dinsdag 22 mei 2012

Alle man van Neerlands stam...

Stadhouder Willem V ligt tegen zijn rijkdommen, volgevreten en omringt door dames die hij heeft bezwangerd....een spotprent uit de Bataafse tijd


Ik begrijp dat iedereen zijn geld moet verdienen. Daarom geen woord van afkeuring over een Bart Chabot die voor één of ander ICT-bedrijf reclame maakt.

De tekst is banaal, voor de hand liggend en schreeuwerig populistisch. Het bedrijf, waarvan ik de naam alweer vergeten ben, is sponsor van Oranje tijdens het komende EK-voetballen.

Moeten ze zelf weten.

En laat Chabot de boodschap de ether in knallen. Dat is hem wel toevertrouwd.

Toch een opmerking over de tekst.

Die kan echt niet.

Die slaat h-e-l-e-m-a-a-l nergens op.

Hij roept zoiets als dat wij, als echte Bataven, achter Oranje staan...

Voelt u hem?

Batavieren die achter Oranje staan?

Dat is zoiets als Al Qaida die achter Obama gaat staan...of een dominee Paisley die buigt voor Paus Johannes Paulus...Mark Rutte die minister wordt in het kabinet Wilders...

Voor echte Batavieren vertegenwoordigen de Oranjes niets minder als het Beest. Een oude verwijzing naar de duivel. Stadhouder Willem V werd door hen "het zwijn" genoemd. Een liedje van de Bataven:

"Al zit gij op den troon verheven
Gij zijt toch voor geen Blikzems vrij
Een blikzemstraal kan u doen sneeven
Om uw gevloekte Dwingelandij"

Die "z" in bliksem kan ik niet veel aan doen: zo werd het woord nu eenmaal in die tijd geschreven.

We spreken over het eind van de 18e eeuw. Nederland had bijna de Oranjes verdreven in een ware volksopstand. Alleen dankzij het feit dat Willem V was getrouwd met een Pruisische prinses, een nichtje van de machtige Frederik de Grote en die met zijn Pruisische legers zijn nichtje te hulp schoot, werd het vege lijf van de Oranjes gered. Willem V, niet zo'n held, had zijn koffers al gepakt. Hij had het allang gezien. Maar, ook hier weer, die Pruisische dame die hem tegenhield.

We kunnen het ons bijna niet meer voorstellen, maar de Oranjes hebben altijd op gespannen voet met het Nederlandse volk geleefd. In ieder geval zo ongeveer tot er een klein prinsesje werd geboren en haar moeder, Emma, enige tijd als regentes optrad. Dat prinsesje, Wilhelmina, veroverde weer op heel eigen wijze de harten van veel Nederlanders. Het waren ook hier weer de vrouwen die de dynastie hebben gered.

De Oranjes hebben inmiddels het pleit gewonnen. Nederland wordt regelmatig helemaal oranje: huiskamers, huizen en zelfs complete straten. Oranje wordt nu geassocieerd met een massaal gevoel van eendracht en warmte, van overwinning en ga zo maar door.

Het gaat aan mij voorbij.

Het laat mij enigszins onverschillig.

Maar Bataven die achter Oranje gaan staan?

De Lange van Wijngaarden, van Pallant tot Zuthem, van der Capellen, van Hogendorp, van Hoey en vele anderen, ze draaien zich alsnog om in hun graf.

Als echte Bataven.

maandag 21 mei 2012

Waarom ik geen president van Amerika kan worden.



Alhoewel het zeker twee jaar geleden was dat ik me voor het laatst had gemeld, was er nog niets veranderd. Althans, in zoverre mijn oppervlakkige waarneming dit kon vaststellen. De boekjes op tafel waren oud en vooral bedoeld voor kleine kinderen. De tijdschriften van de leesmap lagen keurig op een flinke stapel, ongelezen. In de wachtkamer zaten al twee dames. Ze keken beiden naar een punt op de horizon. Beiden hadden een ander punt voor ogen. Ze beantwoorden mijn groet verstrooid.
Ik moest nog even wachten. Ik was 11 minuten te vroeg voor mijn afspraak. Ik wist dat ik exact die 11 minuten moest wachten.

