maandag 11 november 2013

Lietuva, ūntros Eimląndo!


Het zal u niet onmiddellijk duidelijk zijn.

Op de foto ziet u een zangeres die een volkslied zingt. Het is het volkslied van Litouwen. Ze wordt begeleid door een plaatselijke hoempapaband. Het is een ingewikkeld lied, maar de band weert zich kranig. De zangeres is onverstoorbaar en sleurt het lied naar het einde.

Op de achtergrond ziet  een lange rij stoere mannen staan. Ze zijn nog jong. Twintigers. Velen zijn stevig gebouwd, sommige neigen zelfs naar enige corpulentie.

Toch zijn het topsporters.

De kerels vormen namelijk de Nederlandse selectie van het nationale rugbyteam.

Maar waarom zingt die vrouw dan het volkslied van Litouwen?

Aha...

Wat u niet op de foto ziet, is het team dat naast de Nederlanders staat: dat is het Litouwse, nationale team. Sommigen wisten zowaar het ingewikkelde lied mee te zingen. Maar dat ziet u niet.

Wat u ook niet op de foto ziet is de spanning. Die droop er namelijk van af, zo vlak voor de wedstrijd. Zowel het Nederlandse, als het Litouwse team moest winnen om door te kunnen naar een volgende ronde. Vlak voordat de wedstrijd begon, had het nog flink geregend. Nu is het droog, op soms een paar spatjes na. Er staat een stevige wind en die koelt de lijven flink af. Voor rugbyers maakt dat niks uit: het is nu eenmaal geen sport voor watjes.

U ziet overigens, achter het Nederlandse team, een tribune. Die zit stampvol. Met allemaal mensen uit Litouwen. De sfeer zit er goed in: ze zingen, ze stampen, ze roepen. Alleen tijdens het volkslied is het stil. Achter de fotograaf is nog een tribune. Die zit weer vol met Nederlanders. Ook hier wordt geroepen en gejuicht. Tijdens het "Wilhelmus" wordt door velen meegezongen.

Tenslotte staan rond het veld overal mensen. Het is druk en je moet echt zoeken naar een plekje.

Uw verbazing groeit. Wanneer was dit dan?

Afgelopen zaterdag, om 15.00 uur in Castricum.

U heeft er niets over gehoord? U heeft er niets over gelezen? Dat viel ook mij weer op, toen ik vanmorgen de Volkskrant opensloeg. Pagina na pagina na pagina na pagina artikelen over middelmatige voetbalwedstrijden en de altijd maar voortgaande relletjes en toestanden. Een enkel artikel over schaatsen en zelfs één over korfballen, onze nationale sport. Maar niets over de interland van het Nederlandse rugbyteam.

Ik ben geen sportverslaggever, maar kan u dit wel melden:

Het was geweldig. De twee teams hielden elkaar op een mooie manier in evenwicht. Tot het laatste moment was het onzeker of Nederland haar kleine voorsprong vast kon houden.

Het is ze gelukt.

Volgend weekeinde vliegen de heren naar Zwitserland voor een volgende wedstrijd.

Het zal de Volkskrant wel weer ontgaan, dus ik meld het u vast even.

woensdag 23 oktober 2013

Hoezo eigen wil?



Sinds enkele weken ben ik me pijnlijk bewust van het feit dat ik tien vingers heb, verdeeld over twee handen.

"Ik hoor u denken: je bent de vijftig gepasseerd en dit dringt nu pas tot je door?"

Ik adviseer u: "leer accordeon spelen en u begrijpt wat ik bedoel"

Tot drie weken geleden was mijn leven redelijk ongecompliceerd en voldeed mijn lichaam volkomen aan de eisen die mijn leven aan een lichaam stelt. Ik ben geen sporter; ik ben geen timmerman; ik ben geen bergbeklimmer of duiker, mijn lijf leidde dus een redelijk gemakkelijk bestaan. De eisen waren niet hoog en die dingen die ik lichamelijk op moet brengen hebben weinig om het lijf.

