donderdag 12 mei 2016

Tafereel





“Ik ben het eigenlijk wel zat…ik stop er mee…”

De man keek me lichtelijk verontwaardigd aan. Hij veegde nerveus met zijn handen over zijn kalende hoofd. Op zijn voorhoofd parelden zweetdruppels.

“Ik ben nu al drie dagen aan het werk. Het is wel mooi geweest… ik ga nu naar huis.”

Hij bleef mij besluiteloos aankijken.

Ik vroeg hem waar hij dan al die dagen zo hard mee bezig was geweest.

“Nou…eh…”

Hij wees wat vaag richting de lift, maar maakte zijn zin niet af.

De man was minstens tachtig. Zijn hemd hing uit zijn broek en zijn bril was op het puntje van zijn neus gezakt. Hij begon wat ongeduldig te trappelen, maar bleef wel staan.

Achter mij hoorde ik mijn moeder:

“Ja, het is wel moeilijk…ja”

Zoals meestal na een dergelijke zin, zat ze zachtjes met haar hoofd te knikken en keek in een verte die voor mij al maanden niet meer zichtbaar is. Ze pakte een beker die leeg voor haar stond en zette deze met een resoluut gebaar op het midden van de tafel.

De man beaamde de woorden van mijn moeder:

“Precies, het is gewoon moeilijk.”

Hierna draaide hij zich om en liep de huiskamer uit. Mijn moeder had mij weer gevonden met haar blik en glimlachte naar me. Het knikken ging langzaam over in traag schudden met haar hoofd. Ik pakte haar hand maar die trok ze weer los.

“Nee, niet doen. Voorzichtig…”

We vielen allebei stil. Aan de tafel bij het raam zat een vrouw te vitten op een man tegenover haar.

“Je moet van die koekjes afblijven, die zijn voor iedereen.”

De man keek de vrouw met een stralende lach aan en stak een volgend koekje in zijn mond. De vrouw stond geërgerd op en begon rond te lopen. Ze scharrelde wat in de kastjes van een wandmeubel, maar kon duidelijk niet vinden wat ze zocht.

“Heeft u mijn cigaretten gezien?”

Die had ik niet gezien.

Ze bleef mopperen.

Ik stond op en pakte voor mijn moeder een glas sinaasappelsap uit de keuken.

zondag 1 mei 2016

Boefje




De advertentie was veel belovend. Mooie plaatjes van campers en de kop van een vriendelijk lachende man die ons uitnodigde eens langs te komen met onze camper: hij zou een mooie prijs bieden. Voor de zekerheid zocht ik nog even via de mail contact, maar de boodschap bleef hetzelfde: kom maar langs en dan komen we er wel uit.

Daar gingen we, naar Heinenoord. Met onze camper.

Het bleek een enorme zaak volgestouwd met caravans, campers en frutsels die dan weer nodig zijn om een vakantie met zo'n rijdende hut ook succesvol te maken.

Of we even wilden wachten. Dat duurde niet lang en toen zagen we de man van de foto op de advertentie al op ons afkomen. Hij nam geen tijd om met ons koffie te drinken, maar liep direct door naar de parkeerplaats waar onze camper stond.

"O jee, een Elnagh.... die staat bekend om zijn vochtproblemen..."

We begrepen zijn spel nog niet en verklaarden wat verbaasd dat we nog nooit vochtproblemen met onze camper hadden gehad. Hij negeerde deze opmerking en vroeg:

"Uit 2001?"

Nee, hoor, 2004. Ondertussen liep hij overal op de wanden te tikken. Ik vertelde ondertussen over verschillende extra's, zoals de schotelantenne met automatische zoeker, een goede televisie, maar hij leek het allemaal niet te horen. Totdat ik de airco benoemde:

"O, maar dan heb je zeker geen airco op de motor?"

Mij ontging de relevantie, maar inderdaad, de airco is een aparte unit.

Met een zorgelijk gezicht maakte hij zijn rondje rond de camper af. Hij wilde nog even binnen kijken. Dat ging snel.

"Tja, het is niet zo'n courante indeling..."

Onze camper heeft een 2 persoonsbed en een vierpersoons zitje. Wat hier precies incourant aan is, werd mij niet duidelijk, behalve dat "men" blijkbaar liever 2 1-persoonsbedden heeft.