Mijn tandarts is een man van de klok.

Er was toch iets veranderd in die twee jaar. Niet de tandarts zelf, maar zijn assistente kwam de volgende patiënt naar binnen roepen. De dame naast mij stond op. Ik gokte er op dat ik de volgende zou zijn. Dat betekende dat de dame links van mij niet voor een controle, maar voor een behandeling kwam. Die werden altijd pas na de controleklanten ingeboekt. Ze had inmiddels een tijdschrift gepakt en zat hier nerveus in te bladeren. Ik keek op mijn horloge. Nog 3 minuten.

Na twee minuten kwam de dame die mij was voorgegaan, weer de behandelkamer uitlopen. Zonder te groeten of op of om te kijken, verdween ze uit het pand. De deur was nog maar net in het slot gevallen, toen de assistente mij kwam roepen. Het was hem opnieuw gelukt, op de seconde af op de afgesproken tijd.

Ik ken mijn tandarts al 36 jaar. Nadat ik met mijn ouders naar Gouda was verhuisd, was het even zoeken naar een goede tandarts. Na 2 jaar omzwervingen, Gouda liep in die tijd vol met nieuwe bewoners door de oplevering van de grootste, naoorlogse stadsuitbreiding, Bloemendaal, vonden we dan Hamilton. Een jonge tandarts die, samen met een collega, een praktijk in de Korte Akkeren was begonnen. Sindsdien ben ik hem trouw gebleven. En hij mij.

Ik ben nog van voor de tijd dat ook gebitten onderworpen waren aan dwingende maatschappelijke normen. Mijn tanden stonden scheef en dat werd eigenlijk nergens een probleem gevonden. Ja, mijn bovenkaak is aan de smalle kant. Dat lost een gebit simpel op: tanden komen dwars te staan of schuiven wat langs elkaar heen. Hamilton zag wel problemen ontstaan op de langere termijn en stuurde me naar een orthondontist, ergens bij de Laurenskerk in Rotterdam. Deze man paste mij een beugel aan. Zo'n geval waar twee roze helften (die op je gehemelte schoven) verbonden door een soort schroefconstructie, steeds verder van elkaar werden geduwd. Voorlangs liep een ijzerdraad die de tanden in de juiste richting moesten dwingen. Wekelijks moest ik met mijn moeder naar deze man en zijn werk bestond er uit dat hij de twee roze helften door het aandraaien van een schroefje, weer een slag verder van elkaar deed verwijderen. Hierna perste hij het geheel weer in mijn mond. Dat deed verrekte zeer. Nog voor we in de auto zaten, had ik de beugel stiekum alweer uit mijn mond verwijderd. Deze ging pas weer in als we naar de orthodontist moesten.

Het is dus niets geworden. Mijn tanden staan scheef en schuiven langs elkaar. Ik heb begrepen dat ik daarom geen president van Amerika kan worden. Of filmster. Of iets anders beroemds voor de camera. Want wij houden niet van scheve tanden.

Ik kan er mee leven.

Alhoewel ik nooit goed weet wie "wij" zijn.

Mijn tandarts verricht de handelingen die hij altijd verricht. Nieuw is dat er iedere keer een röntgenfoto wordt genomen. Die bekijken we vervolgens samen op een computerscherm. En hij stelt vast dat het allemaal nog keurig in orde is.

En ik bedank hem. Ik roep hem toe: "tot de volgende keer", en stap weer naar buiten.

Precies10 minuten nadat ik op de behandelstoel ben gaan liggen.

vrijdag 18 mei 2012

Een Goddelijk lijf



In mijn, inmiddels decennialange worsteling met mijn gewicht, wordt dit weekeinde een nieuwe fase ingeluid.

Maar laat ik eerst iets vertellen over de worsteling.

In lang vervlogen tijden was ik niet meer dan een gratenpakhuis. Je kon mijn ribben tellen. Een lantaarnpaal was voor mij voldoende om me aan het oog van de wereld te onttrekken. Wanneer ik met vrienden Amsterdam in liep, werd ik binnen enkele minuten besprongen door duistere types die me sissend "stuff" aanboden.

