dinsdag 26 mei 2015
Ik ben de leugen....
Gister bekeek ik een bijzonder interessante documentaire.
Het betrof een moordzaak waarbij de man die langdurig voor de moord is veroordeeld, mogelijk de moordenaar helemaal niet is geweest.
Er pleitte veel tegen hem:
1) er was een DNA-spoor in zijn auto aangetroffen van het slachtoffer,
2) in zijn auto lag zand dat precies het zand bleek waarin het slachtoffer was begraven,
3) in zijn tuin, thuis, trof men een schep waarop ook weer dit type zand (en wat sterk afweek van het zand dat in zijn tuin werd gevonden).
Op basis van bovenstaande én het gegeven dat het slachtoffer zijn toenmalige vriendin (vaag) kende, was voor de rechter genoeg om de man langdurig het gevang in te sturen.
Er begonnen echter steeds meer feiten naar boven te komen, die de veroordeling twijfelachtig maken. Belangrijkste was wel dat, toen de hele zaak nog eens in een reconstructie werd nagespeeld, het echt onmogelijk leek dat deze verdachte, een tengere man van achter in de vijftig, in zijn eentje het slachtoffer uit zijn auto had getild, door een bos getild (er waren in het hele bos geen sporen te vinden van een sleeppartij) en in dit bos zou hebben begraven. Het slachtoffer was groter en zwaarder dan de beoogde dader. Bovendien begonnen er allerlei twijfels over de doodsoorzaak te ontstaan: de man zou zijn gewurgd. Ook dit leek een onmogelijke opgave voor degene die de moord zou hebben gepleegd. Er was ook geen enkel direct fysiek bewijs dat de man zou zijn gewurgd. Eigenlijk wist men niet zo goed hoe de man was overleden...
Er was in dit hele gebeuren echter één groot probleem.
De beoogde moordenaar bleek een pathologische leugenaar. Hij ontkende in ieder geval de moord, maar hoe het verhaal dan in elkaar zou steken, hierover verzon hij het ene na het andere verhaal. En de verhalen werden steeds grotesker.
Op de één of andere manier moet hij iets te maken hebben gehad met de dode man in het bos, getuige het DNA en de zandkorrels. Dat ontkende hij ook helemaal niet hij gaf de ene na de andere verklaring, die echter steeds opnieuw niet steekhoudend bleek.
Zelfs onderzoekers die, na jaren, twijfels over de veroordeling begonnen te krijgen op basis van bijvoorbeeld de reconstructie, haakten na enige tijd af: de man bleef zijn verhaal maar bijstellen en herformuleren. Het duizelde hen en ze kwamen er niet uit.
Ik ben de leugenaar, sprak de leugenaar en begon hard te lachen...
Zelfs als deze man ooit een keer de waarheid vertelt, zal hij niet meer worden geloofd.
Ondertussen blijft de familie van het slachtoffer met een groeiend vraagteken achter.....dat moeten we ons ook realiseren....
vrijdag 8 mei 2015
"Ten voordele van de armen van Gouda"
Ik ben in het bezit van een curieus boekwerkje.
"Mijn herrinneringen van Gouda."
Nee, ik heb herrinneringen precies zo geschreven als dat het in het titelblad staat. Het is een boekwerkje uit 1821.
De schrijver is onbekend. Op het titelblad vermeldt hij wel: "ten voordeele der Armen van Gouda."
Het boekwerkje blijkt feitelijk een lang commentaar op de waarnemingen van graaf Gijsbert Karel van Hoogendorp, een conservatief politicus en telg uit een oud, Rotterdams regentengeslacht. In het vierde deel van zijn "Bijdraagen tot de Huishoukunde van Staat", wijdt hij een gedeelte aan Gouda.
1821. Nederland is sinds kort een monarchie: in 1815 wordt Willem Frederik van Oranje gekroond tot soeverein vorst der verenigde Nederlanden (België maakte toen nog deel uit van ons wereldrijk) en hertog van Luxemburg. Napoleon en de Franse machthebbers hebben nog maar 8 jaar eerder het land verlaten. Alhoewel halverwege de 18e eeuw in Engeland de industriële revolutie al begonnen is, is Nederland nog steeds een agrarisch land. Van Industrieën was maar zeer mondjesmaat sprake en het vervoer ging vooral lopend, als je mazzel had, per paard, maar nog het meeste per trekschuit. Het tempo lag laag, de steden verarmden en ook op het platteland was schraalhans keukenmeester.
Gouda, ooit, in een ver en roemruchtig verleden, 6e stad van het land. In belang en grootte ging het Rotterdam voor. Datzelfde Gouda was nu, we schrijven weer 1821, verarmd. De typisch Goudse produkten, pijpen, bier en plateelwerk, hebben op de markt nauwelijks nog betekenis. De rivieren die voor de stad de belangrijkste slagaders in haar economie zijn, de Gouwe en de IJssel, dreigen steeds verder dicht te slibben.
Van Hoogendorp suggereert blijkbaar dat de pijpmakers maar een ander vak moeten leren: steenbakker. Dat vindt onze anonieme schrijver, in het wat slijmerige taalgebruik van die tijd, een waardeloos idee: de pijpmakers zijn gewend om thuis te werken en bovendien de pijp vereist een "zachte behandeling", heel anders dan het ruwe steen. Bovendien, dan zouden er nieuwe steenfabrieken moeten komen en die heeft ons land helemaal niet nodig. Immers: "het bestraten der wegen zal ten einde lopen en het zetten van nieuwe gebouwen is nog niet zo druk aan de gang."
Blijkbaar werd de welvaart van een stad in die tijd afgeleid van het aantal buitenplaatsen dat de regenten van een stad door het hele land bezaten. Er volgt een indrukwekkende opsomming van landgoederen en buitenplaatsen die ooit Gouds bezit waren.
Tenminste, in bezit van Goudse notabelen: o.a. Raadwijk onder Zwammerdam; Knodsenburg onder Bodegraven; Zeelust bij de Goudse Sluis; Rhijnstroom, Postrust, Raadwijk onder Alphen a/d Rijn; maar ook Limmen, Camerijk en Nuland behoorde als heerlijkheid tot het eigendom van belangrijke gouwenaren. Hier was in 1821 feitelijk niets meer van over ("Droevige waarheid!"). De huizen stonden leeg, waren gesloopt of verkocht.
Onze onzichtbare schrijver gaat ook nog in op een noviteit van zijn tijd: de Maatschappij van Weldadigheid. Juist in die periode was men begonnen om de allerarmsten en kanslozen over te brengen naar grootschalige projecten in Drenthe, alwaar deze paupers, onder streng toezicht, een nieuw leven als boer mochten opbouwen.
Ook hier heeft de schrijver weinig fiducie in. Immers: als een schip in nood tijdens een storm een deel van de lading overboord gooit, dan zal dit deel substantieel moeten zijn, anders heeft het geen zin....Gouda kende zo enorm veel verpauperde gezinnen in die tijd, dat het afvoeren van enkelen naar Drenthe, slechts een druppel op de gloeiende plaat zou zijn. Het afvoeren van een veel groter deel, zou weer onbetaalbaar voor de Goudse gemeentekas zijn.
Eigenlijk ziet de schrijver maar één echte oplossing voor de Goudse problemen: de rivieren moesten worden uitgebaggerd en er moesten eindelijk jaagpaden worden aangelegd, zodat de scheepvaart weer op gang kon komen. Als de scheepvaart weer op gang kwam, zou de motor van de economie weer gaan draaien. Als die motor weer op gang was.....
En het gouvernement zou in Gouda een eigen rechtbank moeten onderbrengen.
