donderdag 20 februari 2014
IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid
Kleding, schoenen, horloges, bril, auto.... ik vertoon op al deze onderdelen al sinds mijn vroege jeugd een ernstige afwijking: het interesseert me geen biet. Mijn kleding heeft geen enkele relatie met heersende modeopvattingen, mijn horloge koop ik eens per jaar voor een habbekrats bij de Hema, mijn bril is een model van 5 jaar terug en zit onder de krassen en mijn auto tenslotte is een ongewassen, 2e hands en inmiddels 7 jaar oude Toyota Prius waarmee ik zo'n 300.000 km heb gereden. Als ik al opval tussen het winkelend publiek, dan is het omdat ik een onmogelijke kleurencombinatie heb aangetrokken: iets waarvoor mijn vrouw me nog wel eens probeert te behoeden, maar waarover ik de gevoeligheid nog steeds niet begrijp.
Ik denk dat ik daarom mag opmerken dat ijdelheid mij vreemd is.
Alhoewel...
Ik hou van luchtjes.
Dan bedoel ik niet kookluchtjes of zeker geen lichaamsluchtjes, maar geurende luchtjes: parfums, eau de toilette, after shave, goede zeep....heerlijk.
Ik heb hierin ook mijn voorkeuren: geen al te zoete luchtjes of van die moderne, ietwat naar zweet ruikende luchtjes. Het mogen wel stevige geuren zijn, maar dat hangt erg van de samenstelling af. Ik ben hier kritisch in. Het liefst echter ruik ik een wat meer subtiele, kruidige geur.
Ik koop ook graag een luchtje voor mezelf. En ik heb er een hekel aan als mijn fles eau de parfum leeg is. Er staan dus vaak verschillende flesjes op onze wastafel.
Vanmorgen constateerde ik dat de bodem van de verschillende flesjes weer in zicht was. Om die reden dus stapte ik op de fiets naar de stad.
Het was rustig in de luchtjeszaak en er kwam dan ook onmiddellijk een verkoopster op me af.
Hier heb ik een hekel aan.
Als ik eenmaal word omringt door talloze flesjes waarin duizelingwekkende hoeveelheden merken en soorten, raak ik steeds opnieuw de draad volledig kwijt. Ik probeerde tevergeefs om de naam van "mijn" geur te herinneren. Ik ben echter slecht in namen en dat geldt ook voor dit domein.
Het meisje, uiterst vriendelijk, deed wat funest voor mij is in een dergelijke situatie: ze begon namen en merken op te noemen.
Ik probeerde wanhopig niet naar haar te luisteren en keek speurend rond en zag na enige tijd een bekende fles....
"Eternity", sprak ik opgelucht. Het meisje pakte een fles met deze naam, maar de vloeistof in de fles was blauw....dat was ik niet gewend. Het meisje maakte me glimlachend duidelijk dat dit een nieuwe geur was van Eternity, maar ze begreep direct dat dit helemaal niet de bedoeling was. Ze pakte een ander exemplaar en deze had een geruststellende gelige vloeistof.
Het inpakken van flesjes in een geurwinkel, is altijd een apart ritueel en ik verzocht het meisje vriendelijk om dit maar over te slaan. Wat mij betreft volstond een plastic tasje.
Bedremmeld voldeed ze aan mijn verzoek. Ze pakte nog een proefflesje met een geur die ik waarschijnlijk nooit zou uitproberen en deed deze ook in mijn tas. Ik bedankte haar vriendelijk.
"Mag ik u parfumeren?"
Toch wat van mijn a propos, keek ik haar ietwat argwanend aan.
"Wat zegt u?"
"Mag ik u parfumeren?"
De zaak was nog steeds leeg. Het meisje keek me afwachtend aan. Ik probeerde me een beeld bij de vraag te vormen, wat mij maar matig lukte.
"Het was al ijdelheid en kwelling des geestes", spookte door mijn hoofd toen ik de winkel verliet.
Ongeparfumeerd, dat dan weer wel.
zaterdag 15 februari 2014
Verkooppraatje....
Ergens vorig jaar woonde ik met mijn vrouw een demonstratie bij van Perzische tapijten in Istanbul. Het was natuurlijk een ordinair verkooppraatje, maar wel één van een indrukwekkend niveau. Het is dat we Hollanders zijn en dat blijkbaar ook uitstralen, zodat wij na afloop niet besprongen werden door één uit de horde verkopers die opeens overal vandaan de ruimte in stroomden, anders had ik nu met mijn stoel op een Perzisch tapijt gestaan.
Het begint met de aanwezigen een gevoel van exclusiviteit te geven.
Die aanwezigen werden in ons geval gevormd door een internationale groep van divers pluimage en leeftijd die vanaf het cruiseschip waarmee we de stad hadden aangedaan, een rondrit door het centrum maakten.
We werden in een enorme winkel, aan de rand van de grote Bazaar in het centrum van de stad, via trappetjes en brede zalen vol met de meest prachtige tapijten, naar een grote, inpandige ruimte gebracht. We konden gaan zitten aan de rand en het licht werd aanvankelijk wat gedimd. We kregen thee en nog een onduidelijk drankje waar overduidelijk alcohol, flink wat alcohol in zat. Daar waren ze niet karig mee, met het bijschenken van dat laatste drankje. En natuurlijk werd ieder gebaar van de medewerkers om ons heen, gecombineerd met een onderdanige buiging en de breedste glimlach.
De gids die ons tot nog toe overal had vergezeld, was nu nergens meer te bekennen. Zij zat vast ergens haar fooi te tellen die haar door de eigenaar van de winkel was toegestopt.
Toen we allemaal te drinken hadden en de groep wat rumoerig werd, ging de deur open en stond daar een indrukwekkende gestalte. Hij bleek de eigenaar van de winkel te zijn. Met een nasale stem begon hij ons te vertellen hoe hij, pakweg, 20 jaar geleden tot de ontdekking kwam dat de kunst van het tapijtweven vrijwel was uitgestorven in zijn land. Hoe hij geschokt ontdekte dat tapijten steeds meer machinaal werden vervaardigd en dat hierbij eeuwenoude technieken in hoog tempo verloren dreigden te gaan.
U voelt het natuurlijk aankomen: hij zorgde ervoor dat dit proces van verval werd gestopt. Hij zorgde ervoor dat de oude technieken die nog bekend waren bij stok- en stokoude vrouwen in bergdorpen, door hen konden worden overgedragen aan een jongere generatie. Hij zorgde er tegelijkertijd voor dat hierdoor jongeren in deze bergstreken weer konden gaan verdienen aan deze opnieuw oplevende tapijtweverijen.
Goedkeurend gemompel door de toehoorders, werd onmiddellijk door hem gestopt. Hij was de bescheidenheid zelve, alhoewel dat niet helemaal oprecht overkwam.
Hij had genoeg gepraat. Hij knipte met zijn vingers en twee medewerkers kwamen met een enorme rol tapijt naar het centrum van de zaal lopen. Ze wachten geduldig totdat hun grote baas hen met een hoofdbeweging toestemming gaf om het tapijt uit te rollen.
Hij was prachtig. Expressieve kleuren en een mooi, tijdloos en abstract patroon.
De man gaf ons geen tijd om lang te genieten. Opnieuw werd een tapijt uitgerold, welke de eerste nog in schoonheid overtrof. En nog één en nog één.
De man toonde ons de verschillende, traditionele weeftechnieken en wees ons op de verschillende kleuren. In niets leken ze op de kleedjes die in Nederland bij de opa's en oma's van mijn generatie op de eettafel lagen.
Opeens pakte de man het laatste tapijt bij één van de hoeken beet en met een fantastisch brede armbeweging, draaide hij het tapijt om zijn as en liet hem weer neerkomen.
Stomverbaasd keken we toe: het tapijt kreeg opeens een geheel andere kleur.
Deze techniek bleek één van de paradepaardjes van de verkoper te zijn: de hierop volgende tapijten bleken steeds opnieuw van kleur te kunnen veranderen door het om zijn as te draaien. Uiteindelijk deed de verkoper niet meer zelf de truc van het draaien en lieten zijn medewerkers in de verschillende hoeken van de zaal het wonder aan de verbaasde toeschouwers zien.