Nou, wij niet. Overigens, de meeste campers in zijn zaak hadden ook een tweepersoonsbed, maar de markt kan natuurlijk snel veranderen. Ik ben geen deskundige op dit gebied.

Hij herhaalde nog maar eens de vochtproblemen die vaker bij dit soort campers voorkomt. Voor de volledigheid herhaalde ik dus nog maar even dat de camper geen vochtprobleem heeft en ook nooit heeft gehad.

Goed, hij hoefde nog nét niet naar de schroot, maar veel kon hij er toch niet van maken. Hij moest wel heul veul kosten maken om dit campertje nog verkoopbaar te krijgen.

Hij heeft nieuwe banden, nieuwe accu's, is motorisch prima in orde, het bed heeft een nieuw matras, alles werkt zoals het moet werken...ik keek hem maar vriendelijk aan. Ja, hij mocht wel een keer worden gewassen, dat was wel waar.

We hebben de camper maar weer mee naar huis genomen.

Boefje.

woensdag 12 augustus 2015

Over verhuisdozen en huisartsen.


 

 
“De verhuizing is goed gegaan. Nu moeten de dozen nog worden uitgepakt.”

Zo verwoordde onze staatssecretaris de stand van zaken bij de decentralisaties van de jeugdzorg en de langdurige zorg.

 Hij bedoelde, in zijn onnavolgbare Haagse woordgebruik, voor de goede verstaander te zeggen dat er nog heel veel moest gebeuren.

Om maar even in het beeld te blijven, behalve dat, na een verhuizing, dozen moeten worden uitgepakt, moet er worden ingericht en hier en daar zal ook nog wel een verbouwing noodzakelijk zijn. We moeten de buren nog leren kennen, de buurt moeten we ons eigen maken, we moeten afleren om niet automatisch de afslag naar ons vorige huis te nemen en zo kan ik nog wel even doorgaan. Het duurt vaak nog wel even voordat een verhuist gezin weer echt helemaal “thuis” is.

Gelukkig voor hem  zijn de meeste mensen oppervlakkige luisteraars en zij hoorden dus dat het allemaal goed was gegaan.

Klaar.

Nou…

Op het laatste ogenblik, voordat de decentralisaties werden doorgevoerd, is nog besloten om ook de jeugd-GGZ in de beweging mee te nemen.

Jeugd-GGZ gaat over kinderen en jongeren met psychiatrische problematiek. Zij hebben depressieve klachten, zijn psychotisch, suïcidaal, verslaafd aan een gemeen goedje, hebben dwangneigingen of de neiging om zichzelf te beschadigen, kortom, het gaat wel ergens over.

Toch moesten wij, ik werk voor een GGZ-instelling die ook jongeren behandeld, steeds opnieuw aan de ambtenaren van de gemeente uitleggen dat jeugdhulp en jeugd-GGZ twee verschillende gebieden zijn. Niet in de zin van ernstig en minder ernstig, maar wel in de aard van de problematiek. Waar jeugdhulp gaat over vastgelopen jongeren door gebrek aan aandacht, inkomen, mogelijkheden en hierdoor vaak behoefte hebben aan begeleiding, zullen jongeren met psychiatrische problematiek behandeld moeten worden.

En ja, om het nog complexer te maken: het vastlopen van het leven van een jongere kan inderdaad ook uitmonden in psychiatrische problematiek. Omgekeerd kan psychiatrische problematiek ook gepaard gaan met het vastlopen van het leven van een jongere: zie als iemand die bekend is met opnames in een psychiatrisch ziekenhuis, maar eens aan een baantje te komen.

Dit is ook waar: er zijn heel veel jongeren die in de jeugdhulp terecht komen, zonder dat er sprake is van psychiatrische problematiek en er zijn ook jongeren met psychiatrische problematiek die het desondanks op school en in het gezin “gewoon” redden.

Het zit dus gecompliceerd in elkaar en beide gebieden zijn, soms moeizaam, wel van elkaar te onderscheiden, maar niet te scheiden.