Maar het allerbelangrijkste is toch wel "de weldadige begunstiging van zijne Majesteit, onze beminde en geëerbiedigde Koning"....
zaterdag 2 mei 2015
Vrijheid
Nu overal wordt geschreven en gesproken over vrijheid, gaan mijn gedachten automatisch terug naar mevrouw Oliekan.
U kent haar niet.
Daar ga ik verandering in brengen.
Ik ken mevrouw Oliekan vanuit één van mijn eerste baantjes als verpleegkundige in een psychiatrisch ziekenhuis. Daar ontmoette ik mevrouw Oliekan. Een vriendelijke, wat teruggetrokken dame van ergens achter in de vijftig.
We hebben het over zo'n dertig jaar geleden.
Mw. Oliekan was een schippersvrouw. Dat wil zeggen, haar man voer met een binnenvaartschip over de Nederlandse wateren en zij was het grootste deel van het jaar opgenomen in de kliniek. Toch werd ze door iedereen een schippersvrouw genoemd.
Mevrouw Oliekan hoorde stemmen. Beter gezegd: ze hoorde één stem en wel die van dokter Bal. Dokter Bal was een psychiater die in dit ziekenhuis werkte. De stem van dokter Bal vertelde haar de hele dag door wat ze wel of niet moest doen. En als ze iets deed of dacht, dan gaf dokter Bal daar commentaar op. Meestal was dat vriendelijk, maar hij kon ook erg bozig en lelijk tegen haar doen en dan was mevrouw Oliekan helemaal van slag. Ze at dus pas als dokter Bal haar zei dat ze kon gaan eten. Ze ging pas naar de w.c. als hij haar toestemming gaf. Of ze ging opeens drie keer in tien minuten naar de w.c. omdat dokter Bal zichzelf blijkbaar een geintje had beloofd.
Mevrouw Oliekan accepteerde het allemaal als volstrekt gebruikelijk. Zonder mopperen voldeed ze nauwgezet aan de opdrachten van dokter Bal. Ze moest alleen erg huilen als hij haar uitschold omdat ze iets niet precies deed zoals hij dat wenste. Gelukkig gebeurde dat maar zelden.
Natuurlijk, de stem van mevrouw Oliekan was een stem die zij op één of andere manier "bedacht". Maar daar hoefde je bij haar niet mee aan te komen: natuurlijk was dit de stem van dokter Bal.
En als dokter Bal nu eens op de afdeling kwam en voor haar stond?
Verbazingwekkend genoeg gebeurde er dan helemaal niets bijzonders. Ze groette hem vriendelijk en luisterde naar de stem in haar hoofd. Daar stond dokter Bal letterlijk buiten.
Het was heel goed mogelijk om de stem door medicatie tot zwijgen te brengen. Dat was dan ook wel eens geprobeerd.
Het effect was dat mevrouw Oliekan haar bed niet meer uitkwam. Ze werd angstig, paniekerig zelfs, omdat niemand haar nog vertelde hoe ze de dag door moest komen. De structuur verdween en dat werkte verlammend op mevrouw Oliekan. Met grote, angstige ogen lag ze diep onder de dekens, wachtend op de stem van dokter Bal...
Tja.
Wat is vrijheid...
vrijdag 1 mei 2015
Sukkel.
Als er een groep is die ontdekt hoe het is om alleen te staan, dan zijn het wel mensen met schulden.
"Geld is het laatste taboe", meldde één van de stamgasten in de meest bekeken kroeg van Nederland, Jort Kelder in DWDD. Zoals wel vaker met kroegwijsheden, ze zijn waar. We worden de hele dag geconfronteerd met mensen die geslaagd zijn. En bovendien: dat hebben ze ook erg aan zichzelf te danken: hard werken, veel leren, veel wilskracht. Kortom, je bent een sukkel als het allemaal anders loopt.