Totdat ik op een onbewaakt ogenblik besloot om maar eens serieus werk te maken van een oud voornemen om accordeon te leren spelen.

De eerste lessen verliepen simpel. Een oefening voor de linkerhand, de baspartij: even zoeken waar de goede knop zit, maar daar ging ik dan. Stoer speelde ik het ene hoempa-pa-pa deuntje na het andere: van een C- naar een G- naar een F-accoord. Een oefening voor de rechterhand, de melodiepartij. Hier was het even puzzelen om de juiste vinger voor de voor die vinger bedoelde toets te gebruiken, maar ook dat was een kwestie van een uurtje uitproberen. Het spelen van melodietjes? Ik heb een redelijk muzikaal geheugen, dus ik wist al snel het ene liedje na het andere met mijn rechterhand te spelen.

So far so good.

Maar toen...

Het tegelijkertijd spelen met de linker- én de rechterhand....

Het ging direct al mis. Mijn linkerhand, u weet wel, die baspartij, hoefde alleen maar langdurig een C-accoord aan te houden. Mijn rechterhand speelde, langzaam, één enkele toon maar dan vier keer achter elkaar. Mijn linkerhand kon het onmogelijk eens worden met de rechterhand: als die de toetsen losliet, onderbrak ook de linkerhand onmiddellijk de toon.

Opnieuw.

Ik plante de linkerhand nu stevig op de basaccoord-knop (het gaat om één vinger!) en begon weer langzaam met de rechterhand de tonen te spelen. En weer volgde mijn linkerhand volstrekt slaafs de beweging van de rechterhand.

Opnieuw.

Nu moest mijn linkerhand hetzelfde C-accoord spelen, maar dan 4 korte tonen (jawel, een mars maar in mijn tempo een dodenmars); de rechterhand speelde nu de lange tonen. En verdomd, nu volgde de rechterhand weer willoos de linkerhand.

Opnieuw.

Nog langzamer.

Het enige effect was dat de vingers langzamer, maar volstrekt synchroon zich losmaakten van de toetsen. Links en rechts.

Ooit las ik dat boek van Dick Swaab: "wij zijn ons brein"

Het zal allemaal best, maar mijn vingers doen in ieder geval niet mee.

dinsdag 22 oktober 2013

makkers, staakt uw wild geraas...



Het aardige aan de situatie is dat Matthijs van Nieuwkerk enige weken geleden op enig moment in zijn dagelijkse DWDD-show, wat verbaasd constateert dat de discussie over het Sinterklaasfeest wel steeds omvangrijker wordt. Even los van het feit dat dit mij tot op dat ogenblik niet was opgevallen (wat niets hoeft te zeggen), maar één ding is zeker: de discussie explodeert nu tot iets waar werkelijk iedereen zich tegen aan zal gaan bemoeien. Ingezonden brieven in de kranten, discussies in tv-programma’s, soms lachwekkende maar veel vaker beschamende en gefrustreerde reacties op de sociale media. We buitelen over elkaar heen. Ondertussen versterkt iedereen elkaar door steeds opnieuw te constateren dat het dit jaar wel erg heftig is allemaal. En daarmee krijgt het draaiende wiel opnieuw een flinke douw.

Makkers, staakt uw wilde geraas, zou ik willen zeggen.

Maar dat ligt gevoelig.

Ik heb vele aanvliegroutes in de discussie terug gezien. Het effect was steeds minimaal. De deelnemers aan dit spektakel hebben hun loopgraven gegraven en liggen klaar om te vuren op iedere beweging die als aanval op hun stelling geïnterpreteerd kan worden. Aan beide kanten. Een eerlijk gezegd: álles lijkt als mogelijke aanval te worden beschouwd en er wordt direct met scherp geschoten.

