woensdag 11 september 2013

Bratwurst oftewel een mijmering over een voorbije zomer....



Als, op welke wijze dan ook, het woord “braadworst” valt, vliegt mijn geest in een fractie van milliseconden naar een zwembad in Zwitserland. Altijd en iedere keer weer.

In mijn jeugd, we woonden nog in Castricum dus dat moet voor mijn 12e jaar zijn geweest, gingen we enkele keren op vakantie naar Zwitserland. Mogelijk dat mijn geheugen me op dit punt verraad, maar volgens mij huurde mijn vader een appartement in een grote boerenwoning in het gehucht “Ober Waldstatt”. Als ik deze naam “google” levert dat niets op. 

Het klinkt wel Zwitsers.

Hoe dan ook.

In de omgeving van deze woning bevond zich een openlucht zwembad. Hier brachten we meerdere keren enkele uren door. Het zwembad kreeg toch wel een plek in mijn herinnering: alle mannen werden verplicht om een badmuts op te doen. Als jongetje van een jaar of negen, vond ik dat natuurlijk belachelijk.

Iedere middag op klokslag dezelfde tijd, alleen ik weet niet meer welke tijd dit was, kraakte de omroepinstallatie even en vervolgens riep een wat hese stem: “Die Bratwürste sind fertig” Het vervolg laat zich raden: een lange rij vormde zich bij de bakplaat en hierna deden de bezoekers van het zwembad zich massaal te goed aan de broodjes vette hap.

Gek genoeg weet ik niet of wij ook zo’n broodje aten. Mijn herinnering betreft de mededeling die over het grasveld schalde, niet de smaak van de worst.

Er is ook een bepaalde geur. Geuren zijn niet uit het niets op te roepen, althans, mij lukt dat niet. Maar er hoeft maar een fractie van deze combinatie van geurstoffen ergens in de lucht te hangen en mijn neus, niet mijn meest gevoelige orgaan, pikt het op. De geur hangt samen met de slaapkamers van de vakantiewoning. Op de bedden lagen voor ons als nieuw fenomeen: dekbedden. Door het raampje konden mijn broer en ik in de verte hoge bergtoppen zien. Van buiten woei de lucht van koeien en gras, wat zich dus vermengde met de geur van de dekbedden. Die geur van boerenland en zeep, associeer ik sindsdien met zomer en, vreemd genoeg want waar ligt de relatie, geborgenheid.

Dit schrijfsel is inmiddels meer een mijmering geworden, dus ik zal dit patroon niet meer verstoren. Nog een enkel beeld.

Mijn vader was in deze periode voor zijn werk langdurig in, toen nog, Tsjecho-Slowakije. Als hij een weekeinde of, zoals in dit geval, voor een vakantie, naar huis kwam, nam hij cadeaus mee. Voor deze vakantie was dat voor mijn broer en mij, een pijl en boog. Hiermee stonden wij in het weiland voor het huis te schieten: we mikten op de bovengrondse elektriciteitsdraden. Als de pijl zo’n kabel raakte, hoorde je over de lengte van de kabel een siddering gaan. Hier waren we uren zoet mee.

En dan nog een spel. Deze vakantie werd door ons gezin het “stap-op” spel gespeeld. De finesses zijn mij niet meer bekend, maar dit was een kaartspel waardoor je met de fiets een tocht ging maken. Tegenspelers hadden echter pestkaarten, zoals een lekke band, die jouw reis voortdurend onderbraken. Het spel was dan ook een goede oefening in het “tegen-je-verlies-kunnen”. Dat konden we geen van allen erg goed. Mijn vader loste dat consequent op door gruwelijk doorzichtig vals te spelen zodat we met elkaar lachend over de grond rolden. Soms letterlijk.


Ja, nu begin ik die geborgenheid ook weer te begrijpen…

vrijdag 6 september 2013

Nachtvlinder.



Vorig weekeinde sliep onze jongste dochter bij ons thuis. Zondagochtend vroeg, een uur of vijf, wekte ze mij. Ze hoorde naast het huis iemand hard huilen.

Het duurde even voordat mijn geest en mijn lichaam zich op hetzelfde punt bevonden. Ik luisterde naar de geluiden die door het open raam naar binnen kwamen en inderdaad, er was iemand aan het huilen. Ik was opeens klaar wakker en sprong uit bed. Samen met mijn dochter liep ik naar de benedenverdieping en ik deed de voordeur van het slot. Ik gebaarde naar mijn dochter dat ze maar beter binnen kon blijven. Ik liep om het huis heen.

Naast ons huis bevindt zich de oprit naar de garage. Vanochtend stond de auto van mijn vrouw hier geparkeerd. