zondag 6 mei 2012

Lettele, een dorp zonder stoplichten, maar genoeg te doen




Afgelopen week kwamen mijn vrouw en ik, na een flinke wandeling, aan in Lettele.

Lettele is een verstild boerendorp midden in Salland. Er komt één bus.

Een streekbus.

Die gaat maar één kant op. Naar Deventer. Geen straf. Deventer is een heerlijke stad. De bus rijdt beperkt. Wij moesten bijna drie kwartier wachten.

We gingen zitten op het bankje van de bushalte. We dronken wat water uit onze veldflessen en aten een appel. We keken om ons heen. Aan de andere kant van de straat waren twee winkels. Een supermarkt en ernaast een winkel die eigenlijk alles verkocht wat de supermarkt niet verkocht.

Een mooie verdeling, lijkt mij.

Zo verkocht de laatste winkel speelhuisjes voor kinderen in de tuin, kantoorartikelen, postzegels, ijzerwaren, gereedschappen en ook nog grote skelters.

De winkelier was voor de winkel met een schroevendraaier bezig een houten speelhuisje te demonteren. De deur van de winkel stond open. Geregeld reed iemand op de fiets, met een trekker of in een auto voorbij. Steeds werd er vriendelijk gezwaaid en soms was er tijd voor een kort praatje.

Van opzij kwam een moeder aanlopen. Ze duwde een buggy waarin een klein meisje. Naast haar reed een jongetje op een klein fietsje en achter haar kwam nog een meisje op zo'n grote skelter. Het meisje was de oudste, een jaar op zes. Het jongetje was niet ouder dan vier en het kind in de buggy kon nog maar net een beetje lopen. Moeder keuvelde met de kinderen. Het was een genoeglijk tafereel. Uiteraard werd de winkelier door moeder, zoonlief en de dochter op de skelter vrolijk begroet. Het was hem duidelijk wat de bedoeling was, hij legde de schroevendraaier weg en kwam naar de ingang van de winkel. De skelter en de fiets werden bij de deur geparkeerd en de hele groep verdween in de winkel.

Het duurde niet zo lang of moeder, buggy met kind, zoon en dochter kwamen weer de winkel uit. De winkelier bleef nog even in de winkel. Wat er precies gebeurde, is mij niet duidelijk, maar zoonlief besloot dat hij niet langer zou fietsen. Moeder, buggy en dochter op de skelter zetten zich in beweging, maar zoon bleef demonstratief bij zijn fiets staan. Moeder keerde om en ging op haar knieën voor haar zoon zitten. Het gesprek bleef voor ons verborgen, maar het effect was dramatisch. Zoon begon hard te huilen en draaide zich boos van zijn moeder weg. Inmiddels was ook de winkelier weer buiten. Wat bedremmeld bekeek hij het tafereel en glipte weer naar zijn klus. Moeder was weer opgestaan en liep langzaam met buggy weg. Dochter op de skelter volgde haar. Ze liepen door tot de bocht bij de hoek van de winkel, maar zoonlief hield vol. Hij bleef hardnekkig staan. Het groepje draaide zich weer om. Moeder begon opnieuw rustig op haar zoon in te praten. Dit keer was haar toon of haar verhaal effectiever. Na enig dralen en simmen besloot zoon dat het genoeg was geweest. Hij stapte op zijn fiets en moeder duwde hem een stukje vooruit. Dat ging niet erg handig, maar na enige meters begon de jongen zelf te fietsen.

De dochter op de skelter volgde het groepje, maar besloot na enige meters dat haar tijd was gekomen. Ze maakte luid duidelijk dat het skelteren haar niet meer lukte. Ze kwam tot stilstand, sloeg haar armen over elkaar en bleef broeierig voor zich uit kijken. Moeder negeerde haar dochter en liep langzaam met buggy en zoon op de fiets weg. Het groepje verdween om de hoek van de straat. Dochter bleef alleen achter. Ze besloot al snel dat het genoeg was geweest. Ze stapte van haar skelter af en liep vlug achter haar moeder aan.

Toen was het even rustig in de straat.

De winkelier zag de skelter onbewaakt op de stoep staan. Hij pakte het geval en zette hem voor de winkel.

Van om de hoek werd het huilen na enige minuten hoorbaar. Daar kwam de dochter met boos misbaar weer om de hoek. Ze liep stampend naar de winkel en pakte haar skelter. Ze ging er op zitten en riep nog een keer in de ruimte dat ze niet meer wist hoe de skelter werkte. Om dit te demonstreren, draaide ze ongelukkig met haar benen, zodanig dat de trappers geen beweging meer maakten.

Na enige tijd kwam moeder weer de hoek omzetten, met buggy en met zoonlief op de fiets. Ze liep rustig op haar dochter af en ging naast haar staan. Ze bleef strak voor zich uitkijken, maar vertoonde verder geen spoor van ongeduld of woede. Ze wachtte rustig tot haar dochter stopte met huilen.

Inmiddels kwam een vrouw uit het dorp op haar fiets voorbij. Ze constateerde gelaten dat de moeder nog niet erg was opgeschoten. De vrouwen begonnen een praatje. Inmiddels was ook de zoon weer van zijn fiets afgestapt. Hij keek zijn zusje aan. Zij negeerde hem volkomen. Ze bleef onmachtig met haar voeten wilde toeren uithalen. Zoonlief ging achter zijn zusje staan en begon haar te duwen. De skelter zette zich in beweging. De groep kwam weer op gang, moeder met buggy, zoonlief achter de skelter en dochter erop. Het fietsje van de zoon bleef deze keer staan.

Het probleem van de fiets drong nog voor de hoek van de straat tot de zoon door. Hij stopte abrupt met duwen en liep terug naar de winkel. Moeder was alweer de hoek om. De skelter kwam tot stilstand.

Alles in het dorp leek even tot stilstand te komen. De vogels hielden op met fluiten, de winkelier stopte met het demonteren van het speelhuisje, de zoon keek aarzelend achterom.

Het wonder geschiedde....het meisje zette de skelter in beweging en verdween om de hoek. Zoonlief sprong op zijn fietsje en volgde zijn zus en zijn moeder.

Waarmee ik maar wil zeggen, lieve lezers....je hoeft echt niet helemaal naar Almelo om iets te beleven.


vrijdag 6 april 2012

Een andere wereld.



De dame van de ANWB meldde mij vanmorgen dat bij de Duitse grensposten opstoppingen waren omdat de Duitse politie controles uitvoerde. Het is vandaag in Duitsland een feestdag. Dan mogen er op de Duitse wegen geen vrachtauto's rijden.

Goede vrijdag.

Ik heb nooit goed begrepen hoe het jaarlijks herdenken van een moord, als feestdag kan gelden. Ook de naam Goede vrijdag komt op mij in dit kader tamelijk bizar over. Maar daar gaat het mij nu niet om.

Het gaat me om dit beeld. Duitse politieagenten die auto's aanhouden en onderzoekend door het raampje naar binnen staren.

"Sind Sie ein Lastkrafwagen??"

Een zwetende vader (je kan nooit weten), een sikkeneurig kijkende moeder (het was zijn idee dit ritje en nu alweer uren in de file) en joelende kinderen op de achterbank.

Ik moest vanmorgen voor een bestuursvergadering richting de Noordzeekust. Ik begrijp nu waarom ik achter elkaar werd ingehaald door Duitse auto's waarvan de inzittenden enorm plezier met elkaar hadden.

Nog even los van alle vrachtauto's op de weg. Wij maken er geen feestje van. Wij werken gewoon door.

Nederlanders en Duitsers, het blijven twee werelden die elkaar maar moeizaam begrijpen.

Gister bezocht ik, voor mijn huidige opdrachtgever, enkele verzorgingshuizen. De ene stond in Laren, de volgende in Blaricum. Het Gooi.

Toch een compleet andere wereld dan de mij bekende biotoop, de Randstad. Huizen hebben in het Gooi, zeker in het stuk tussen Laren en Blaricum, de omvang van een klein appartementencomplex in de Randstad. Het zijn paleizen. Een tuin hier is in deze omvang in de Randstad een park. Kortom, alles is groter. De bomen zijn hoger, de struiken voller. Mannen lopen in zwierige, lichtgekleurde linnen zomerkostuums en dragen hun Gucci zonnebrillen. Alhoewel, lopen. Het is een pas die wij in de Randstad niet zo goed kennen. Een soort combinatie van zelfverzekerdheid en nonchalance. Niet het haastige, doelgerichte wat ik gewend ben.

Waarschijnlijk hebben ze hun doel al bereikt.

Dames zie ik in twee dominante groepen:  de ene groep verschijnt pas rond een uur of 11 op straat. Dan hebben ze hun haar, make up en hun modieuze kleding voldoende op orde. Ze hebben een duidelijk doel: shoppen. Dat doen ze met overgave.

De andere groep lijkt geheel anders: laarzen aan, haar in een staartje, waxjas tot over de knieën. Altijd in gezelschap van een hond of een paard. Zij gaan niet shoppen, zij brengen  de dag in het bos door. Of in de tuin.

Toch is er een belangrijke overeenkomst: de dames van beide groepen hebben een helder beeld van zichzelf en wie ze willen zijn. En de dames uit de ene groep lijken dus allemaal op elkaar, net zo goed als dat de dames van de andere groep onderling elkaars evenbeeld kunnen zijn.

Dergelijke, tot niets leidende gedachten, schoten door mijn hoofd tijdens mijn ritje naar het volgende adres.

Na mijn afspraak verliet ik weer het pand. Pal voor de ingang stond een bakbeest van een auto. Een soort Jeep. Hoog en groot. Donkere ramen. De motor draaide zacht grommend.

Toen ik met veel moeite om al dat zwarte, glimmende blik was heengekropen, ik moest hierbij door de perkplantjes lopen, keek ik wat bozig bij de bestuurder naar binnen.

Een, zo te zien, stokoude dame. Breekbaar en met grijs, dun haar. Ze keek niet op of om.

Inderdaad, een andere wereld.

vrijdag 30 maart 2012

Een bejaardenhuis in 1967



In de zorginstelling waar ik momenteel werk, werd gister afscheid genomen. Afscheid van een dame op de administratie. Ze ging met pensioen.

Afscheid nemen kunnen we goed in de zorg. Het hele gebouw hing vol met de foto van deze dame. De personeelskantine werd versierd met ballonnen en slingers. Een buffet werd voorbereid. Al dagen waren collega's in de weer met een herinneringsboek. Toen de receptie begon, waren alle kantoren leeg. 

Ze had 45 jaar in deze organisatie gewerkt.

Daar wordt u wel even stil van.

Ik ook.

Ze was in 1967 als 20-jarige, administratief medewerkster in dienst gekomen in één van de verzorgingshuizen van deze zorginstelling.

Dat was toen natuurlijk nog een eigenstandige organisatie. Met een eigen directeur. Met een facilitaire man. Misschien iemand voor personeelszaken. En dus die dame voor de administratie.

Een Raad van Bestuur bestond toen nog niet. Wel een bestuur. Meestal enkele notabelen uit het dorp of uit de kerk. Zij bestierden de stichting en de door haar gestelde doelstellingen.

Een overzichtelijke wereld.

De directeur kende iedere bewoner bij naam. Iedere verzorgende, toen nog bejaardenhulpen, de kok, de receptioniste. Hij noemde je vriendelijk bij je voornaam, maar je moest het niet wagen de directeur bij zijn of haar voornaam te noemen. Dat was mijnheer of mevrouw. Een autoriteit.

Natuurlijk ging iedere directeur daar op zijn eigen wijze mee om. Maar hij (of zij) was wel de baas.

Tenzij de huisarts sprak. Of de notabele uit het bestuur. Of de dominee. Of de burgemeester. De wereld was gevuld met autoriteiten. Dat botste zelden. Daar waren de beroemde achterkamertjes voor bedoeld. Daar had je als gewone sterveling niets te zoeken.

Je keek wel uit.

In die tijd was het heel normaal om je, voor je pensionering, alvast in te schrijven voor het bejaardenhuis. Zo kon je, meestal niet lang na je pensioen, verhuizen. En verdween je in een klein kamertje of, als je geluk had, had je twee kamertjes. En kon je deelnemen aan de kaartavondjes met je medebejaarden. Of met elkaar koffie drinken in de conversatieruimte. Een enkele keer kwam Willy Alberti of Johnny Jordaan zingen. En bij het begin van de lente met het hele bejaardenhuis met de bus naar de Keukenhof.

Bejaarden in het bejaardenhuis waren, over het algemeen, gezonde ouderen. Dat wil zeggen: mensen werden toen wel vroeger oud. Mensen van 65 waren echt bejaard. Werd je 75, dat was in die tijd stokoud. Men ging ook eerder dood.

Bij ons achter, in Castricum, was een gloednieuw bejaardenhuis gebouwd. Een wereld apart. Je zag er nooit iemand. Iedereen zat binnen. Stiekum het terrein opsluipen met vriendjes was erg spannend: we werden onverbiddelijk weggejaagd als we werden betrapt. Het was het domein van de bejaarden. Of beter: het terrein van de tuinman en de receptioniste van het bejaardenhuis, want zoveel hadden de bewoners volgens mij niet te zeggen. Die vonden het wel best, spelende kinderen in de tuin.

Nu, na 45 jaar, werkte de dame waar ik mij verhaal mee begon, op het hoofdkantoor van de zorginstelling. Bejaardenhuizen zijn verzorgingshuizen en verpleeghuizen geworden. Bewoners hebben een indicatie nodig, wat meestal betekent dat de ouderdom die met de nodige gebreken komt, teveel gebreken heeft gebracht, zodat het thuis niet meer lukt. Vaak moet je een echtgenoot of echtgenote achterlaten als deze nog gezond is: die krijgt immers geen indicatie.

De directeur van het huis is een manager geworden. Die manager heeft veelal weer een directeur als baas en ook deze directeuren hebben weer bazen: de raad van bestuur. De dame van de administratie is een hele afdeling met verschillende administraties geworden, bovendien zijn er controllers toegevoegd. De dame voor personeelszaken, in 1967 vaak een secretaresse van de directeur, is nu een afdeling HRM geworden, compleet met opleidingsfunctionarissen. En zo zijn er op een hoofdkantoor nog veel meer gespecialiseerde stafafdelingen gekomen, waar men in 1967 nog niet eens van had gehoord: ICT, marketing, communicatie, bouw, opnamefunctionarissen.

Ik vroeg deze dame hoe ze die 45 jaar had ervaren.

"Het is voorbij gevlogen. Nooit ben ik met tegenzin naar mijn werk gegaan."

Of ze nog wel eens verlangde naar die jaren zestig.

"Ben je gek, al die mannetjes..."

Een kanjer.

maandag 26 maart 2012

De Goudse geest



Enige tijd terug zag ik op een, volgens mij, commerciële zender een uitzending voor ondernemers. Ik ben ZZP'er en daarmee officieel ondernemer, bovendien ingeschreven bij de kamer van koophandel, dus mijn status is wel duidelijk. Ik bleef kijken want ik hoorde eindelijk een keer bij de doelgroep.

Het was een warrig programma. Een oud-wethouder uit Den Haag, Frits Huffnagel, sprong jolig op en neer voor de camera. Stelde een vraag waarbij het antwoord voor hem blijkbaar niet zo relevant was en riep regelmatig positief bedoelde kreten.

Ik werd een beetje moe van die man.

Zoveel opgewektheid, maar het hoort blijkbaar bij de huidige televisiecultuur. Soms zie ik een zaal vol met opgewekte, elkaar enorm vermakende, rondhossende, gillende en zich-op-de-dijen-kletsende menigten, aangevoerd door wat dan bekende nederlanders zijn (ik ken ze meestal niet). Die vormen het topje van de ijsberg van jolijt en gevatheid. Ik hou dat niet vol, waarde lezer. Na enige minuten lachen, gieren, brullen, lig ik, naar adem happend op de grond.