Schulden heb je dan ook aan jezelf te danken. Het is zo simpel: je kan niet meer uitgeven dan je binnen krijgt. Als je die ijzeren wet eenmaal begrijpt en een kind kan dit begrijpen, dan is er geen enkele reden om schulden op te lopen.
Zestig procent (60%) van de Nederlanders woont in een huis waarvoor ze een hypotheek hebben afgesloten. Slechts acht procent (8 %) woont in een huis dat volledig eigendom is van de bewoner...
Met andere woorden: ruim 10 miljoen (10.000.000) Nederlanders heeft de ijzeren wet niet begrepen.
Ik ben één van hen.
Nu nog op een kwaad ogenblik je baan verliezen en dan gaat het hard...
Dan ontdek je een paar dingen.
Zoals dat wij een overheid hebben die verdomd goed voor zichzelf zorgt. En dat doen ze snoeihard: boetes, belastingachterstanden, voor je het weet staat de gerechtsdeurwaarder voor de deur. Door ons onvolprezen, volstrekt ondoorzichtige systeem van toeslagen die via de belasting kunnen worden aangevraagd, maar net zo makkelijk weer worden teruggevorderd, zijn al velen onder ons in die spiraal omlaag gezogen toen de dominosteentjes eenmaal begonnen te vallen: inkomen kwijt, oplopende hypotheekschuld, betalingsachterstand bij de belastingen en/of studieschuld, terugvorderingen over eerdere jaren van de zorg- of huurtoeslag.....
Zie daarin nog maar eens overeind te blijven.
En in je omgeving keren steeds meer mensen zich van je af: wie wil nu bevriend zijn met een sukkel. Geleidelijk aan kom je alleen te staan.
Soms een klein lichtpuntje.
Zoals een jongeman mij vandaag vertelde, toen hij zijn verhaal over zijn schulden deed:
Een monteur kwam bij hem thuis om het gas af te sluiten. Toen hij hiermee klaar was, meldde hij dat hij ook opdracht had gekregen de electra af te sluiten.
Dat was een flinke tegenvaller: het was winter en zonder electra geen warmte, eten, en ga zo maar door.
De monteur zag het beteuterde gezicht en zei zachtjes:
"Ik mag het electra niet afsluiten als je me nu sommeert om je huis te verlaten...."
Waarop mijn cliënt de monteur vroeg om zijn huis te verlaten.
Waarop de monteur het huis verliet....
Als de wereld koud is, zijn dit de momenten om je aan te warmen.
zaterdag 25 april 2015
Lucretia
Vandaag waren Anita en ik dan eindelijk op de tentoonstelling "Rembrandt Laat". Omringd door Amerikanen, Duitsers, Fransen, Chinezen, Noren, Engelsen, Vlamingen, Columbianen, dwaalden we door de verschillende zalen. Van over de hele wereld waren de kostbare doeken en tekeningen naar Nederland gehaald.
Zover zijn we dus al: musea van over de hele wereld hebben hun meest kostbare doeken uitgeleend voor deze tentoonstelling.
Wow.
We beginnen elkaar te vertrouwen.
Maar goed.
Het was overdonderend. Zo mooi. Het meesterschap van deze man uit Leiden.
De staalmeesters. Een groep heren in vergadering. Ze worden duidelijk gestoord in hun concentratie. Priemend boren de ogen in de richting van degene die het waagt om hen te storen.....dat ben jij....Ze kijken jou aan...
Een oude man in een leunstoel. Genadeloos zijn de tekenen van ouderdom weergegeven: wratten, vlekken op de huid, diepe rimpels en een wat afwezige blik.
Maar het meest trof mij Lucretia...
Een Romeinse schone die wordt verkracht door een prins (in de tijd dat Rome nog een koninkrijk was). Ze kan deze vernedering niet verwerken en pleegt uiteindelijk zelfmoord met een mes.
Wij zien haar op het moment dat ze nog geen besluit genomen heeft. Ze is vol twijfels: enerzijds de boosheid over die vernederende verkrachting, anderzijds de gehechtheid aan het leven. Ze is niet benaderbaar voor de toeschouwer: ze kijkt nadrukkelijk van je weg.
