspiegel van het één of ander te controleren: dat kost allemaal veel teveel tijd.

Nog zo één.

In mijn huidige werk, ook weer in de psychiatrische hulpverlening, hebben zorgverzekeraars, in het kader van de transparantie, bedacht dat het effect van de behandelmethoden meetbaar moet zijn.

SMART.

Specifiek. Meetbaar. Acceptabel. Realistisch. Tijdgebonden.

Dus dat betekent een meting aan het begin van een behandeling. Ergens halverwege en ook nog aan het einde. Een vragenlijst, door de cliënt ingevuld. En dan maar hopen dat het resultaat aangeeft dat er een verbetering van de klachten is ontstaan.

Want we leven in een maakbare samenleving. Ook als het gaat om zielepijn.

En het mag geen cent teveel kosten.

Hierover is nog veel te zeggen, maar daar gaat het mij nu niet om.

Een behandelaar moet dit invullen bewaken. Om hen te faciliteren, zijn er verschillende methoden ontwikkeld voor de behandelaar om te controleren of de cliënt inderdaad een vragenlijst heeft ingevuld.

Dat betekent: computer opstarten; inloggen in het systeem; electronisch dossier van deze cliënt openen en opzoeken of de vragenlijst is ingevuld.

Dat kost tijd.

Die hebben veel behandelaren niet, want tijd is geld: ze moeten vooral produktief zijn.

Vinden wij met ons allen en daardoor de zorgverzekeraars.

Eén van hen belde mij op om zich hierover te beklagen: het kost allemaal veel te veel tijd.

Waarop ik suggereerde:

“Maar je kan het toch ook gewoon aan je cliënt vragen?”

Toen viel er een diepe stilte…

zaterdag 11 juli 2015

Adempauze




Afgelopen week mocht ik mij bij de longarts melden. Een periode van onderzoek was hieraan vooraf gegaan. Het oordeel was al uitgesproken en deze keer zou mij de oplossing voor mijn kwaal worden aangereikt.

Ik wist dat ik geen naalden meer in mijn lijf hoefde te verwachten, of een slang die door mijn neus mijn lijf werd ingeduwd of meer van dit soort ongenoegens, dus ik zat ontspannen mijn beurt af te wachten.

Bij de balie meldde zich een ouder echtpaar. Direct was duidelijk wie de longpatient was: de man liep langzaam en met hoog opgetrokken schouders. Hij concentreerde zich op zijn beweging richting de stoeltjes van de wachtkamer. Zijn vrouw riep al van verre naar een andere wachtende dat het weer zover was. De ander, een man op een leenrolstoel van het ziekenhuis, slangetje door zijn neus en zuurstoftankje naast hem, zwaaide en keek vervolgens naar buiten.

De man plofte naast mij neer. Ik keek nog even in zijn richting, maar een begroeting zat er niet in. De man bleef hoorbaar ademend voor zich uit kijken. Zijn vrouw ging naast hem zitten en mopperde dat het zo druk in de wachtkamer was.

"Het zal wel weer uitlopen..."

Dat vond ik geen prettige boodschap.

Toen kwam Ruud binnen.

"Ha Ruud!", schreeuwde de vrouw tenminste. Ruud ging met een brede grijns naast haar zitten.

"Je moet je nog melden, Ruud"

Maar dat hoefde niet, Ruud was al even bezig in de ziekenhuismolen.

Ruud en het echtpaar bleken elkaar goed te kennen. De man bemoeide zich niet met het gesprek tussen Ruud en zijn vrouw, maar soms lachte hij mee om een grapje van Ruud.

Ruud was een grappenmaker.

En longpatient.

Geleidelijk aan werd mij duidelijk dat ik in een dorp terecht was gekomen: het dorp van de longpatiënten. Ze kenden elkaar allemaal.

Dat wil zeggen: Ruud kende ze allemaal en dat gold ook voor de dame van het echtpaar.

En ze vonden iets van alle longpatiënten.

Joke bijvoorbeeld, die had afgelopen week zo'n electrische rolstoel gekregen.

Dat was schandalig.

Vond Ruud.

Hij had zelf nog gezien hoe ze een week eerder op haar fiets door de stad toerde.

Op de fiets!

De vrouw schudde verontwaardigd haar hoofd. Wat een oplichterij.

Maar ja, Joke.