Dit beeld veranderde in mijn twintiger jaren. Dat waren jaren van enorme veranderingen. Mij bekwam de huwelijkse staat, ik werd vader en ik maakte carrière. Ongeveer ook in deze volgorde. Welke van de drie nu eigenlijk voor al die extra kilo's zorgde, het is mij niet bekend. Ze zullen er alle drie mee te maken hebben gehad. In vrijgevochten toestand stelden mijn maaltijden niets voor. Als ik erg geïnspireerd was, bakte ik enkele braadworsten in een pannetje en deed deze op brood. Verder gingen mijn kookkunsten niet. Na mijn huwelijk kreeg ik opeens én regelmatig én genoeg te eten. Tegelijkertijd betekende mijn opwaartse gang op de ladder die carrière heet, óók dat ik steeds minder ging bewegen: mijn werk verplaatste zich zover van onze woning, dat ik voortaan met de auto heen en weer ging reizen. Op mijn werk nam ik plaats achter een bureau, waarop een PC, vanwaar ik de besturing van de organisatie grotendeels uitvoerde. Regelmatig verplaatste ik mij naar een vergadertafel op mijn kamer of ergens in het pand, maar daarmee hadden we de belangrijkste dagelijkse lichaamsbeweging wel gehad. Mijn, al in mijn jeugd begonnen opbouw van grote aversie tegen alles wat met sport te maken heeft, hielp natuurlijk niet erg mee als mogelijk tegengewicht (hoe prachtig komen woorden soms op hun plek) in de zich ontwikkelende disbalans.

Erik werd dik.

Niet dat ik hier heel erg mee zat. Grote ijdelheid omtrent mijn lichaam is mij altijd al vreemd geweest. Niet dat het mij in het geheel niet interesseert hoe of ik eruit zie, maar de grens dat er een rommelend gevoel van ontevredenheid over mijn uiterlijk begint, ligt veel verder dan bij een beginnend buikje. Dat buikje wist zich dus aanmerkelijk te ontwikkelen. Ik werd dikker, so what, en bovendien, de neiging tot uitbollen is familiair geen vreemd verschijnsel, dus het leek zelfs wel te kloppen allemaal.

Tot zover geen sprake van een worsteling. Maatschappelijk werd en wordt de dikken en voloptueuzen onder ons vrijwel permanent geprobeerd een minderwaardigheidscomplex aan te praten. De norm voor mannen is tot op hoge leeftijd blijkbaar een "sixpack" op de buik en het ideale lichaamsbeeld verschilt feitelijk niet veel van de natte dromen hierover van nazi's en fascisten uit de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw. Mijn lichaamsomvang heeft in dat kader zelfs iets recalcitrants en de mij bekenden zullen niet erg verbaasd zijn dat zoiets mij zelfs enig genoegen geeft.

Erik bleef dus dik.

Maar vanwaar dan de worsteling?

Die moet niet worden overdreven. Het betekent niet dat ik dagelijks peinzend voor me uit zit te staren of 's nachts piekerend het duister in tuur. Ook mijn geweten is nog steeds opvallend rustig. Ik kijk weinig in de spiegel, maar de keren dat ik kijk, zie ik iemand die mij prima bevalt. Mijn ogen stralen, mijn mond glimlachte me toe. Als mijn blik omlaag glijdt, zie ik een omvangrijk en weinig gespierd lichaam. Zo ongeveer het tegenbeeld van het maatschappelijk ideaal. Dan moet ik opnieuw glimlachen.

Dat ik rookte, dat stoorde me. In toenemende mate. Ik betrapte me erop dat ik het roken van cigaretten steeds minder smakelijk vond. Het werd een gewoonte, een stomme gewoonte. Als ik had gerookt, nam ik onmiddellijk een kauwgommetje om de vieze smaak te verdrijven. Ook dit roken was lange tijd een vorm van recalcitrantie. Ik ben wat dat betreft echt een ezel: des te harder de druk wordt opgevoerd om te stoppen, des te onwilliger reageer ik. Koppig en eigenwijs, ik weet het, ik ben er oud mee geworden. Ik moet al vijftig jaar met mezelf leven. Dat lukt aardig, alleen dat roken, dat moest maar eens stoppen.