Over prijzen werd natuurlijk niet gesproken.
Wel vertelde de man tussen neus en lippen door dat hij bereid was om over de financiering te praten, de prijs was onderhandelbaar (mits je natuurlijk meerdere tapijten meenam) en over de levering hoefde je je nooit zorgen te maken: hij leverde direct aan huis, over de hele wereld.
Het einde van de show kwam duidelijk dichterbij. Om te voorkomen dat iedereen onmiddellijk weg zou stuiven, kreeg iedereen nog een kopje thee aangeboden (de drank bleef nu in de fles). De verkoper gaf ons nog een vriendelijk knikje en verdween door de deur: op weg naar het volgende zaaltje, wed ik. Door verschillende deuren stroomden nu de assistent verkopers de ruimte binnen.
Wij merkten al snel dat wij geen enkele belangstelling vanuit de verkopers opriepen. Als enigen van de gehele groep, konden we ongestoord naar de deur lopen en de trap naar beneden bereiken. We haalden opgelucht adem en zochten de zon buiten op.
Soms zie ik in Nederland nog zo'n zaak met Perzische tapijten. Vroeger verbaasde ik me erover dat ik nooit, maar dan ook nooit een klant in de winkel zag.
Nu begrijp ik het: als je naar binnen gaat, dan ben je verloren.
maandag 27 januari 2014
Er is één ding wat ik nooit zou willen missen....
Regelmatige lezers weten het zo langzamerhand wel: wij zijn wandelaars.
Al wandelend ontmoet je anderen en dat is soms boeiend. Ook boeiend is de manier waarop je wordt benaderd, dat verschilt nogal per landstreek. Onze ervaring is: des te zuidelijker, des te meer kom je in een gebied van "ons kent ons" en ons kent men dan niet.
Maar daar wilde ik het helemaal niet over hebben.
Vissers.
Dáár wilde ik het over hebben. Dat wil zeggen: een nieuw soort visser zoals we deze de laatste paar jaar steeds meer tegenkomen. Ik kan ze maar het beste omschrijven.
Veelal bevinden ze zich met enkelen ietwat buiten de bebouwde kom. Niet te ver, maar genoeg om de huizen van de stad of het dorp nét niet meer te kunnen zien. De auto, meestal een bestelbusje of een stoere 4 wheel drive (het is tenminste nooit een Toyota Prius), staat in de onmiddellijke omgeving. Bij de waterkant is een klein kampement ingericht: halfopen tentjes in legerkleuren. Hierom heen bevindt zich een keur aan vissersgereedschap: hengels, netten, schepnetten (altijd groot genoeg om minstens reuzevissen van een anderhalve meter uit het water te lepelen), dozen vol met haken, kunstaas, lijnen en bakjes met voer en aas voor de vissen. De mannen zijn, als wij passeren, altijd wat chagrijnig: ik vermoed dat ze de hele nacht in touw zijn geweest en, gelet op de drankflessen die hier en daar liggen, hebben ze de kou verdreven met alcohol. Ze hebben overigens uiterst comfortabel gelegen op stretchbedden en in dikke, luxe slaapzakken. Ook de mannen zijn gekleed in militair groen en grauw gekleurde kleding. Niet gewoon maar kleding, maar specifiek voor het vissen ontworpen kleding: overal zakjes en haakjes. En ja, ze dragen een petje: natuurlijk, dat hoort erbij. Het mooiste is natuurlijk als ik ook nog ergens een antenne ontwaar alwaar een krakend soort radio met enige regelmaat politieberichten uitbraakt.
Nu ben ik geen visser. Een doodenkele keer ga ik met een werphengeltje de polder in en probeer een snoek te verleiden en ooit ging ik met mijn broer, onze vader en mijn zoon, dochter en neefjes, een dagje vissen op de waddenzee. Eén van de neefjes ving de ene platvis na de ander en verder ving niemand wat. Ik ben dus geen fanatiek visser en de kans is uitermate gering dat dit vuur ooit nog in mij gaat branden.