Dan weet je het toch wel?

Tja.

Peinzend keken ze even voor zich uit.

"Je ziet er overigens goed uit, Ruud. Ben je aan het sporten?"

Dat was Ruud. Drie keer per week.

De vrouw keek misprijzend. Haar man had ook het advies gekregen om zich te melden op een sportschool voor ouderen. Dat was goed voor zijn conditie, zijn longen.

De man keek naar Ruud en wees op zijn borst.

"Gaat niet lekker, hoor....zeker met die warmte"

Nou, daar wist Ruud alles van.

Hoe dan ook, het advies van de longarts was in onvruchtbare bodem gevallen: "Weet je hoeveel dat kost? Dat ga ik echt niet betalen!"

Ruud lachte samenzweerderig. Dat had hij nou precies hetzelfde gedacht toen de longarts hem dat advies gaf.

"Ik heb gewoon gezegd dat ik het geld niet heb....en weet je wat? De dokter schreef een verwijzing en nu sport ik drie keer per week hier in het ziekenhuis bij de fysiotherapie...."

Gratis!

Dat vond de vrouw een goed advies. Haar man keek alweer puffend voor zich uit. Hij zag zich nog niet zo sporten, geloof ik.

Vervolgens kwam de crisis in Griekenland aan bod. Helaas, voordat ze de ultieme oplossing met elkaar hadden gedeeld, werd ik naar binnen geroepen.

dinsdag 26 mei 2015

Ik ben de leugen....







Gister bekeek ik een bijzonder interessante documentaire.


Het betrof een moordzaak waarbij de man die langdurig voor de moord is veroordeeld, mogelijk de moordenaar helemaal niet is geweest.

Er pleitte veel tegen hem:
1) er was een DNA-spoor in zijn auto aangetroffen van het slachtoffer,
2) in zijn auto lag zand dat precies het zand bleek waarin het slachtoffer was begraven,
3) in zijn tuin, thuis, trof men een schep waarop ook weer dit type zand (en wat sterk afweek van het zand dat in zijn tuin werd gevonden).

Op basis van bovenstaande én het gegeven dat het slachtoffer zijn toenmalige vriendin (vaag) kende, was voor de rechter genoeg om de man langdurig het gevang in te sturen.

Er begonnen echter steeds meer feiten naar boven te komen, die de veroordeling twijfelachtig maken. Belangrijkste was wel dat, toen de hele zaak nog eens in een reconstructie werd nagespeeld, het echt onmogelijk leek dat deze verdachte, een tengere man van achter in de vijftig, in zijn eentje het slachtoffer uit zijn auto had getild, door een bos getild (er waren in het hele bos geen sporen te vinden van een sleeppartij) en in dit bos zou hebben begraven. Het slachtoffer was groter en zwaarder dan de beoogde dader. Bovendien begonnen er allerlei twijfels over de doodsoorzaak te ontstaan: de man zou zijn gewurgd. Ook dit leek een onmogelijke opgave voor degene die de moord zou hebben gepleegd. Er was ook geen enkel direct fysiek bewijs dat de man zou zijn gewurgd. Eigenlijk wist men niet zo goed hoe de man was overleden...

Er was in dit hele gebeuren echter één groot probleem.

De beoogde moordenaar bleek een pathologische leugenaar. Hij ontkende in ieder geval de moord, maar hoe het verhaal dan in elkaar zou steken, hierover verzon hij het ene na het andere verhaal. En de verhalen werden steeds grotesker.

Op de één of andere manier moet hij iets te maken hebben gehad met de dode man in het bos, getuige het DNA en de zandkorrels. Dat ontkende hij ook helemaal niet hij gaf de ene na de andere verklaring, die echter steeds opnieuw niet steekhoudend bleek.

Zelfs onderzoekers die, na jaren, twijfels over de veroordeling begonnen te krijgen op basis van bijvoorbeeld de reconstructie, haakten na enige tijd af: de man bleef zijn verhaal maar bijstellen en herformuleren. Het duizelde hen en ze kwamen er niet uit.

Ik ben de leugenaar, sprak de leugenaar en begon hard te lachen...

Zelfs als deze man ooit een keer de waarheid vertelt, zal hij niet meer worden geloofd.