En toen begon de worsteling.

Niet over het stoppen met roken, op zichzelf. Daar was ik wel uit. Dat moest gewoon gebeuren. Maar de worsteling met de mechanismen in mijn gedrag. Wie wil ik nu eigenlijk wat bewijzen? Wie begrijpt mijn verzet tegen "de norm" en dan vooral de populistische vorm hiervan. Bovendien kreeg ik tijdens het traplopen last van mijn knieën. Langzaam begon ik te beseffen dat ik er zelf mogelijk beter uit zou komen als ik ook mijn lijf, altijd een wat verwaarloosd onderdeel, wat serieuzer ging nemen.

Stoppen met roken dus en afvallen.

Geen crashdieet, maar een combinatie van normaal eetpatroon en lichaamsbeweging. Dat bevalt me prima. Ik ontbijt (voor het eerst in ruim 20 jaar), ik neem brood mee naar mijn werk (nog nooit vertoont) en 's avonds een warme hap. Later op de avond nog een bak yogurt in plaats van stukken kaas en worst. In mijn woonplaats weer met de fiets en 1 keer per week sporten. En ik val af.

Komende weken gaan we het proces versnellen. Drie weken de broekriem aan. Dat kan nu omdat ik de afgelopen maanden mezelf al een normaal eetpatroon heb aangeleerd.

En dat roken? Daar ben ik gewoon mee gestopt. Van de ene op de andere dag. Al weken geleden. Geen punt.

En dat sixpack? Geduld, waarde lezer, geduld.

zondag 6 mei 2012

Lettele, een dorp zonder stoplichten, maar genoeg te doen




Afgelopen week kwamen mijn vrouw en ik, na een flinke wandeling, aan in Lettele.

Lettele is een verstild boerendorp midden in Salland. Er komt één bus.

Een streekbus.

Die gaat maar één kant op. Naar Deventer. Geen straf. Deventer is een heerlijke stad. De bus rijdt beperkt. Wij moesten bijna drie kwartier wachten.

We gingen zitten op het bankje van de bushalte. We dronken wat water uit onze veldflessen en aten een appel. We keken om ons heen. Aan de andere kant van de straat waren twee winkels. Een supermarkt en ernaast een winkel die eigenlijk alles verkocht wat de supermarkt niet verkocht.

Een mooie verdeling, lijkt mij.

Zo verkocht de laatste winkel speelhuisjes voor kinderen in de tuin, kantoorartikelen, postzegels, ijzerwaren, gereedschappen en ook nog grote skelters.

De winkelier was voor de winkel met een schroevendraaier bezig een houten speelhuisje te demonteren. De deur van de winkel stond open. Geregeld reed iemand op de fiets, met een trekker of in een auto voorbij. Steeds werd er vriendelijk gezwaaid en soms was er tijd voor een kort praatje.

Van opzij kwam een moeder aanlopen. Ze duwde een buggy waarin een klein meisje. Naast haar reed een jongetje op een klein fietsje en achter haar kwam nog een meisje op zo'n grote skelter. Het meisje was de oudste, een jaar op zes. Het jongetje was niet ouder dan vier en het kind in de buggy kon nog maar net een beetje lopen. Moeder keuvelde met de kinderen. Het was een genoeglijk tafereel. Uiteraard werd de winkelier door moeder, zoonlief en de dochter op de skelter vrolijk begroet. Het was hem duidelijk wat de bedoeling was, hij legde de schroevendraaier weg en kwam naar de ingang van de winkel. De skelter en de fiets werden bij de deur geparkeerd en de hele groep verdween in de winkel.