Ik moet dus voorzichtig zijn in mijn oordeel.
Toch heb ik de indruk dat de mannen die ik zo tegenkom, in een verkeerde film acteren. Of de film is wel correct maar het castingsbureau heeft zijn werk slecht gedaan... de mannen zijn gekleed en uitgerust alsof ze dagenlang in een woeste wildernis moeten overleven. De werkelijkheid is dat ze veelal 's ochtends na 10 minuten lopen wel een tankstation kunnen vinden waar ze een kop koffie kunnen krijgen. En ik weet zeker dat al die mannen, altijd mannen, na een nachtje drinken, lullen en ook wat vissen, de volgende ochtend binnen een half uur bij moeder de vrouw weer onder een hete douche staan.
Van mij mogen ze. Natuurlijk.
Het raadsel is voor mij alleen al dat geld, het loopt gemakkelijk in de duizenden euro's, die zijn uitgegeven aan al die volstrekt onzinnige attributen. Als je een nacht wil zuipen met je vrienden, dan kun je toch gewoon naar de kroeg? Als je wil vissen, dan kun je toch gewoon een hengeltje uitgooien, desnoods in de vroege ochtend? Wat is het toch dat ook een dergelijk simpel vermaak opgesmukt moet worden met zoveel luxe en overbodigheden? En bovendien, als de attributen zo geavanceerd zijn dat vissen nauwelijks nog een kans om te ontsnappen hebben, waar blijft dan de sport?
Mijn opa trok er graag op uit met een hengeltje. Bamboe. Hij gooide het haakje en de dobber in het water en ging languit liggen in het gras, in de zon. Op een dag kwam er een jongen voorbij fietsen en die stapte af om te kijken naar de prestaties van mijn opa. Na enige tijd zocht de knul wat beschroomd contact en wees naar de dobber:
"Mijnheer, dat werkt toch niet? Dat is geen dobber, maar een drijver om je lijn boven water te houden...zo ziet u echt niet of er een vis aan het aas knabbelt."
Mijn opa haalde zijn schouders op:
"Je zal wel gelijk hebben. Maar kijk eens om je heen: het is hier prachtig, de zon schijnt en ik geniet...ik vind het best zo..."
En hij ging weer liggen in het gras.
Kijk, die snap ik.
zaterdag 18 januari 2014
Het natuurlijk gezag
Hoog rees zijn gestalte op, boven aan de trap, op de tweede verdieping. Hij stond daar dagelijks met zijn handen op zijn rug en keek strak omlaag. Hij wipte voortdurend, in een vaste cadans, even omhoog door zijn hielen van de vloer te laten komen en weer te laten zakken. Het gegil op de trap naar de eerste verdieping verstomde onmiddellijk zodra de leerling hem in het oog kreeg.
Vons. De conrector van het atheneum.
En met zo'n naam in de jaren zeventig van de vorige eeuw, dat werd al snel "the Fonz". Maar geloof maar niet dat ook maar één leerling het ooit gewaagd heeft om dit in zijn gezicht te zeggen.
Ik was zelf een leerling van de HAVO. Onze conrector zag je vrijwel nooit, maar zijn gezag was niet minder absoluut. Hij zat in zijn kamer, die direct aan de centrale hal grensde. Als je daar moest zijn, was het per definitie mis en kon je alleen maar hopen dat het mee zou vallen.... Schifflers. En ja, inderdaad, natuurlijk, leraar Duits en het robuuste uiterlijk van een sergeant uit het leger. Hij had wel een merkwaardig zachte stem.
Dan was er nog de rector. Een kleine man met een baardje. Den Hertogh, zo heette hij. Ook zo'n man die je totaal niet kende, ook al liep je zes jaar in hetzelfde gebouw rond. Hij liep soms door de gang met een verwarde blik alsof hij niet precies wist waarnaar hij op weg was. Ook wij hadden geen idee waar hij de hele dag mee bezig was, maar voor ons was het feit dat hij de rector was, voldoende om zijn blikken te ontwijken.