Groot probleem was jarenlang dat er dan ook vele tot zeer vele instanties en instellingen zich met deze problematiek bezighielden. En dat er onderling nauwelijks bekend was wie wat deed. Als er al iemand iets deed want het kwam ook voor dat iedereen dacht dat iemand iets deed en dat uiteindelijk niemand iets gedaan bleek te hebben.

Dat heeft doden gekost.

Denk nog maar aan het meisje van Nulde…

Er moest dan ook echt iets gebeuren.

In Nederland betekent dat dat er commissies worden ingesteld en dat er jarenlang diepgravende rapporten worden geschreven.

Het is dus heel goed dat er uiteindelijk een staatssecretaris kwam die zich realiseerde: als ik wil dat er echt iets gebeurt, dan moet dat in zo kort mogelijke tijd tot stand worden gebracht, anders zijn de vier jaar om, komen er verkiezingen en daarmee een nieuwe staatssecretaris die waarschijnlijk zal beginnen om maar weer eens een commissie aan het werk te zetten die de inspanningen van mij gaat evalueren om zo tot beleidsadviezen te komen.

Van Rijn gooide dus zijn kop in zijn nek en gaf gas.

Heel veel gas.

In een jaar tijd was de decentralisatie van de jeugdhulp, jeugd-GGZ en mensen die langdurig zorg nodig hebben een feit.

Dat wil zeggen: de verhuisdozen moeten nog worden uitgepakt…

Gemeentes hebben nu de regie over het beleid en zijn verantwoordelijk voor de zorg van deze jongeren. En wij moeten dus uitleggen dat er verschil is tussen jeugdhulp en jeugd-GGZ.

Om haar nieuwe taken te kunnen uitvoeren, heeft vrijwel iedere gemeente in Nederland inmiddels wijkteams (of sociale teams of buurteams, allemaal variaties op hetzelfde thema) samengesteld: laagdrempelige teams van hulpverleners die de opdracht hebben om de hulp zo dicht mogelijk bij de hulpvrager te organiseren.

Hiermee wordt bedoeld dat men wil voorkomen dat een hulpvraag niet automatisch wordt beantwoordt met een doorverwijzing naar professionele hulp: dat is duur en bovendien, het is beter om eerst aan te sluiten bij de mogelijkheden in de omgeving van de hulpvrager.

Concreet: een jongere meldt zich met problemen op school. Daar kun je direct maatschappelijk werk of een psycholoog op zetten, maar voor hetzelfde, pardon, minder geld is er in de directe omgeving van de jongere bijvoorbeeld een buurvrouw met wie de jongere heel goed contact heeft en die best bereid is om hulp te bieden.

Ik schrijf dit zonder enig cynisme op.

Ik vind het namelijk een erg goed idee dat eerst wordt gezocht naar eigen mogelijkheden, voordat er allerlei professionals op af worden gestuurd.

Maar nu naar die verhuisdozen die moeten worden uitgepakt. Daar komen toch wel bijzondere zaken uit:

Opvallend is dat voor de jeugd-GGZ, jongeren met psychiatrische problematiek, de doorverwijzingen vrijwel uitsluitend door de huisartsen worden afgegeven.

Dus niet door de sociale of de wijkteams van de gemeente…

O, ik vergeet nog te melden dat de gemeentes in deze hele beweging óók nog een flinke bezuiniging moeten opbrengen. Zo is van Rijn, met alle respect, ook wel weer: we vermoeden dat hier een besparing mogelijk is, dus die bezuiniging wordt direct doorgevoerd.

Sociale wijkteams zijn in dienst van de gemeente…huisartsen niet. Beiden mogen verwijzen naar de specialistische psychiatrische zorg.

Dat kan dus een dure grap worden want huisartsen hebben niet zoveel met gemeentelijke budgetten en bezuinigingen die hierin noodzakelijk zijn. Gelukkig niet: zij kijken in de allereerste plaats naar degene die tegenover hen zit en wat hier nodig is.

Of wij, GGZ-instelling, bij een verwijzing door een huisarts, de huisarts niet konden melden dat de cliënt eigenlijk éérst door een wijkteam van de gemeente kon worden gezien, zodat door hen de verwijzing zou kunnen plaatsvinden?

Dat levert twee dingen voor ons op: de betreffende huisarts belt ons nooit meer en bovendien belt hij of zij ter plekke een andere GGZ-instelling om de cliënt onder behandeling te krijgen.