Het is waar. Het Sinterklaasfeest komt voort uit een eeuwenoude traditie. Het is óók waar dat Zwarte Piet pas in 1850 als knecht van de Sint werd toegevoegd aan zijn gevolg. Aanvankelijk was dit één Piet, maar sinds de Canadezen tijdens het uitbundig gevierde Sinterklaasfeest van 1945, een enorme massa Zwarte Pieten lieten deelnemen aan de intocht, is ook hier het hek van de dam. Een traditie ontwikkelt zich en inhoudelijk ontstaan er veranderingen: ook Sinterklaas is in de loop der eeuwen verandert van een boeman die stoute kinderen straft, in een lieve, soms wat seniele opa die cadeautjes uitdeelt. Zwarte Piet ontwikkelde zich van knecht naar degene die de verstrooide Sinterklaas de goede kant ophelpt.

Afgelopen week zag ik een filmpje voorbijkomen waarin Gerda Havertong, ze speelde hier mee in Sesamstraat, als Surinaamse aan Pino uitlegt dat ze het eigenlijk wel zat was om ieder jaar rond Sinterklaas steeds maar weer te moeten horen dat ze “Zwarte Piet” zou zijn. Dat was in 1989.

En hiermee had ze een punt. Ze maakte er ook een punt van, maar blokkeerde niet de viering van Sinterklaas. Sterker, Pino mocht bij haar thuis zijn schoen zetten. Pino bood overigens aan haar zijn excuses aan: hij had zich nooit gerealiseerd dat Gerda zich zo rot voelde onder zijn grapjes over Zwarte Piet. Pino zou voortaan anders naar Zwarte Piet kijken en ook anders naar zijn Surinaamse vrienden.

Hoe een kinderprogramma ons kan helpen.

Alhoewel…

Oorlog is een zaak voor volwassenen.

zondag 13 oktober 2013

Onze vader....



Afgelopen dagen liepen mijn vrouw en ik door het boerenland tussen Willemstad en Bergen op Zoom.

Soms liepen we over hoge dijken die uitkeken over de omgeploegde kleigronden en aardappel- en suikerbietvelden, soms liepen we over eindeloze grasvlaktes, soms door bossen van beuken en eikenbomen.

De zon was de meeste dagen voor een groot deel van de dag in nevelen gehuld.

Om ons heen was er grote bedrijvigheid: de boeren reden als gekken van en naar de boerderijen met achter hun tracktoren enorme aanhangwagens. Hiermee haalden ze de aardappelen en de suikerbieten van het land. Dat moest vlug gebeuren: de weersvoorspellingen gaven aan dat er regen, heel veel regen aan zat te komen.

Wandelaars weten het: de wandeling is een gevecht met jezelf. Niet je spieren, maar je geest kan verzuren.

De wegen waren vaak kaarsrecht. Ze eindigden in de mist. Links van je, in de verte een boerderij, rechts alleen een eindeloze uitgestrektheid van een omgeploegd land: de voren bogen in rechte lijnen naar de horizon samen. Die ene boerderij die leek maar niet van zijn plaats te komen.

Het was niet koud.

Toch lag de mistroostigheid op de loer. Zacht klopte ze aan en probeerde zich te nestelen in mijn geest.

Ik heb inmiddels een probaat middel gevonden om me te verzetten tegen gedachten die mijn volhouden kunnen aantasten: de I-pod. Hierop staan interviews die Martin Simek gedurende vele nachten hield met landgenoten, bekend en, vaak voor mij, onbekend.

Simek is niet de beste interviewer die ik ken. Vaak ontsporen zijn gesprekken omdat hij een stokpaardje berijdt of emotioneel wordt. En toch, en toch.... altijd boeit hij mij. Het zijn zulke menselijke gesprekken.

En de interviews duren precies een uur. Dat is mooi, want dan weet ik dat ik alweer 4 kilometer verder op ben geraakt.

Ook tijdens deze wandeling duwde ik dus de speakers van de Ipod in mijn oor. Daar klonk de stem van Martin Simek al en deze keer bleek zijn gast Jozef van den Berg te zijn.

U weet natuurlijk allemaal wie deze man is. Ik had nog nooit van hem gehoord.