Merkwaardige jaren, die middelbare school. Het was maar een enkele leraar die het aandurfde om een wat meer persoonlijk contact met de leerlingen aan te gaan: Smeele, de Klerk, Broere en Ooms. Al de anderen hielden de afstand zorgvuldig in stand. Ieder op zijn eigen manier.
Van Hofweegen stak tijdens het lesgeven in wiskunde een sigaret op, ging in de vensterbank zitten en begon intimiderend met zijn voet tegen de verwarming te schoppen. Een ieder die hier, op welke wijze dan ook op reageerde, kon verzekerd zijn van een hatelijke opmerking die je nog lang voelde. Daar was hij een meester in: kwetsen.
Van Eiken negeerde ieder signaal vanuit de klas: vragen, geklier, lachen, een opmerking. Volstrekt stoïcijns ging hij door met zijn Franse les. Tot het hem teveel werd, dan ontplofte hij, stuurde minstens de helft van de leerlingen naar de conrector en liet de rest, bij voorkeur, op vrijdagmiddag nablijven. Dan ging de deur van het klaslokaal op slot en kwam hij na een uur of zo weer terug.
Nauta, Nederlands, kon langdurig, pijnlijke stiltes laten vallen. Zijn borende blik was voldoende om de orde te doen terugkeren.
Van Zanten begon het jaar door iedere, zelfs de meest minimale verstoring van de natuurkundeles, zo hard mogelijk te straffen. Wanneer, rond de herfstvakantie, zijn gezag onaantastbaar was, liet hij de touwen steeds meer vieren. Het was bij hem zelfs mogelijk dat aan het eind van het jaar in zijn les ... gelachen werd.
En dan waren er natuurlijk nog de leraren en leraressen die het probeerden met een preek. Een beroep op je gezonde verstand. Roosendaal, de gymleraar, was er zo één. In je gymkleren in een te koude gymzaal, zittend op de grond, luisterend naar het eindeloze verhaal van deze gefrustreerde leraar. Niet dat hij en de andere prekers veel gezag opbouwden, maar je haalde het niet in je hoofd te veel rottigheid uit te halen, want die preken vond je vreselijk.
Het waren de jaren dat gezag hoorde bij een functie en gehoorzaamheid bij een kind. Als vanzelfsprekend.
Het waren merkwaardige jaren.
Het waren beknellende jaren.
woensdag 15 januari 2014
Galvanisch contact tot aan de lichaamsvloeistoffen
U kent het vast wel.
Iemand zegt iets, of je leest iets en je wéét dat het Nederlands is maar verder gaat ieder begrip aan je voorbij.
Zoals deze:
"Uw partner in wielservicemateriaal..."
Uw partner in wielservicemateriaal ...
Tja.
Het stond geschreven op een vrachtwagen die voor mij stond in de rij voor een stoplicht. Erbij afgebeeld was een vriendelijk lachende man en die hield iets in zijn hand dat van alles kon zijn: een koekblik, een verfblik, zo'n blik waarin je in je garage allerlei rommeltjes bewaard, enfin....géén idee wat deze man in zijn hand hield. Het loste het raadsel van het "wielservicemateriaal" niet op.
Zoiets blijft hangen. Althans, bij mij. Het puzzelt mij.
Nu is dit een onschuldig voorbeeld. Lastiger is het wanneer een dergelijke boodschap je wordt gegeven in een ruimte waar je alert bent op ieder signaal dat je bereikt: een kamer op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis bijvoorbeeld.
Op de muren waren de gebruikelijke mededelingen opgehangen: je mocht er niet roken en er was koffie verkrijgbaar in een ruimte iets verderop in de gang. Dergelijke mededelingen gaan er in als koek. Maar toen las ik:
"In onderstaande tabel wordt aangegeven welke ruimteclassificatie bij de aard van het galvanisch contact past..."
En inderdaad, er stond een tabel onder en daarin was geel gearceerd: "Alleen uitwendig galvanisch contact"
Gedver.