Het is teveel. Het is teveel.

Maar goed.

Huffnagel trok Gouda in. Dat deed hij met de lokale volkswagendealer. Op de vraag wat Gouwenaren (hiermee werden mensen uit Gouda bedoeld) voor mensen zijn, volgde een popi-jopi-positief bedoeld antwoord door de lokale ondernemer: allemaal hardwerkende, leuke mensen.

Tja, massaal RTL-4 publiek.

De vraag werd herhaald bij een ondernemer die al generaties lang gehoortoestellen op de lokale markt brengt. Hij had er duidelijk beter over nagedacht. Mensen uit Gouda zijn mensen die niet onmiddellijk ieder initiatief ondersteunen. Ze zijn afwachtend, conservatief en houden niet van teveel poespas.

Duidelijk géén RTL-4 publiek.

Ik raakte in verwarring over al deze tegenstrijdigheden, maar niet onze Frits. Die huppelde gewoon door en vond het allemaal geweldig.

Hij kreeg ook de burgemeester te spreken. Onze burgemeester gaat binnenkort vertrekken. Het is niet een man die de harten van de mensen in Gouda gestolen heeft. Een bestuurder op afstand. Ook hij gaf zijn visie op de Gouwenaar:

"Een beetje chagrijnige mensen..."

Hij zei het echt. Onze burgemeester. Na ruim 10 jaar burgemeesterschap, was dit de meest indringende analyse die hij van de bevolking van zijn stad kon geven: chagrijnige mensen. Wel betrokken, haastte hij zich om toe te voegen, maar chagrijnig.

Ook hier huppelde Frits vrolijk overheen.

Enkele weken geleden woonde ik een vergadering bij waarin allerlei vertegenwoordigers uit de Goudse samenleving. In de voorstelronde kwam op enig moment een jonge man aan het woord:

"Ik ben Achmed el Amrani....geboren en getogen in Gouda."

Hij maakte zich zorgen, zorgen om zijn stad. Hij zag hoe tegenstellingen werden verscherpt. Hij zag hoe bevolkingsgroepen tegen elkaar uit werden gespeeld.

Duidelijk geen RTL-4 publiek.

En ook Huffnagel was in geen velden of wegen te zien.

zondag 25 maart 2012

Soms even stilstaan...



Ik ben een kind van de vrede.

Oorlog is een onderwerp van het nieuws, een artikel in de krant en soms, niet te vaak, onderwerp van gesprek bij het koffie-apparaat. Dichterbij is ze nooit gekomen.

O ja, ooit, ik ging nog met vakantie met mijn ouders, zagen we in een Iers stadje een klein oploopje tijdens een jaarmarkt. Nieuwsgierig mengden we ons met de Ieren voor het monumentale pand. We hadden het idee dat de burgemeester een toespraak zou gaan houden. Niet erg spannend, maar het geeft wel aan hoe levendig zo'n jaarmarkt is. Je bent al snel tevreden. Zo stonden we minutenlang te wachten. Er gebeurde niets. Teleurgesteld dropen we weer af.

De volgende ochtend las mijn vader in de krant dat het oploopje was veroorzaakt door een bommelding en de vondst van een bom in het pand. De strijd in Noord Ierland trok sporadisch haar sporen in de Ierse republiek. Als deze bom inderdaad was ontploft, was het direct een flink spoor geweest: het had er zwart gestaan van de mensen. Inclusief mijn ouders, mijn broer en zus en ik.

Een andere keer, ik weet eerlijk gezegd niet meer of het dezelfde vakantie is geweest (mijn ouders gingen jaren achtereen met vakantie naar de Ierse republiek), reden we op een weg die kaarsrecht de Noord Ierse grens naderde. Pal voor de grens zou de weg afbuigen naar het plaatsje aan de kust. Terwijl we de grens naderden, zagen we een wachttoren groter en groter worden. Boven in de toren was een mitrailleur geplaatst. Deze volgde nauwgezet de bewegingen van onze auto. Toen was zelfs gezin Zwart voor enige minuten stil.