Jozef is een kluizenaar. Hij woont in een miniscuul hutje ergens onder een perenboom in Neerijnen, vlakbij Zaltbommel. Hiervoor leefde hij enkele jaren in het fietsenhok van de gemeente, maar ambtenaren houden niet van uitzonderingen op de regel, zeker niet als die zich in hun eigen fietsenhok bevindt en dus moest Jozef, ondanks protesten van de burgers van Neerijnen (maar ja, daar kun je als ambtenaar natuurlijk geen rekening mee houden, die burgers), vertrekken. Eén van die burgers had een groot hart en een grote achtertuin. Met een perenboom en daaronder bouwde Jozef dus zijn hutje.

Jozef is niet altijd kluizenaar geweest. Ooit was hij een gevierd poppen- en toneelspeler. Ook schreef hij theaterstukken. Hij trok volle theaterzalen. Tot in België wist hij de mensen te boeien.

Maar toen werd zijn broer ziek. Doodziek. Zijn broer was arts maar noch hijzelf, noch zijn collega's konden hem genezen. Alhoewel al jaren geen kerkganger meer, begon Jozef opeens weer te bidden. Om zijn broer die hij liefhad. Het was zijn broer die hem troostte en hem ertoe bewoog om een theaterstuk te schrijven waarin hij op zoek ging naar God. Hij noemde het stuk "Genoeg gewacht", als reactie op het "Waiting for Godot" en de hierin vertoonde en beklemmende leegte van het bestaan.

Tijdens het spelen van dit stuk drong het besef tot Jozef door dat er iets vreemds aan de hand was: hoe kon je op zoek naar God als je hem niet eens kende? Waar zoek je dan naar? De zoektocht verinnerlijkte zich en resulteerde, zoals Jozef het omschreef, in een ontmoeting met God. Geen taal, geen beeld, een soort innerlijk steeds heftiger wordende kracht die de acteur in zijn stuk uit het spel haalde en midden in het gewone leven neerzette.

Hij deed wat hij moest doen. Hij stapte van het podium af en verexcuseerde zich naar het stomverbaasde publiek. Hij kon niet meer. Het was over. Het toneelstuk was werkelijkheid geworden.

Hij sleepte een oude kist naar een fietsenstalling in Neerijnen en trok zich terug uit de wereld. Hij getuigt niet dwingend of opdringerig. Hij is daar en leeft uitsluitend van dat wat de mensen hem brengen. Uit liefde voor God.

Inmiddels was ik weer 4 kilometer verder. In mij geen verzuring maar verstilling. Over zoveel moed.

Terwijl ik dit schrijf, komt de regen met bakken omlaag.

Ergens, aan de waal leeft een man in een schamel hutje. Zijn naam is Jozef van den Berg. Laten we voor hem bidden.

Uit liefde.

en respect....


vrijdag 11 oktober 2013

Even delen.....



Geheel volgens mijn vaste ochtendroutine, begaf ik mij met onze hond naar de Goudse Hout voor een wandeling.

De Goudse Hout, voor de niet Gouwenaren onder u, is een door mensen bedacht natuurgebied aan de rand van het Goudse wonen. Het alom rond Gouda tegenwoordige polderlandschap wordt weer terug gevormd naar het oorspronkelijke landschap: veenmoeras, kleine bossages en water, veel water. Het was ooit een onbarmhartig land met zure gronden waar nauwelijks iets eetbaars op gedijt, totdat ooit in de vroege Middeleeuwen monniken met hun irrigatiewerkzaamheden begonnen. Er werden met de blote handen sleuven gegraven om het water af te laten vloeien, er werden dijken aangelegd en molens gebouwd. Langzamerhand droogde het land op en door eeuwenlang geduldig bewerken van de zure, natte grond, ontstond langzamerhand het landschap waar het Groene Hart bekend om is: diepgelegen polders waarop het vee graast. Datzelfde vee zorgde overigens weer voor een produkt waar Gouda tot over de landgrenzen beroemd om is geworden: kaas.