Het is haar worsteling....
En wij kunnen alleen maar toekijken....
Dat ultieme moment, waarin je er volkomen alleen voor staat, gevangen in de wegkijkende blik.
maandag 6 april 2015
Winkelsluiting.
Inmiddels kennen vele winkeliers in het winkelcentrum mijn vrouw. Zij is immers al jaren in deze omgeving één van de wijkverpleegkundigen en zij deelt met deze middenstanders een groeiend aantal verwarde, oudere klanten.
Dat levert de nodige dilemma's op.
Zo is er mevrouw Varenkamp. Weduwe, geen kinderen en nauwelijks familie. Behalve dan een nicht die vanuit het zuiden van het land wanhopig probeert enige orde in de toenemende financiële chaos van mevrouw Varenkamp te handhaven.
Tevergeefs.
Mw. Varenkamp dementeert en dat doet ze al jaren. Ze heeft hierbij een hardnekkige neiging ontwikkeld om haar koelkast gevuld te houden. Wat ze voortdurend ook weer vergeet, waarop ze opnieuw richting het winkelcentrum gaat om de nodige inkopen te doen.
De slager hield mijn vrouw zaterdag nog staande.
Of ze wel wist dat mevrouw Varenkamp vrijdag bij hem, de kaasboer, de bakker en de poelier van alles op de pof had gekocht? Ze had geen geld meer en er was niks meer om te eten in huis. Iedereen had zijn hand over zijn hart gehaald en haar wat te eten meegegeven.
Die avond was mijn vrouw bij mevrouw Varenkamp thuis.
Natuurlijk, de koelkast en de keukenkastjes puilden uit van het eten.
Dat ze geen geld had, kon mevrouw Varenkamp, na lang nadenken, wel verklaren: haar geldpasje was met de wind weggewaaid. Zomaar. Hoog in de lucht was het uit zicht verdwenen. Ze had er verbijsterd naar staan kijken....En tja, wat moet je dan?
Mijn vrouw opende het kastje waar de betaalpas altijd lag. Het lag er nog steeds.
Mevrouw Varenkamp gaf geen krimp en begon over haar nichtje die steeds maar zo moeilijk deed over het geld.
Mijn vrouw verzamelde verschillende etenswaren die vrij van een spoedig bederf waren en stopte ze in een tas. De volgende ochtend zou ze de spullen weer terugbrengen. Zonde om hier te laten bederven. Ze warmde een maaltijd voor mevrouw Varenkamp op in de magnetron: mevrouw Varenkamp kookt al jaren niet meer. Als de wijkverpleging haar eten niet voor haar klaarmaakt, zal ze van de honger omkomen.
Samen liepen ze naar de voordeur. Mevrouw Varenkamp mopperde: het was al donker buiten en de winkels waren nu vast en zeker al gesloten....
ze was vergeten om eten in huis te halen....
vrijdag 3 april 2015
Ik kan het niet alleen ....
Je zal toch
maar minister van volksgezondheid zijn.
Ik kan me voorstellen dat de wereld al
snel uitsluitend uit gezondheidsproblemen lijkt te bestaan. Werkelijk alles
wordt op jouw bordje gelegd en vragend kijken de kamerleden en vervolgens ook
het journaille (maar dit kan net zo goed in omgekeerde volgorde) jou aan voor
de oplossing.
Nu kwam de
politie weer naar buiten met de mededeling dat onze blauwe-petten brigade de afgelopen
jaren steeds vaker is geconfronteerd met verwarde mensen op straat. Over de
periode 2013 – 2014 was er zelfs sprake van een toename met 30% en dan hebben
we het over vele tienduizenden incidenten door ons hele land. In zijn analyse
gaf de korpschef mee dat het wel eens te maken zou kunnen hebben met de
bezuinigingen in de GGZ, waardoor het aantal opnameplaatsen in hoog tempo is
afgebouwd.