Was mijn spontane gedachte. Besmuikt keek ik wat om me heen, op zoek naar het galvanisch contact. Nergens te bekennen natuurlijk.
Ik rook stiekum aan mijn handen. Geen idee of ze al een galvanisch luchtje hadden. En bovendien: wat dan nog? Moest ik dan iemand roepen? Moest ik wanhopen of me juist gelukkig prijzen, ik had geen idee.
De overige regels in de tabel losten het raadsel niet voor mij op: "Galvanisch contact tot aan de lichaamsvloeistoffen maar niet tot aan het hart", was zo'n regel.
Brrr.
Gelukkig was die niet gearceerd. Ik heb het niet zo op lichaamsvloeistoffen, ondanks dat het geruststellend was dat het niet tot aan het hart was....alhoewel, bloed is toch een lichaamsvloeistof? Die moet toch juist tot in het hart?
Galvanisch.
Ik raadpleegde stilletjes Wikipedia op mijn smartphone: een galvanisch element is een electrochemische stroombron....
Dat schoot niet erg op. Ik keek rond op zoek naar electrochemische stroombronnen, maar de ruimte was vrijwel kaal, op een bed, een lamp, een tafel en een stoel na. Ik stond op en liep een rondje om mijn stoel....zou die...? Maar niks, geen galvanisch contact te ontdekken.
Gelukkig, daar kwam een dokter binnen. Ze stak haar hand naar mij uit. Ik wilde impulsief mijn eigen hand uitstrekken, maar hield me in.
Je weet maar nooit met dat galvanisch contact, ook al is het zonder lichaamsvloeistoffen.
zondag 12 januari 2014
Oh Carol!
Iemand moet me nog maar eens uitleggen hoe de menselijke geest werkt. Voor mij blijft ze vol van onverwachte kronkelingen en zijpaden.
Vanmorgen werd ik wakker met "Oh Carol" in mijn hoofd.
U kent het vast nog wel: die puberale uitbarsting van jongenslijden. Carol is het vriendinnetje van de zanger, maar ze neemt het allemaal niet zo vreselijk serieus.
Ze pest hem.
Hij klaagt zijn nood want ze maakt hem aan het ... huilen. Jawel. Maar nog veel erger is wanneer ze weg zou gaan, dan zal hij zeker....sterven.
Kom daar tegenwoordig nog maar eens om.
Ik hoor u nu worstelen. Hoe heette die zanger ook alweer?
Ik help u op weg: hij zong ook "Calender girl"; "Stupid Cupid"; "Next door to an angel"; "Oh Deliliah". De teksten zijn volstrekt, maar dan ook volkomen pretentieloos, de muziek is volledig gladgepolijst. We hebben het hier over eind jaren '50 van de vorige eeuw met een kleine uitloop de jaren '60 in, alhoewel hij toen natuurlijk werd weggeblazen door de Stones en anderen. Het schijnt, maar dat staat mij niet zo bij, dat hij in de jaren '70 nog een soort revival heeft gehad.
Ik ken hem eigenlijk alleen echt van dat mierzoete, huilerige "Oh Carol". Het eerste singeltje dat mijn broer en ik in ons bezit kregen: via een buurmeisje die toch meer voor de Rolling Stones voelde.
Zoeken in de Top 2000 heeft geen enkele zin: sinds 5 jaar is hij met dit nummer uit deze pophemel verstoten.Een veeg teken...
Neil Sedaka...
"Oh Carol, I am but a fool,
Darling, I love you tho' you treat me cruel
You hurt me and you made me cry
But if you leave me, I will surely die..."
Dat laatste viel overigens nog wel mee: hij leeft nog altijd.
zaterdag 11 januari 2014
Even wachten ....
Als je iets doet in een ziekenhuis, is het wachten.
Niet dat ik enige behoefte voel om dit te doen, maar in het ziekenhuis kan je nu eenmaal niet anders. Of je wilt of niet, het gaat om wachten.