Maar dichterbij is de oorlog in mijn leven nooit gekomen.

Dienstplicht is aan mij voorbij gegaan. Laat staan uitgezonden worden naar gebieden als Libanon, Bosnië, Irak of Afghanistan. Als overtuigd pacifist, wat ik nog steeds geen verkeerde overtuiging vind, kondigde ik bij de keuringsambtenaar aan dat ik zou gaan weigeren. Hij keek me glimlachend aan, oordeelde over mijn weinig atletische gestalte en enkele weken later viel zijn oordeel door de brievenbus: ik was uitgeloot. Geen idee waarom want werkelijk iedere vriend en schoolkameraad in mijn omgeving werd onverbiddelijk opgeroepen.

Nooit heb ik hoeven smeken om onderdak. Als je tenminste die keer niet meerekent dat een onuitstaanbare Duitse campingbaas onze camper weigerde: in plaats van één, hadden we twee honden aan boord. Tja, regels... Het kon hem niet zoveel schelen dat het tegen de avond liep en dat we ook kinderen aan boord hadden. Sterker, hij vond me geen blik meer waardig. Maar goed, we hadden een camper en onze grootste ellende bestond eruit dat we nog een uur verder moesten rijden. Dat is te overzien.

Nooit heb ik honger geleden. Of je moet die keer willen meerekenen dat mijn vrouw en ik ons hadden vergist in een wandelafstand en we onderweg nergens een eetgelegenheid vonden. Dat leverde wel een zeldzaam hongergevoel op, maar zelfs dat was een honger in de overtuiging dat het binnen afzienbare tijd zou zijn opgelost. No big deal.

Ik zit nu in de tuin. De zon schijnt. Het prille groen loopt uit: bomen, struiken, de eerste bloemen. Een zacht briesje fluistert beloftes van zon en leven. Ergens zit een groot gezelschap in een tuin. Ze hebben plezier. Soms kijk ik naar de lucht met geen enkele andere reden om te zien of de bewolking wegblijft.

Ze blijft voorlopig weg.

Ik ben een kind van de vrede.

woensdag 21 maart 2012

Toilet



Soms, waarde lezer, overkomen je de gekste dingen.

Raadselachtig.

Bizar.

Zoals vandaag.

Ik had een toiletblok opgezocht en had plaats genomen in een van de twee toiletruimtes. Deur op slot. Uiteraard.

Wees gerust. Mijn aanwezigheid daar zal ik niet verder duiden. Het gaat u niet aan.

Op enig moment hoor ik de deur van het toiletblok zich openen. Iemand komt dus binnen. Voelt aan de deur van het toilet waar ik zit. Deur op slot. De betreffende, voor mij onzichtbare, neemt de deur van het tweede toilet.

Tot zover niets om over naar huis te schrijven. Laat staan om er een blog aan te wijden. Maar dan.

De persoon in het andere toilet is snel klaar. Ik hoor het toilet doortrekken en de deur naast mijn toilet zich openen.

...en vervolgens voelt dezelfde persoon opnieuw aan de deur van het toilet waar ik in zit...

Nog steeds op slot.

Uiteraard.

De persoon verlaat de toiletruimte.

Zonder de handen te wassen.

En ik zit vanaf dat ogenblik met een hoofd vol vraagtekens...

Wat bezielt iemand om, na de toiletgang, opnieuw aan een deur te trekken waarvan hij enkele minuten eerder had geconstateerd dat deze op slot zit? Een tic? Een onbedwingbare nieuwsgierigheid? Een pervers trekje? Waarom zou je, na de toiletgang, opnieuw een deur van een toilet openen? Inderdaad, een compleet raadsel.

Ook onbevredigend. Ik heb geen idee wie die persoon is geweest...

Hij handelde geluidloos. Dus geen stemgeluid waar ik naar op zoek kon. Geen bijzondere tred, een klakkende hiel of kreunend leer. Niets. Volstrekt anoniem.