Maar goed, inmiddels wordt de Goudse Kaas tot in Polen geproduceerd en steeds meer boeren vertrekken, gefrustreerd over alle Europese regels, naar landen ver achter de horizon. Koeien blijven het hele jaar op stal en her en der is nog verzet tegen de megastallen waarin varkens zullen worden gehuisvest, maar ook dat is waarschijnlijk een kwestie van tijd: de gekte van het marktdenken vereist nu eenmaal van de boeren een maximaal efficiënte bedrijfsvoering en in een dergelijk concept passen begrippen als dierenliefde en andere sentimenten slecht. Nederland blijft in belangrijke mate een agrarisch land, maar deze sector trekt zich terug in fabrieksachtige omgevingen, vaak tot op het bot gefrustreerd door hun moderne medemens die enerzijds eist dat de boer aan een nostalgisch beeld blijft voldoen van kleine boerderijen en loslopend vee, maar anderzijds voor het dagelijks brood en andere noodzakelijke voedingsmiddelen geen cent teveel wenst te betalen.

Enfin, het Goudse Hout is een uitstekende plaats om met je hond doorheen te struinen.

Vanmorgen trof ik bij de ingang van het gebied, een paar opgewonden dames aan. Eén van hen had een doos in haar handen. De doos was aan alle kanten dichtgeplakt met tape, op één hoekje na, waar, zo bleek mij toen ik het groepje passeerde, een jonge kat zijn kop doorheen had gewurmd. Het beestje mocht op alle aandacht van de drie dames rekenen.

Dat wil zeggen, de twee dames die zich bij de dame met de doos in haar handen, hadden gevoegd, stonden met hun smartphone foto's te maken. Ik hoorde één van hen zeggen:

"Even delen..."

Ongetwijfeld stonden op vrijwel hetzelfde ogenblik de beelden op een facebookpagina, vergezeld van een bozige reactie op zoveel dierenmishandeling. Ongetwijfeld wordt dit bericht vele malen gedeeld en kan men collectief zijn of haar verontwaardiging weer even kwijt.

Nu heeft mijn vrouw lang deelgenomen aan de zogenaamde "kittenopvang" en ik moet eerlijk zeggen dat deze vondst weliswaar schokkend is, maar toch ook een heel aantal pluspunten kent: de kittens zaten in een doos (en niet in een plastic zak); ze stonden in het gras (en lagen niet in het water of in een glascontainer) en bovendien was de doos zo neergezet dat ze in korte tijd wel gevonden moest worden (in plaats van ergens achteraf op een polderweggetje). Blijkbaar was hier een wanhopige bezitter van een nest jonge kittens, nog wel zo gewetensvol geweest dat de diertjes niet onmiddellijk tot een gewisse en nare dood waren veroordeeld. Waarom de eigenaar niet zelf met het nest naar het dierenasiel was gegaan, zal altijd een raadsel zijn, maar ik vermoed dat het kernwoord schaamte is.

Al deze overwegingen durfde ik de dames niet mee te geven. Hun verontwaardiging was heftig en natuurlijk begrijpelijk. Maar dat er zelfs aan een dergelijke vondst mogelijk een verhaal kleeft die je wellicht milder kan stemmen, lijkt in deze tijd van onmiddellijke reactie en gedeelde emotie, ondenkbaar.

Toen ik even later het gebied weer uitliep kwam de dierenambulance net aanrijden. Dus, voor alle verontwaardigde medeburgers die zich afvragen waar het in onze tijd toch naar toe moet:

U kunt iets doen!

Nu!

U kunt het dierenasiel bellen en zeggen dat u uw huis openstelt voor de net binnen gebrachte kittens.

woensdag 25 september 2013

Kantooridylle



In het park passeerde ik een man en een vrouw die gemoedelijk met elkaar in gesprek waren.

In het Engels.

Ik hoorde de man spreken over een “office garden”.