Het duurde niet zo lang of moeder, buggy met kind, zoon en dochter kwamen weer de winkel uit. De winkelier bleef nog even in de winkel. Wat er precies gebeurde, is mij niet duidelijk, maar zoonlief besloot dat hij niet langer zou fietsen. Moeder, buggy en dochter op de skelter zetten zich in beweging, maar zoon bleef demonstratief bij zijn fiets staan. Moeder keerde om en ging op haar knieën voor haar zoon zitten. Het gesprek bleef voor ons verborgen, maar het effect was dramatisch. Zoon begon hard te huilen en draaide zich boos van zijn moeder weg. Inmiddels was ook de winkelier weer buiten. Wat bedremmeld bekeek hij het tafereel en glipte weer naar zijn klus. Moeder was weer opgestaan en liep langzaam met buggy weg. Dochter op de skelter volgde haar. Ze liepen door tot de bocht bij de hoek van de winkel, maar zoonlief hield vol. Hij bleef hardnekkig staan. Het groepje draaide zich weer om. Moeder begon opnieuw rustig op haar zoon in te praten. Dit keer was haar toon of haar verhaal effectiever. Na enig dralen en simmen besloot zoon dat het genoeg was geweest. Hij stapte op zijn fiets en moeder duwde hem een stukje vooruit. Dat ging niet erg handig, maar na enige meters begon de jongen zelf te fietsen.

De dochter op de skelter volgde het groepje, maar besloot na enige meters dat haar tijd was gekomen. Ze maakte luid duidelijk dat het skelteren haar niet meer lukte. Ze kwam tot stilstand, sloeg haar armen over elkaar en bleef broeierig voor zich uit kijken. Moeder negeerde haar dochter en liep langzaam met buggy en zoon op de fiets weg. Het groepje verdween om de hoek van de straat. Dochter bleef alleen achter. Ze besloot al snel dat het genoeg was geweest. Ze stapte van haar skelter af en liep vlug achter haar moeder aan.

Toen was het even rustig in de straat.

De winkelier zag de skelter onbewaakt op de stoep staan. Hij pakte het geval en zette hem voor de winkel.

Van om de hoek werd het huilen na enige minuten hoorbaar. Daar kwam de dochter met boos misbaar weer om de hoek. Ze liep stampend naar de winkel en pakte haar skelter. Ze ging er op zitten en riep nog een keer in de ruimte dat ze niet meer wist hoe de skelter werkte. Om dit te demonstreren, draaide ze ongelukkig met haar benen, zodanig dat de trappers geen beweging meer maakten.

Na enige tijd kwam moeder weer de hoek omzetten, met buggy en met zoonlief op de fiets. Ze liep rustig op haar dochter af en ging naast haar staan. Ze bleef strak voor zich uitkijken, maar vertoonde verder geen spoor van ongeduld of woede. Ze wachtte rustig tot haar dochter stopte met huilen.

Inmiddels kwam een vrouw uit het dorp op haar fiets voorbij. Ze constateerde gelaten dat de moeder nog niet erg was opgeschoten. De vrouwen begonnen een praatje. Inmiddels was ook de zoon weer van zijn fiets afgestapt. Hij keek zijn zusje aan. Zij negeerde hem volkomen. Ze bleef onmachtig met haar voeten wilde toeren uithalen. Zoonlief ging achter zijn zusje staan en begon haar te duwen. De skelter zette zich in beweging. De groep kwam weer op gang, moeder met buggy, zoonlief achter de skelter en dochter erop. Het fietsje van de zoon bleef deze keer staan.

Het probleem van de fiets drong nog voor de hoek van de straat tot de zoon door. Hij stopte abrupt met duwen en liep terug naar de winkel. Moeder was alweer de hoek om. De skelter kwam tot stilstand.

Alles in het dorp leek even tot stilstand te komen. De vogels hielden op met fluiten, de winkelier stopte met het demonteren van het speelhuisje, de zoon keek aarzelend achterom.

Het wonder geschiedde....het meisje zette de skelter in beweging en verdween om de hoek. Zoonlief sprong op zijn fietsje en volgde zijn zus en zijn moeder.

Waarmee ik maar wil zeggen, lieve lezers....je hoeft echt niet helemaal naar Almelo om iets te beleven.


vrijdag 6 april 2012

Een andere wereld.