Dertien jaar geleden werkte ik zelf nog in het ziekenhuis en daar was het al een belangrijk thema: het wachten. De directie nodigde zelfs een directeur van de bloemenveiling in Aalsmeer uit om ons hierover te kapittelen: bloemen en planten die verkocht moeten worden in Amerika kunnen namelijk niet wachten. De oversteek moet liefst onmiddellijk worden ondernomen anders kun je ze net zo goed direct in de prullenbak gooien.Ik zat in een zaal vol met managers en dokters te luisteren en we begrepen de boodschap: we moesten iets doen aan het wachten.
Dat leverde één of ander adviesbureau weer een jaar lang een mooie omzet op. Zij wisten namelijk hoe het wachten moest worden voorkomen. Ze hadden er ook een naam voor: patiëntenlogistiek. Patiënten zijn hierbij een soort pakketjes en het ziekenhuis is een soort fabriek. In die fabriek moeten allerlei handelingen worden verricht aan de pakketjes en dat heet dan weer een proces. Zo'n proces diende je efficiënt in te richten anders gebeurde nu net wat je vóór alles wilde voorkomen: dan moesten de pakketjes wachten....
Toen was al duidelijk dat deze papieren logica in de praktijk anders werkte. Belangrijkste oorzaak:
het hele proces bleek mensenwerk te zijn.
Dus begonnen neurologen en orthopeden ordinair ruzie te maken over de capaciteit van een nieuwe MRI-scan. De oogarts begreep alle aanbevelingen uit de rapportage van het adviesbureau over de wachttijden op zijn polikliniek, maar met één aspect hadden de opstellers helaas geen rekening gehouden: de paardrijlessen van zijn dochter op dinsdag- en donderdagmiddag.... En zijn er nog wel een paar andere voorbeelden te noemen.
Maar goed.
We zijn inmiddels dus dertien jaar verder.
Ik moest met mijn vrouw naar de SEH van het ziekenhuis. Vrijwel direct na aankomst werd er een röntgenfoto gemaakt en ook bloed afgenomen. Vervolgens werden we naar een kamertje gebracht en daar begon het....
...het wachten.
We wisten niet eens helemaal precies waar we op moesten wachten. We vroegen het aan deze en gene maar helemaal helder werd het niet.
Na enkele uren kwam er een bijzonder aardig meisje, ongeveer de leeftijd van onze oudste dochter, het kamertje binnen en zij introduceerde zich als arts. Ze begon mijn vrouw uitgebreid te bevragen, iets wat een verpleegkundige enige uren eerder overigens ook al had gedaan (en ook de huisarts nog weer een paar uur eerder), maar goed, ieder zijn vak. Vervolgens stond ze weer op en meldde ons dat we nog even moesten wachten.
Dat vonden we verrassend.
Hetzelfde meisje kwam na nog eens een ruim uur opnieuw het kamertje binnen. Ze had gesproken met de arts, dat zal wel een soort opperarts zijn en die had besloten dat mijn vrouw toch maar moest worden opgenomen.
Ik voelde inmiddels nattigheid: "U bedoelt dat ze nu wordt aangemeld voor een plaatsing, maar dat er nog geen bed beschikbaar is?"
Dat klopte. Dus dat werd opnieuw wachten.
Ik besloot om in de tussentijd thuis even spullen voor mijn vrouw te halen en hier ook enige telefoontjes te plegen. Bij terugkeer vroeg ik aan een dame achter de receptie of mijn vrouw al op de verpleegafdeling was. Ze keek op het scherm van haar computer en begon driftig het één en ander in te toetsen.
Dat was ze.
Toch niet.
Ik moest nog éven wachten, meldde mij een, opnieuw, bijzonder aardig meisje die dit keer een verpleegkundige op de genoemde afdeling bleek te zijn.
Dat duurde toch nog ruim een half uur. Toen klonk de bel van de liftdeur en kwam mijn vrouw in een rolstoel de afdeling opgereden. Ze werd direct naar haar bed gebracht. Het was inmiddels vroeg in de avond en we hadden nog niets gegeten. Of mijn vrouw nog iets van een boterham kon krijgen...
Natuurlijk....
of we wel éven wilden wachten...
Abonneren op:
Posts (Atom)