Stel je toch voor: een jongere heeft ernstige klachten: depressief, psychotisch, verslaafd of misschien zelfs een doodswens en de ouders weten, na lang aantobben, de betreffende jongere eindelijk zover te krijgen dat hij of zij zich bij de huisarts meldt. De huisarts beoordeelt vanuit zijn of haar deskundigheid dat er sprake is van psychiatrische problematiek en bovendien dat er echt behandeling moet plaatsvinden…en dan toch die jongere doodleuk melden dat hij of zij eerst nog even naar een gesprek met iemand van de gemeente moet, dan zal die wel beoordelen of een behandeling inderdaad echt wel nodig is…

Ik verzeker je, een welwillende buurvrouw gaat het in zo’n situatie niet redden, tenzij ze psychiater is natuurlijk.

Het zal nog wel even duren voordat we allemaal onze plek in deze nieuwe werkelijkheid hebben gevonden.

donderdag 6 augustus 2015

Mag ik even uitspreken, alstublieft?



Cees Grimbergen leidde gisteravond op televisie een discussie over het onderwerp "de macht van de zorgverzekeraars". De gemoederen liepen natuurlijk hoog op, maar wellicht dat de warme zomeravond hier ook haar aandeel in had.

Het gesprek kwam echter niet goed op gang. Hiervoor waren de verschillende gesprekspartners op voorhand al te vooringenomen met hun eigen standpunt en bovendien was Renske Leijten aanwezig: altijd goed om een uurlang haar politieke dogma bij voortduring naar voren te brengen: de marktwerking in de zorg moet stoppen.

Ik ben geen liefhebber van de marktwerking in de zorg, maar het gemak waarmee Leijten en haar partij alle problemen denkt op te lossen, stuit mij bijzonder tegen de borst.

Naast haar zat een man die werd geduid als "consultant in de zorg". Hij zal wel voor een adviesbureau werken. Zijn centrale stelling was: "Het is in Nederland zo slecht nog niet." Hiermee zou hij enige nuancering in het populisme van zijn buurvrouw moeten brengen, maar hij had een ernstig probleem: het was een hele aardige man die, anders dan de meeste anderen, bereid was om te luisteren en zijn eigen standpunten te nuanceren. Leijten maakte dan ook gehakt van hem. Hij hoefde zijn mond maar open te doen, of ze onderbrak hem, herformuleerde zijn woorden (zodat hij opeens iets heel anders gezegd leek te hebben) of begon weer met haar hamer op het haar zo bekende aambeeld te rammen. Wanneer hij de euvele moed had om iets terug te zeggen, viel ze hem verontwaardigd in de rede: of ze nu eindelijk een keer haar zin mocht afmaken.

Dat mocht ze.

Steeds weer.

Ronduit moedig was Ben Crul, een voormalig huisarts die namens een grote verzekeraar sprak: Achmea (tegenwoordig willen ze weer Zilveren Kruis genoemd worden). Maar ook hij had pech: in de zaal zat een man die het tot zijn levenstaak had gemaakt om juist Achmea van deze aardkloot af te duwen. Hierin enthousiast gesteund door onze vriendin uit de Haagse stolp. Ook de debattechniek van Crul was niet overdadig ontwikkeld, zodat hij bij voortduring ten onder ging in wat mompelend gesputter.

Tenslotte zaten er nog een ervaringsdeskundige en een huisarts. De ervaringsdeskundige bleek uiteindelijk vooral reclame te willen maken voor een bureautje dat ze had opgestart en de huisarts, die had wel wat meer vanuit de praktijk mogen vertellen, maar dat lukte niet erg. Ook haar betoog werd voortdurend overgenomen door Leijten, want, tja, als je de oplossing weet, waarom zou je dan nog luisteren naar anderen: alles wijst immers in de richting van jouw oplossing.

Hierbij bleef ze met een zelfvoldane glimlach in het rond kijken.

Grimbergen kwam er niet goed uit. Hij prikkelde nauwelijks en liet de stroom eenzijdig steeds dezelfde kant opstromen: het populisme vierde hoogtij en de oplossing was zo simpel: stop de marktwerking in de zorg en alles komt goed.