Ondertussen blijft de familie van het slachtoffer met een groeiend vraagteken achter.....dat moeten we ons ook realiseren....

vrijdag 8 mei 2015

"Ten voordele van de armen van Gouda"



Ik ben in het bezit van een curieus boekwerkje.

"Mijn herrinneringen van Gouda."

Nee, ik heb herrinneringen precies zo geschreven als dat het in het titelblad staat. Het is een boekwerkje uit 1821.

De schrijver is onbekend. Op het titelblad vermeldt hij wel: "ten voordeele der Armen van Gouda."

Het boekwerkje blijkt feitelijk een lang commentaar op de waarnemingen van graaf Gijsbert Karel van Hoogendorp, een conservatief politicus en telg uit een oud, Rotterdams regentengeslacht. In het vierde deel van zijn "Bijdraagen tot de Huishoukunde van Staat", wijdt hij een gedeelte aan Gouda.

1821. Nederland is sinds kort een monarchie: in 1815 wordt Willem Frederik van Oranje gekroond tot soeverein vorst der verenigde Nederlanden (België maakte toen nog deel uit van ons wereldrijk) en hertog van Luxemburg. Napoleon en de Franse machthebbers hebben nog maar 8 jaar eerder het land verlaten. Alhoewel halverwege de 18e eeuw in Engeland de industriële revolutie al begonnen is, is Nederland nog steeds een agrarisch land. Van Industrieën was maar zeer mondjesmaat sprake en het vervoer ging vooral lopend, als je mazzel had, per paard, maar nog het meeste per trekschuit. Het tempo lag laag, de steden verarmden en ook op het platteland was schraalhans keukenmeester.

Gouda, ooit, in een ver en roemruchtig verleden, 6e stad van het land. In belang en grootte ging het Rotterdam voor. Datzelfde Gouda was nu, we schrijven weer 1821, verarmd. De typisch Goudse produkten, pijpen, bier en plateelwerk, hebben op de markt nauwelijks nog betekenis. De rivieren die voor de stad de belangrijkste slagaders in haar economie zijn, de Gouwe en de IJssel, dreigen steeds verder dicht te slibben.

Van Hoogendorp suggereert blijkbaar dat de pijpmakers maar een ander vak moeten leren: steenbakker. Dat vindt onze anonieme schrijver, in het wat slijmerige taalgebruik van die tijd, een waardeloos idee: de pijpmakers zijn gewend om thuis te werken en bovendien de pijp vereist een "zachte behandeling", heel anders dan het ruwe steen. Bovendien, dan zouden er nieuwe steenfabrieken moeten komen en die heeft ons land helemaal niet nodig. Immers: "het bestraten der wegen  zal ten einde lopen en het zetten van nieuwe gebouwen is nog niet zo druk aan de gang."

Blijkbaar werd de welvaart van een stad in die tijd afgeleid van het aantal buitenplaatsen dat de regenten van een stad door het hele land bezaten. Er volgt een indrukwekkende opsomming van landgoederen en buitenplaatsen die ooit Gouds bezit waren.

Tenminste, in bezit van Goudse notabelen: o.a. Raadwijk onder Zwammerdam; Knodsenburg onder Bodegraven; Zeelust bij de Goudse Sluis; Rhijnstroom, Postrust, Raadwijk onder Alphen a/d Rijn; maar ook Limmen, Camerijk en Nuland behoorde als heerlijkheid tot het eigendom van belangrijke gouwenaren. Hier was in 1821 feitelijk niets meer van over ("Droevige waarheid!"). De huizen stonden leeg, waren gesloopt of verkocht.

Onze onzichtbare schrijver gaat ook nog in op een noviteit van zijn tijd: de Maatschappij van Weldadigheid. Juist in die periode was men begonnen om de allerarmsten en kanslozen over te brengen naar grootschalige projecten in Drenthe, alwaar deze paupers, onder streng toezicht, een nieuw leven als boer mochten opbouwen.

Ook hier heeft de schrijver weinig fiducie in. Immers: als een schip in nood tijdens een storm een deel van de lading overboord gooit, dan zal dit deel substantieel moeten zijn, anders heeft het geen zin....Gouda kende zo enorm veel verpauperde gezinnen in die tijd, dat het afvoeren van enkelen naar Drenthe, slechts een druppel op de gloeiende plaat zou zijn. Het afvoeren van een veel groter deel, zou weer onbetaalbaar voor de Goudse gemeentekas zijn.