Of bevond zich nog iemand in de voorruimte en moest er iets gedeeld worden wat niemand anders mocht horen? Zodat, voor de zekerheid, even aan de toiletdeuren werd getrokken om te controleren dat er geen willoze oren zouden meeluisteren?

Onzin, ik had niemand gehoord die ook de ruimte was binnengekomen. De deur naar het toiletblok is een zware deur, met dranger. Die hoor je. Zeker als je in de stilte zit.

Of stond iemand buiten het toiletblok te wachten op een seintje:"Kom maar, er is niemand..."

Dat zou nog kunnen.

Maar dat vind ik wel ver gaan.

En toch had iemand twee keer aan mijn deur getrokken. Vóór en ná zijn toiletbezoek.

Ik kom er niet uit.

Bizar.

zaterdag 17 maart 2012

Meester van Vliet




De lagere school doorliep ik eind jaren zestig, begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Het was de tijd van democratisering en inspraak. Jongeren sliepen op de dam en beleefden hun happening rond het Lieverdje. Ik leefde in een dorp onder de rook van Amsterdam, Castricum. Het tumult van de grote stad ging aan ons voorbij.

Toch moet ik op een vooruitstrevende school hebben gezeten.

In de zesde klas kregen we "staatskunde" van meester van Vliet.

Hij leerde ons debatteren. Hij leerde ons hoe politiek in elkaar zat. Dat deed hij door ons de opdracht te geven om zelf een politieke partij op te richten. We moesten met onze zelf opgerichte partijen onderling de strijd om de kiezer, de andere leerlingen van de school, aangaan.

Ik richtte de MOEM op. Meer Orde en Mogelijkheden. Dat van die orde begrijp ik nog steeds niet goed, de mogelijkheden vonden we veel interessanter. Met een aantal vriendjes begonnen we de partij vorm te geven. Met alles wat hierbij hoort: enthousiasme, onderlinge strijd, er ontstond zelfs een scheuring in de partij.

Toen we al een aantal keren massaal, onze partijleden kwamen uit verschillende klassen van de school, te laat in de les verschenen waren, werden we bij de hoofdmeester, meester Koster, ter verantwoording geroepen. Wat we eigenlijk precies met orde bedoelden. Dat was inderdaad een zwak punt in onze doelstellingen, we wisten het niet precies. Hij stelde voor dat we dan maar zouden beginnen om in ieder geval zelf op tijd in de les te komen. Het was een lastig onderdeel van ons partijprogramma.

We hielden vurige toespraken op het schoolplein. We maakten foldertjes en verspreidden die over de leerlingen. We gingen de klassen af. In de aula werd een debat georganiseerd.

Ik heb geen idee meer wat onze programmapunten waren. Wel herinner ik me een discussie over de tekst van de folder. Ik had hierin een rijtje eisen opgenomen. Dat vonden mijn medepartijgenoten te scherp uitgedrukt. Dat zou wel eens verkeerd kunnen vallen bij de meesters en juffen. Eisen werden wensen.

We wonnen de verkiezingen. Daardoor mochten wij de meeste leerlingen in het leerlingenparlement aanleveren.

Hierna wordt het vaag. Ik kan me tenminste niet herinneren dat we ooit een bijeenkomst met dit parlement hebben gehad.

We zaten ook in de zesde klas en dat laatste jaar vloog voorbij.

In 1974 was het voorbij. Ik verliet met mijn ouders en broer en zus dat jaar Castricum. We verhuisden naar Gouda, voor ons toen een grote stad. Abba won het eurosong festival, in Portugal begon de Anjerrevolutie, de palestijnen en de PLO werden steeds actiever, Turkeije viel Cyprus binnen, Nixon trad af door het Watergateschandaal, van Kooten en de Bie begonnen de uitzendingen van het Simplistisch Verbond. Dat ging allemaal toen volkomen langs mij heen.

Het zou weer jaren duren voordat ik geïnteresseerd raakte in politiek en de wereld om mij heen.

Maar meester van Vliet heeft mij geleerd hoe het allemaal werkt, de politieke partijen. Inclusief de strijd en de scheuringen.