Een belangrijke nuance, die volledig werd gemist in de discussie, is dat er in Nederland sprake is van een gereguleerde marktwerking. Dat wil zeggen: op sommige punten is marktwerking toegestaan, maar de overheid heeft nog altijd een hele dikke vinger in de pap. Het is dus onzinnig om alleen maar naar de zorgverzekeraars te wijzen, als het gaat om de huidige systematiek. De hoogte van de basisbeurs, de inhoud, het is allemaal nog altijd het domein van onze tweede kamer. Het speelveld waarin zorgverzekeraars en zorgaanbieders acteren, is nauwgezet gereguleerd vanuit Den Haag. Dat probeerde Crul een paar keer duidelijk te maken.

Tevergeefs.

Een andere, de decentralisaties, waardoor gemeentes nu verantwoordelijk zijn geworden voor een belangrijk deel van ons zorglandschap, ook dat werd nauwelijks aangestipt. Vooralsnog is het mij voor dit gebied volkomen onduidelijk hoe dit zich gaat ontwikkelen. Duidelijk is dat ook gemeentes stevig inzetten op concurrentie door prijs (er moeten immers enorme bezuinigingen worden gerealiseerd) en dat ook zij momenteel ook nog eens bezig zijn om financiële reserves op te bouwen (ten koste van zorgaanbieders, overigens), maar dat diezelfde gemeentes van zorgaanbieders eisen dat ze intensief met elkaar samenwerken en volop over en weer onderling gegevens uitwisselen. Het is voor mij, eenvoudige zorgboer, niet altijd meer goed te volgen. Maar goed, het viel buiten de scope van de uitzending (die ging immers over zorgverzekeraars), maar boeiend is in ieder geval wel dat gemeentes blijkbaar hetzelfde gedrag aan het ontwikkelen zijn. Met één belangrijk verschil: zorgverzekeraars hebben nog te maken met concurrenten, een gemeente is altijd en per definitie monopolist...

Is dan de oplossing om maar te stoppen met marktwerking?

Zeker is dat de premie van het vroegere ziekenfonds tussen 2002 en 2005 met 110% steeg en dat de premies van de zorgverzekering vanaf haar invoering in 2006 tot en met 2014 slechts met 8,2 % stegen. En dat was nu juist een belangrijke reden om marktwerking te introduceren: de zorgkosten rezen nu eenmaal de pan uit. Dat moest worden beteugeld. Bovendien, de inhoud van het basispakket is in Nederland erg ruim (daar betalen we dan ook voor), hierdoor hoeven we dus, in vergelijking met andere landen, relatief weinig te betalen aan eigen risico en eigen betalingen. Gelukkig, wat mij betreft, is ook in het systeem van de basisbeurs het solidariteitsbeginsel overeind gebleven: we betalen allemaal eenzelfde bedrag, zodat degenen die zo ongelukkig zijn meer getroffen te worden door ziekte e.d. niet veel meer hoeven te betalen dan gelukkigen die gezond zijn.

Dat we de kosten beheersen, komt doordat we van de zorgverzekeraars eisen dat ze scherp inkopen. Ze mogen niet alles voor zoete koek aannemen, wat hen door de aanbieders wordt voorgehouden aan kostprijzen. Ze stellen zaken ter discussie, ze onderzoeken alternatieven en ja, ze gebruiken hiermee hun inkoopmacht om het tij van de nog steeds oplopende zorgkosten te keren...

En daarmee wordt voorkomen dat de zorgpremies voor ons onbetaalbaar zijn.

En mag ik nog even herinneren aan die enorme wachtlijsten waarmee we rond de eeuwwisseling werden geplaagd? Dat is iedereen alweer vergeten....Hoe? Doordat ze domweg grotendeels verdwenen zijn! Hoe? Doordat de zorgverzekeraars op dit punt enorm hebben lopen duwen...

Dat had Crul o.a. volgens mij willen zeggen.

Dus het is allemaal koek en ei?

Natuurlijk niet. Marktwerking heeft als zeer belangrijk nadeel dat het samenwerken tussen zorginstellingen en professionals zoals huisartsen op zijn minst wordt bemoeilijkt. Je bent immers ook concurrenten van elkaar. Gelukkig zitten zorgmensen niet zo in elkaar, dan bedoel ik vooral de mensen die het werk doen: de verpleegkundigen, artsen, fysiotherapeuten: dat volk is gelukkig heel erg genegen om samen te werken en dat zijn ze ook gewoon blijven doen.