Eigenlijk ziet de schrijver maar één echte oplossing voor de Goudse problemen: de rivieren moesten worden uitgebaggerd en er moesten eindelijk jaagpaden worden aangelegd, zodat de scheepvaart weer op gang kon komen. Als de scheepvaart weer op gang kwam, zou de motor van de economie weer gaan draaien. Als die motor weer op gang was.....

En het gouvernement zou in Gouda een eigen rechtbank moeten onderbrengen.

Maar het allerbelangrijkste is toch wel "de weldadige begunstiging van zijne Majesteit, onze beminde en geëerbiedigde Koning"....


zaterdag 2 mei 2015

Vrijheid



Nu overal wordt geschreven en gesproken over vrijheid, gaan mijn gedachten automatisch terug naar mevrouw Oliekan.

U kent haar niet.

Daar ga ik verandering in brengen.

Ik ken mevrouw Oliekan vanuit één van mijn eerste baantjes als verpleegkundige in een psychiatrisch ziekenhuis. Daar ontmoette ik mevrouw Oliekan. Een vriendelijke, wat teruggetrokken dame van ergens achter in de vijftig.

We hebben het over zo'n dertig jaar geleden.

Mw. Oliekan was een schippersvrouw. Dat wil zeggen, haar man voer met een binnenvaartschip over de Nederlandse wateren en zij was het grootste deel van het jaar opgenomen in de kliniek. Toch werd ze door iedereen een schippersvrouw genoemd.

Mevrouw Oliekan hoorde stemmen. Beter gezegd: ze hoorde één stem en wel die van dokter Bal. Dokter Bal was een psychiater die in dit ziekenhuis werkte. De stem van dokter Bal vertelde haar de hele dag door wat ze wel of niet moest doen. En als ze iets deed of dacht, dan gaf dokter Bal daar commentaar op. Meestal was dat vriendelijk, maar hij kon ook erg bozig en lelijk tegen haar doen en dan was mevrouw Oliekan helemaal van slag. Ze at dus pas als dokter Bal haar zei dat ze kon gaan eten. Ze ging pas naar de w.c. als hij haar toestemming gaf. Of ze ging opeens drie keer in tien minuten naar de w.c. omdat dokter Bal zichzelf blijkbaar een geintje had beloofd.

Mevrouw Oliekan accepteerde het allemaal als volstrekt gebruikelijk. Zonder mopperen voldeed ze nauwgezet aan de opdrachten van dokter Bal. Ze moest alleen erg huilen als hij haar uitschold omdat ze iets niet precies deed zoals hij dat wenste. Gelukkig gebeurde dat maar zelden.

Natuurlijk, de stem van mevrouw Oliekan was een stem die zij op één of andere manier "bedacht". Maar daar hoefde je bij haar niet mee aan te komen: natuurlijk was dit de stem van dokter Bal.

En als dokter Bal nu eens op de afdeling kwam en voor haar stond?

Verbazingwekkend genoeg gebeurde er dan helemaal niets bijzonders. Ze groette hem vriendelijk en luisterde naar de stem in haar hoofd. Daar stond dokter Bal letterlijk buiten.

Het was heel goed mogelijk om de stem door medicatie tot zwijgen te brengen. Dat was dan ook wel eens geprobeerd.

Het effect was dat mevrouw Oliekan haar bed niet meer uitkwam. Ze werd angstig, paniekerig zelfs, omdat niemand haar nog vertelde hoe ze de dag door moest komen. De structuur verdween en dat werkte verlammend op mevrouw Oliekan. Met grote, angstige ogen lag ze diep onder de dekens, wachtend op de stem van dokter Bal...

Tja.

Wat is vrijheid...

vrijdag 1 mei 2015

Sukkel.



Als er een groep is die ontdekt hoe het is om alleen te staan, dan zijn het wel mensen met schulden.

"Geld is het laatste taboe", meldde één van de stamgasten in de meest bekeken kroeg van Nederland, Jort Kelder in DWDD. Zoals wel vaker met kroegwijsheden, ze zijn waar. We worden de hele dag geconfronteerd met mensen die geslaagd zijn. En bovendien: dat hebben ze ook erg aan zichzelf te danken: hard werken, veel leren, veel wilskracht. Kortom, je bent een sukkel als het allemaal anders loopt.