De minister
wist niet hoe snel ze de kamer moest schrijven dat de laatste conclusie wel erg
snel getrokken was: er zou net zo goed een verband met de economische crisis
(die door onze minister president net als beëindigd is verklaard, maar daar is
hij toch weer) of de onrust in de wereld (alsof de wereld in eerdere jaren een
vredig paradijs was) kunnen worden gelegd.
Feit is wel
dat het aantal opnameplaatsen (ik bedoel hiermee de opname in een kliniek of op
een PAAZ) sinds 1980 spectaculair aan het afnemen is. Bevonden we ons in 1980
op de wereldranglijst met 170 bedden per 100.000 bewoners nog op
de 2e plaats, in 2009 waren we op deze ranglijst, met 139 bedden per
100.000 bewoners, al gezakt tot de 10e plaats. In een bestuurlijk
akkoord uit 2008 is indertijd afgesproken dat we in 2020 nog eens 30% van het
aantal bedden hebben gesloten. Metingen leren ons dat de bestuurders van de
GGZ-instellingen zich hier braaf aan houden: we gaan die 30% waarschijnlijk
eerder dan 2020 halen….
Het zou
echter oneerlijk zijn om deze maatregel uitsluitend toe te schrijven aan de
bezuinigingsdrift van onze bewindslieden. Er is natuurlijk meer aan de hand. De
behandeling van psychiatrische ziekten vinden, ook vanuit de behandelinhoud
geredeneerd, liefst zoveel mogelijk in de eigen thuissituatie plaats. De
ontwikkeling van verbeterde medicatie en nieuwe behandelmethodieken
(fact -,
IHT-teams), maken dit ook beter mogelijk. Een opname is wellicht soms
noodzakelijk, maar die zou zich moeten beperken tot crisisinterventie: Goffman
leerde ons in zijn weergaloze studie naar “totale instituties” in de jaren ’60 al, hoe ziekmakend langdurige opnames kunnen zijn.
In die zin is de beweging naar kleinere psychiatrische ziekenhuizen en het
behandelen vanuit ambulante teams in de wijk een volstrekt logische.
Tegelijkertijd
moeten we erkennen dat de samenleving er
de laatste decennia niet eenvoudiger op is geworden. Technische ontwikkelingen
volgen elkaar snel op; het nieuws van iedere willekeurige plek op de planeet
is, door social media, vaak binnen seconden overal verspreid; door ontkerkelijking,
individualisering en dergelijke tendensen, zijn mensen steeds meer op zichzelf
aangewezen; de verzorgingsstaat wordt in hoog tempo afgebroken en de overheid
maakt een terugtrekkende beweging en, sinds meerdere jaren, groeit de armoede
in Nederland en worden steeds meer mensen afhankelijk van voedselbanken, etc.
De kans dat mensen “buiten de boot” gaan vallen, wordt dan ook steeds groter.
De minister
heeft dus gelijk wanneer zij in haar reactie aangeeft dat de toename van
verwarde mensen op straat, niet perse een gevolg is van de bezuinigingen in de
GGZ. Deze hebben wel degelijk ook een inhoudelijk karakter. Tegelijkertijd zal
ook deze minister zich er rekenschap van moeten geven dat onze samenleving in
hoog tempo verandert en dat een toenemend aantal mensen hierdoor kind van de rekening
dreigt te worden.
Mensen over
wie we ons zorgen zouden moeten maken.
Mensen die
er op zouden moeten kunnen vertrouwen dat we er voor hen zijn.
Dan zou ze
niet verwijzen naar een economische crisis of de onrust in de wereld, maar ze
zou er beter aan doen haar collega’s en maatschappelijke partijen om hulp te vragen:
ik kan het niet alleen….
Abonneren op:
Posts (Atom)