Mede door de marktwerking met alle financiële druk die zij met zich meebrengt, zijn er grote zorgmolochen ontstaan. Enorme organisaties die poogden om, door bundeling van krachten, efficiënter te gaan werken, kosten te besparen en reserves op te bouwen. In de praktijk blijkt dat echter gemakkelijker gezegd dan gedaan: het vraagt heel wat van bestuurders om een dergelijk construct levensvatbaar te krijgen en te houden.Gelukkig zie je ook hier dat er zo langzamerhand andere inzichten ontstaan en dat de oplossing van dit probleem niet altijd hoeft te zitten in fuseren. Maar hier moet nog veel gebeuren, inderdaad.

Dat kost tijd.

En ook de financieringsmanieren vragen om een kritische beschouwing, zoals dat afschuwelijke systeem van de thuiszorg, waarbij een onmenselijk strakke indicatiestelling moest leiden tot een besparing in de zorgkosten. Uiteraard, het werkte niet en dankzij Jos de Blok weten we nu ook dat de oplossing niet is om medewerkers tot in het oneindige te controleren, maar juist de professionele ruimte te geven die ze verdienen: dát werkt kostenbesparend. Je hoeft immers niet meer een zwaar en duur controlesysteem in je organisatie overeind te houden.

We zijn er zeker nog niet en er moet nog heel veel gebeuren.

Maar dat we alleen maar op de verkeerde weg zijn....die conclusie kan ik zeker niet trekken.

Fijn dat ik even uit mocht spreken.

woensdag 22 juli 2015

S-M-A-R-T




Ooit was er op de afdeling waar ik als verpleegkundige werkte, een patiënt opgenomen die nogal wat vage klachten had. Omdat het een psychiatrische afdeling in een algemeen ziekenhuis was, liepen de internist en neuroloog niet direct de deur plat, maar op vrijdagmiddag waren ze er: dan werd er een borrel geschonken.

Voor de zekerheid: het is allemaal al vele jaren geleden…

De internist had voor de patiënt met vage klachten onder andere gevraagd om urineonderzoek. Het potje met urine stond klaar om naar het lab te worden gebracht. De dokter zag het potje, draaide de deksel ervan af en hing zijn neus boven de scherp geurende vloeistof. Hij keek bedachtzaam naar het plafond; snoof een paar keer diep en stak vervolgens nog een keer zijn neus in het potje.

“Trichomoniasis.”

Op onze bevreemde blikken vervolgde hij:

“Een SOA…niet perse door onbeschermde sex, maar gezien zijn andere klachten, zou het me niet verbazen als onze vriend iets te uitbundig zijn hormonen achterna is gelopen en nu vooral zielig wil zijn want, tja…”

Wij bleven hem aanstaren.

“O, dat ruiken…dat zien jullie natuurlijk nooit meer. Al die jonge dokters vragen allerlei lab-onderzoeken aan en durven pas een diagnose te stellen als het bloed, de urine, het speeksel door allerlei machines is gehaald en de bestanddelen in partjes zijn ontleed…Ik gebruik mijn eigen zintuigen nog: voelen, ruiken, kijken, luisteren…dat is het handwerk dat ik heb geleerd, maar die kunst zijn we kwijt aan het raken. We hebben pas zekerheid als er een formulier voor onze neus ligt…”

Hij had een punt.

Als ik tegenwoordig naar de garage ga, wordt er ergens op mijn dashboard een computer op de auto aangesloten, die de monteur precies vertelt waar het eventuele probleem zit. Heb ik een klacht die niet op het schermpje zichtbaar wordt, dan zit de monteur met zijn handen in zijn haar. De motorkap wordt voor de diagnose niet meer geopend. De motor wordt niet meer gestart om te luisteren, er wordt niet meer ergens een vettig stripje tevoorschijn getrokken om de vloeistofspiegel van het één of ander te controleren: dat kost allemaal veel teveel tijd.

Nog zo één.