De dame van de ANWB meldde mij vanmorgen dat bij de Duitse grensposten opstoppingen waren omdat de Duitse politie controles uitvoerde. Het is vandaag in Duitsland een feestdag. Dan mogen er op de Duitse wegen geen vrachtauto's rijden.

Goede vrijdag.

Ik heb nooit goed begrepen hoe het jaarlijks herdenken van een moord, als feestdag kan gelden. Ook de naam Goede vrijdag komt op mij in dit kader tamelijk bizar over. Maar daar gaat het mij nu niet om.

Het gaat me om dit beeld. Duitse politieagenten die auto's aanhouden en onderzoekend door het raampje naar binnen staren.

"Sind Sie ein Lastkrafwagen??"

Een zwetende vader (je kan nooit weten), een sikkeneurig kijkende moeder (het was zijn idee dit ritje en nu alweer uren in de file) en joelende kinderen op de achterbank.

Ik moest vanmorgen voor een bestuursvergadering richting de Noordzeekust. Ik begrijp nu waarom ik achter elkaar werd ingehaald door Duitse auto's waarvan de inzittenden enorm plezier met elkaar hadden.

Nog even los van alle vrachtauto's op de weg. Wij maken er geen feestje van. Wij werken gewoon door.

Nederlanders en Duitsers, het blijven twee werelden die elkaar maar moeizaam begrijpen.

Gister bezocht ik, voor mijn huidige opdrachtgever, enkele verzorgingshuizen. De ene stond in Laren, de volgende in Blaricum. Het Gooi.

Toch een compleet andere wereld dan de mij bekende biotoop, de Randstad. Huizen hebben in het Gooi, zeker in het stuk tussen Laren en Blaricum, de omvang van een klein appartementencomplex in de Randstad. Het zijn paleizen. Een tuin hier is in deze omvang in de Randstad een park. Kortom, alles is groter. De bomen zijn hoger, de struiken voller. Mannen lopen in zwierige, lichtgekleurde linnen zomerkostuums en dragen hun Gucci zonnebrillen. Alhoewel, lopen. Het is een pas die wij in de Randstad niet zo goed kennen. Een soort combinatie van zelfverzekerdheid en nonchalance. Niet het haastige, doelgerichte wat ik gewend ben.

Waarschijnlijk hebben ze hun doel al bereikt.

Dames zie ik in twee dominante groepen:  de ene groep verschijnt pas rond een uur of 11 op straat. Dan hebben ze hun haar, make up en hun modieuze kleding voldoende op orde. Ze hebben een duidelijk doel: shoppen. Dat doen ze met overgave.

De andere groep lijkt geheel anders: laarzen aan, haar in een staartje, waxjas tot over de knieën. Altijd in gezelschap van een hond of een paard. Zij gaan niet shoppen, zij brengen  de dag in het bos door. Of in de tuin.

Toch is er een belangrijke overeenkomst: de dames van beide groepen hebben een helder beeld van zichzelf en wie ze willen zijn. En de dames uit de ene groep lijken dus allemaal op elkaar, net zo goed als dat de dames van de andere groep onderling elkaars evenbeeld kunnen zijn.

Dergelijke, tot niets leidende gedachten, schoten door mijn hoofd tijdens mijn ritje naar het volgende adres.

Na mijn afspraak verliet ik weer het pand. Pal voor de ingang stond een bakbeest van een auto. Een soort Jeep. Hoog en groot. Donkere ramen. De motor draaide zacht grommend.

Toen ik met veel moeite om al dat zwarte, glimmende blik was heengekropen, ik moest hierbij door de perkplantjes lopen, keek ik wat bozig bij de bestuurder naar binnen.

Een, zo te zien, stokoude dame. Breekbaar en met grijs, dun haar. Ze keek niet op of om.

Inderdaad, een andere wereld.

vrijdag 30 maart 2012

Een bejaardenhuis in 1967



In de zorginstelling waar ik momenteel werk, werd gister afscheid genomen. Afscheid van een dame op de administratie. Ze ging met pensioen.