Schulden heb je dan ook aan jezelf te danken. Het is zo simpel: je kan niet meer uitgeven dan je binnen krijgt. Als je die ijzeren wet eenmaal begrijpt en een kind kan dit begrijpen, dan is er geen enkele reden om schulden op te lopen.

Zestig procent (60%) van de Nederlanders woont in een huis waarvoor ze een hypotheek hebben afgesloten. Slechts acht procent (8 %) woont in een huis dat volledig eigendom is van de bewoner...

Met andere woorden: ruim 10 miljoen (10.000.000) Nederlanders heeft de ijzeren wet niet begrepen.

Ik ben één van hen.

Nu nog op een kwaad ogenblik je baan verliezen en dan gaat het hard...

Dan ontdek je een paar dingen.

Zoals dat wij een overheid hebben die verdomd goed voor zichzelf zorgt. En dat doen ze snoeihard: boetes, belastingachterstanden, voor je het weet staat de gerechtsdeurwaarder voor de deur. Door ons onvolprezen, volstrekt ondoorzichtige systeem van toeslagen die via de belasting kunnen worden aangevraagd, maar net zo makkelijk weer worden teruggevorderd, zijn al velen onder ons in die spiraal omlaag gezogen toen de dominosteentjes eenmaal begonnen te vallen: inkomen kwijt, oplopende hypotheekschuld, betalingsachterstand bij de belastingen en/of studieschuld, terugvorderingen over eerdere jaren van de zorg- of huurtoeslag.....

Zie daarin nog maar eens overeind te blijven.

En in je omgeving keren steeds meer mensen zich van je af: wie wil nu bevriend zijn met een sukkel. Geleidelijk aan kom je alleen te staan.

Soms een klein lichtpuntje.

Zoals een jongeman mij vandaag vertelde, toen hij zijn verhaal over zijn schulden deed:

Een monteur kwam bij hem thuis om het gas af te sluiten. Toen hij hiermee klaar was, meldde hij dat hij ook opdracht had gekregen de electra af te sluiten.

Dat was een flinke tegenvaller: het was winter en zonder electra geen warmte, eten, en ga zo maar door.

De monteur zag het beteuterde gezicht en zei zachtjes:

"Ik mag het electra niet afsluiten als je me nu sommeert om je huis te verlaten...."

Waarop mijn cliënt de monteur vroeg om zijn huis te verlaten.

Waarop de monteur het huis verliet....

Als de wereld koud is, zijn dit de momenten om je aan te warmen.

zaterdag 25 april 2015

Lucretia






Vandaag waren Anita en ik dan eindelijk op de tentoonstelling "Rembrandt Laat". Omringd door Amerikanen, Duitsers, Fransen, Chinezen, Noren, Engelsen, Vlamingen, Columbianen, dwaalden we door de verschillende zalen. Van over de hele wereld waren de kostbare doeken en tekeningen naar Nederland gehaald.

Zover zijn we dus al: musea van over de hele wereld hebben hun meest kostbare doeken uitgeleend voor deze tentoonstelling.

Wow.

We beginnen elkaar te vertrouwen.

Maar goed.

Het was overdonderend. Zo mooi. Het meesterschap van deze man uit Leiden.

De staalmeesters. Een groep heren in vergadering. Ze worden duidelijk gestoord in hun concentratie. Priemend boren de ogen in de richting van degene die het waagt om hen te storen.....dat ben jij....Ze kijken jou aan...

Een oude man in een leunstoel. Genadeloos zijn de tekenen van ouderdom weergegeven: wratten, vlekken op de huid, diepe rimpels en een wat afwezige blik.

Maar het meest trof mij Lucretia...

Een Romeinse schone die wordt verkracht door een prins (in de tijd dat Rome nog een koninkrijk was). Ze kan deze vernedering niet verwerken en pleegt uiteindelijk zelfmoord met een mes.

Wij zien haar op het moment dat ze nog geen besluit genomen heeft. Ze is vol twijfels: enerzijds de boosheid over die vernederende verkrachting, anderzijds de gehechtheid aan het leven. Ze is niet benaderbaar voor de toeschouwer: ze kijkt nadrukkelijk van je weg.

Het is haar worsteling....

En wij kunnen alleen maar toekijken....

Dat ultieme moment, waarin je er volkomen alleen voor staat, gevangen in de wegkijkende blik.