Hier dwaalden mijn gedachten weg. Voor mij ontstond het beeld van een lommerrijke tuin, zacht ruisende bladeren, nazomerse kleurenprachten en mensen die aan tuintafels dromerig hun dagelijkse teksten op een laptop invoeren. Daar staat iemand op en maakt een korte ronde door de rozentuin. Diep inhaleert ze de zoetige lucht en besluit weer voldoende energie te hebben opgedaan om nu ook die lastige klant even te bellen. Een groepje scheidt zich af en neemt gaat in een cirkel in het gras zitten. Ze spreken vrolijk met elkaar.

Vaag begint het geluid van een bladerblazer door de beelden heen te dringen. Ik weet het geluid met enige moeite nog even weg te duwen. Onontkoombaar dringt het zichzelf echter op. Het zware dieselgeluid dreunt door de tuin heen en langzamerhand begint zich in mijn hoofd een woord te vormen.

Kantoor - tuin…
…office - garden...
…kantoortuin!

De tuintafels en de rozentuin verdwijnen vrijwel onmiddellijk. Het geloei van de bladerblazer neemt nu alle ruimte in. De man loopt zwetend in zijn zware werkkleding, blazend door het park. Hij stopt even, grijpt naar een pak shag en draait een shaggie. Hij kijkt mij aan en spuugt iets op de grond.

Geen kantoortype.

zaterdag 21 september 2013

Spoorloos....



Toen Jeltje op 28 maart 1906 trouwde met Dirk Pieter, leek het leven haar eindelijk een beetje toe te lachen. Dirk had een vaste baan bij de spoorwegen. Zijn zachte, Brabantse tongval vond ze prettig klinken. Veel prettiger dan het rauwe Fries waar ze mee was opgevoed.

Alhoewel, opvoeding kon je het moeilijk noemen. Haar vader, Haije de Jong, bracht het grootste deel van zijn leven in de gevangenis door. Het was geen nare man, maar hij was al jong begonnen met stelen. In het Friese dorp Smallingerland waar iedereen elkaar kende en elkaar goed in de gaten hield, werd hij dan ook voortdurend nagewezen en hij kwam nergens aan werk. Dus ging Haije maar weer op dievenpad, totdat hij opnieuw tegen de lamp liep en voor een periode het gevang indraaide. Op veel erbarmen konden Jeltje, haar zus Janke en hun moeder Sjoukje natuurlijk niet rekenen. Ze hoorden er niet bij en als kind werd ze overal geweerd, ze was immers de dochter van die dief. Andere kinderen liepen honend en wijzend achter haar aan als ze in het dorp boodschappen moest doen. Haar moeder was al lang verbitterd over zoveel christelijke naastenliefde en schold op alles en iedereen.

Dus ja, toen Dirk Pieter haar het hof maakte met zijn zachte "g" en vriendelijke ogen, liet Jeltje zich al snel meeslepen. Het duurde dan ook niet lang of zij werd zwanger van haar eerste kind, een dochtertje. Het duurde hierna nog twee jaar voordat Dirk haar ten huwelijk vroeg, toen was echter inmiddels ook hun tweede kind, opnieuw een dochtertje, al geboren.

Het leven als ongehuwde moeder viel, ook in een grote stad als Amsterdam, niet mee. Jeltje was echter gewend aan het leven op de rand van de samenleving en voegde zich zonder al teveel gezeur. Na het huwelijk leek het leven voor haar eindelijk wat perspectief te krijgen. Dirk en Jeltje kregen samen nog 6 kinderen, waaronder Bertus, mijn opa.

Dirk bleek geen gemakkelijke man om mee samen te leven. Hij was dominant, gierig en bovendien niet afkerig van vriendinnen. In 1933 was het voor Jeltje genoeg. Ze liet zich van hem scheiden.

Hierna is Jeltje verdwenen.

Spoorloos.

In de Amsterdamse archieven is haar naam verdwenen...

Ze is niet teruggekeerd naar Friesland.

Waarvoor zou ze.

Ze is niet in de buurt van haar zus in Groningen gaan wonen.

Is ze opnieuw getrouwd? Is ze ergens opgenomen? Is ze, berooid, het pad van haar vader opgegaan?

We zullen het, wellicht, nooit weten.

Jeltje is verdwenen.

Spoorloos.