Afscheid nemen kunnen we goed in de zorg. Het hele gebouw hing vol met de foto van deze dame. De personeelskantine werd versierd met ballonnen en slingers. Een buffet werd voorbereid. Al dagen waren collega's in de weer met een herinneringsboek. Toen de receptie begon, waren alle kantoren leeg. 

Ze had 45 jaar in deze organisatie gewerkt.

Daar wordt u wel even stil van.

Ik ook.

Ze was in 1967 als 20-jarige, administratief medewerkster in dienst gekomen in één van de verzorgingshuizen van deze zorginstelling.

Dat was toen natuurlijk nog een eigenstandige organisatie. Met een eigen directeur. Met een facilitaire man. Misschien iemand voor personeelszaken. En dus die dame voor de administratie.

Een Raad van Bestuur bestond toen nog niet. Wel een bestuur. Meestal enkele notabelen uit het dorp of uit de kerk. Zij bestierden de stichting en de door haar gestelde doelstellingen.

Een overzichtelijke wereld.

De directeur kende iedere bewoner bij naam. Iedere verzorgende, toen nog bejaardenhulpen, de kok, de receptioniste. Hij noemde je vriendelijk bij je voornaam, maar je moest het niet wagen de directeur bij zijn of haar voornaam te noemen. Dat was mijnheer of mevrouw. Een autoriteit.

Natuurlijk ging iedere directeur daar op zijn eigen wijze mee om. Maar hij (of zij) was wel de baas.

Tenzij de huisarts sprak. Of de notabele uit het bestuur. Of de dominee. Of de burgemeester. De wereld was gevuld met autoriteiten. Dat botste zelden. Daar waren de beroemde achterkamertjes voor bedoeld. Daar had je als gewone sterveling niets te zoeken.

Je keek wel uit.

In die tijd was het heel normaal om je, voor je pensionering, alvast in te schrijven voor het bejaardenhuis. Zo kon je, meestal niet lang na je pensioen, verhuizen. En verdween je in een klein kamertje of, als je geluk had, had je twee kamertjes. En kon je deelnemen aan de kaartavondjes met je medebejaarden. Of met elkaar koffie drinken in de conversatieruimte. Een enkele keer kwam Willy Alberti of Johnny Jordaan zingen. En bij het begin van de lente met het hele bejaardenhuis met de bus naar de Keukenhof.

Bejaarden in het bejaardenhuis waren, over het algemeen, gezonde ouderen. Dat wil zeggen: mensen werden toen wel vroeger oud. Mensen van 65 waren echt bejaard. Werd je 75, dat was in die tijd stokoud. Men ging ook eerder dood.

Bij ons achter, in Castricum, was een gloednieuw bejaardenhuis gebouwd. Een wereld apart. Je zag er nooit iemand. Iedereen zat binnen. Stiekum het terrein opsluipen met vriendjes was erg spannend: we werden onverbiddelijk weggejaagd als we werden betrapt. Het was het domein van de bejaarden. Of beter: het terrein van de tuinman en de receptioniste van het bejaardenhuis, want zoveel hadden de bewoners volgens mij niet te zeggen. Die vonden het wel best, spelende kinderen in de tuin.

Nu, na 45 jaar, werkte de dame waar ik mij verhaal mee begon, op het hoofdkantoor van de zorginstelling. Bejaardenhuizen zijn verzorgingshuizen en verpleeghuizen geworden. Bewoners hebben een indicatie nodig, wat meestal betekent dat de ouderdom die met de nodige gebreken komt, teveel gebreken heeft gebracht, zodat het thuis niet meer lukt. Vaak moet je een echtgenoot of echtgenote achterlaten als deze nog gezond is: die krijgt immers geen indicatie.

De directeur van het huis is een manager geworden. Die manager heeft veelal weer een directeur als baas en ook deze directeuren hebben weer bazen: de raad van bestuur. De dame van de administratie is een hele afdeling met verschillende administraties geworden, bovendien zijn er controllers toegevoegd. De dame voor personeelszaken, in 1967 vaak een secretaresse van de directeur, is nu een afdeling HRM geworden, compleet met opleidingsfunctionarissen. En zo zijn er op een hoofdkantoor nog veel meer gespecialiseerde stafafdelingen gekomen, waar men in 1967 nog niet eens van had gehoord: ICT, marketing, communicatie, bouw, opnamefunctionarissen.