In mijn huidige werk, ook weer in de psychiatrische hulpverlening, hebben zorgverzekeraars, in het kader van de transparantie, bedacht dat het effect van de behandelmethoden meetbaar moet zijn.

SMART.

Specifiek. Meetbaar. Acceptabel. Realistisch. Tijdgebonden.

Dus dat betekent een meting aan het begin van een behandeling. Ergens halverwege en ook nog aan het einde. Een vragenlijst, door de cliënt ingevuld. En dan maar hopen dat het resultaat aangeeft dat er een verbetering van de klachten is ontstaan.

Want we leven in een maakbare samenleving. Ook als het gaat om zielepijn.

En het mag geen cent teveel kosten.

Hierover is nog veel te zeggen, maar daar gaat het mij nu niet om.

Een behandelaar moet dit invullen bewaken. Om hen te faciliteren, zijn er verschillende methoden ontwikkeld voor de behandelaar om te controleren of de cliënt inderdaad een vragenlijst heeft ingevuld.

Dat betekent: computer opstarten; inloggen in het systeem; electronisch dossier van deze cliënt openen en opzoeken of de vragenlijst is ingevuld.

Dat kost tijd.

Die hebben veel behandelaren niet, want tijd is geld: ze moeten vooral produktief zijn.

Vinden wij met ons allen en daardoor de zorgverzekeraars.

Eén van hen belde mij op om zich hierover te beklagen: het kost allemaal veel te veel tijd.

Waarop ik suggereerde:

“Maar je kan het toch ook gewoon aan je cliënt vragen?”

Toen viel er een diepe stilte…

zaterdag 11 juli 2015

Adempauze




Afgelopen week mocht ik mij bij de longarts melden. Een periode van onderzoek was hieraan vooraf gegaan. Het oordeel was al uitgesproken en deze keer zou mij de oplossing voor mijn kwaal worden aangereikt.

Ik wist dat ik geen naalden meer in mijn lijf hoefde te verwachten, of een slang die door mijn neus mijn lijf werd ingeduwd of meer van dit soort ongenoegens, dus ik zat ontspannen mijn beurt af te wachten.

Bij de balie meldde zich een ouder echtpaar. Direct was duidelijk wie de longpatient was: de man liep langzaam en met hoog opgetrokken schouders. Hij concentreerde zich op zijn beweging richting de stoeltjes van de wachtkamer. Zijn vrouw riep al van verre naar een andere wachtende dat het weer zover was. De ander, een man op een leenrolstoel van het ziekenhuis, slangetje door zijn neus en zuurstoftankje naast hem, zwaaide en keek vervolgens naar buiten.

De man plofte naast mij neer. Ik keek nog even in zijn richting, maar een begroeting zat er niet in. De man bleef hoorbaar ademend voor zich uit kijken. Zijn vrouw ging naast hem zitten en mopperde dat het zo druk in de wachtkamer was.

"Het zal wel weer uitlopen..."

Dat vond ik geen prettige boodschap.

Toen kwam Ruud binnen.

"Ha Ruud!", schreeuwde de vrouw tenminste. Ruud ging met een brede grijns naast haar zitten.

"Je moet je nog melden, Ruud"

Maar dat hoefde niet, Ruud was al even bezig in de ziekenhuismolen.

Ruud en het echtpaar bleken elkaar goed te kennen. De man bemoeide zich niet met het gesprek tussen Ruud en zijn vrouw, maar soms lachte hij mee om een grapje van Ruud.

Ruud was een grappenmaker.

En longpatient.

Geleidelijk aan werd mij duidelijk dat ik in een dorp terecht was gekomen: het dorp van de longpatiënten. Ze kenden elkaar allemaal.

Dat wil zeggen: Ruud kende ze allemaal en dat gold ook voor de dame van het echtpaar.

En ze vonden iets van alle longpatiënten.

Joke bijvoorbeeld, die had afgelopen week zo'n electrische rolstoel gekregen.

Dat was schandalig.

Vond Ruud.

Hij had zelf nog gezien hoe ze een week eerder op haar fiets door de stad toerde.

Op de fiets!

De vrouw schudde verontwaardigd haar hoofd. Wat een oplichterij.

Maar ja, Joke.

Dan weet je het toch wel?

Tja.

Peinzend keken ze even voor zich uit.