Ik vroeg deze dame hoe ze die 45 jaar had ervaren.

"Het is voorbij gevlogen. Nooit ben ik met tegenzin naar mijn werk gegaan."

Of ze nog wel eens verlangde naar die jaren zestig.

"Ben je gek, al die mannetjes..."

Een kanjer.

maandag 26 maart 2012

De Goudse geest



Enige tijd terug zag ik op een, volgens mij, commerciële zender een uitzending voor ondernemers. Ik ben ZZP'er en daarmee officieel ondernemer, bovendien ingeschreven bij de kamer van koophandel, dus mijn status is wel duidelijk. Ik bleef kijken want ik hoorde eindelijk een keer bij de doelgroep.

Het was een warrig programma. Een oud-wethouder uit Den Haag, Frits Huffnagel, sprong jolig op en neer voor de camera. Stelde een vraag waarbij het antwoord voor hem blijkbaar niet zo relevant was en riep regelmatig positief bedoelde kreten.

Ik werd een beetje moe van die man.

Zoveel opgewektheid, maar het hoort blijkbaar bij de huidige televisiecultuur. Soms zie ik een zaal vol met opgewekte, elkaar enorm vermakende, rondhossende, gillende en zich-op-de-dijen-kletsende menigten, aangevoerd door wat dan bekende nederlanders zijn (ik ken ze meestal niet). Die vormen het topje van de ijsberg van jolijt en gevatheid. Ik hou dat niet vol, waarde lezer. Na enige minuten lachen, gieren, brullen, lig ik, naar adem happend op de grond.

Het is teveel. Het is teveel.

Maar goed.

Huffnagel trok Gouda in. Dat deed hij met de lokale volkswagendealer. Op de vraag wat Gouwenaren (hiermee werden mensen uit Gouda bedoeld) voor mensen zijn, volgde een popi-jopi-positief bedoeld antwoord door de lokale ondernemer: allemaal hardwerkende, leuke mensen.

Tja, massaal RTL-4 publiek.

De vraag werd herhaald bij een ondernemer die al generaties lang gehoortoestellen op de lokale markt brengt. Hij had er duidelijk beter over nagedacht. Mensen uit Gouda zijn mensen die niet onmiddellijk ieder initiatief ondersteunen. Ze zijn afwachtend, conservatief en houden niet van teveel poespas.

Duidelijk géén RTL-4 publiek.

Ik raakte in verwarring over al deze tegenstrijdigheden, maar niet onze Frits. Die huppelde gewoon door en vond het allemaal geweldig.

Hij kreeg ook de burgemeester te spreken. Onze burgemeester gaat binnenkort vertrekken. Het is niet een man die de harten van de mensen in Gouda gestolen heeft. Een bestuurder op afstand. Ook hij gaf zijn visie op de Gouwenaar:

"Een beetje chagrijnige mensen..."

Hij zei het echt. Onze burgemeester. Na ruim 10 jaar burgemeesterschap, was dit de meest indringende analyse die hij van de bevolking van zijn stad kon geven: chagrijnige mensen. Wel betrokken, haastte hij zich om toe te voegen, maar chagrijnig.

Ook hier huppelde Frits vrolijk overheen.

Enkele weken geleden woonde ik een vergadering bij waarin allerlei vertegenwoordigers uit de Goudse samenleving. In de voorstelronde kwam op enig moment een jonge man aan het woord:

"Ik ben Achmed el Amrani....geboren en getogen in Gouda."

Hij maakte zich zorgen, zorgen om zijn stad. Hij zag hoe tegenstellingen werden verscherpt. Hij zag hoe bevolkingsgroepen tegen elkaar uit werden gespeeld.

Duidelijk geen RTL-4 publiek.

En ook Huffnagel was in geen velden of wegen te zien.