"Je ziet er overigens goed uit, Ruud. Ben je aan het sporten?"

Dat was Ruud. Drie keer per week.

De vrouw keek misprijzend. Haar man had ook het advies gekregen om zich te melden op een sportschool voor ouderen. Dat was goed voor zijn conditie, zijn longen.

De man keek naar Ruud en wees op zijn borst.

"Gaat niet lekker, hoor....zeker met die warmte"

Nou, daar wist Ruud alles van.

Hoe dan ook, het advies van de longarts was in onvruchtbare bodem gevallen: "Weet je hoeveel dat kost? Dat ga ik echt niet betalen!"

Ruud lachte samenzweerderig. Dat had hij nou precies hetzelfde gedacht toen de longarts hem dat advies gaf.

"Ik heb gewoon gezegd dat ik het geld niet heb....en weet je wat? De dokter schreef een verwijzing en nu sport ik drie keer per week hier in het ziekenhuis bij de fysiotherapie...."

Gratis!

Dat vond de vrouw een goed advies. Haar man keek alweer puffend voor zich uit. Hij zag zich nog niet zo sporten, geloof ik.

Vervolgens kwam de crisis in Griekenland aan bod. Helaas, voordat ze de ultieme oplossing met elkaar hadden gedeeld, werd ik naar binnen geroepen.

dinsdag 26 mei 2015

Ik ben de leugen....







Gister bekeek ik een bijzonder interessante documentaire.


Het betrof een moordzaak waarbij de man die langdurig voor de moord is veroordeeld, mogelijk de moordenaar helemaal niet is geweest.

Er pleitte veel tegen hem:
1) er was een DNA-spoor in zijn auto aangetroffen van het slachtoffer,
2) in zijn auto lag zand dat precies het zand bleek waarin het slachtoffer was begraven,
3) in zijn tuin, thuis, trof men een schep waarop ook weer dit type zand (en wat sterk afweek van het zand dat in zijn tuin werd gevonden).

Op basis van bovenstaande én het gegeven dat het slachtoffer zijn toenmalige vriendin (vaag) kende, was voor de rechter genoeg om de man langdurig het gevang in te sturen.

Er begonnen echter steeds meer feiten naar boven te komen, die de veroordeling twijfelachtig maken. Belangrijkste was wel dat, toen de hele zaak nog eens in een reconstructie werd nagespeeld, het echt onmogelijk leek dat deze verdachte, een tengere man van achter in de vijftig, in zijn eentje het slachtoffer uit zijn auto had getild, door een bos getild (er waren in het hele bos geen sporen te vinden van een sleeppartij) en in dit bos zou hebben begraven. Het slachtoffer was groter en zwaarder dan de beoogde dader. Bovendien begonnen er allerlei twijfels over de doodsoorzaak te ontstaan: de man zou zijn gewurgd. Ook dit leek een onmogelijke opgave voor degene die de moord zou hebben gepleegd. Er was ook geen enkel direct fysiek bewijs dat de man zou zijn gewurgd. Eigenlijk wist men niet zo goed hoe de man was overleden...

Er was in dit hele gebeuren echter één groot probleem.

De beoogde moordenaar bleek een pathologische leugenaar. Hij ontkende in ieder geval de moord, maar hoe het verhaal dan in elkaar zou steken, hierover verzon hij het ene na het andere verhaal. En de verhalen werden steeds grotesker.

Op de één of andere manier moet hij iets te maken hebben gehad met de dode man in het bos, getuige het DNA en de zandkorrels. Dat ontkende hij ook helemaal niet hij gaf de ene na de andere verklaring, die echter steeds opnieuw niet steekhoudend bleek.

Zelfs onderzoekers die, na jaren, twijfels over de veroordeling begonnen te krijgen op basis van bijvoorbeeld de reconstructie, haakten na enige tijd af: de man bleef zijn verhaal maar bijstellen en herformuleren. Het duizelde hen en ze kwamen er niet uit.

Ik ben de leugenaar, sprak de leugenaar en begon hard te lachen...

Zelfs als deze man ooit een keer de waarheid vertelt, zal hij niet meer worden geloofd.

Ondertussen blijft de familie van het slachtoffer met een groeiend vraagteken achter.....dat moeten we ons ook realiseren....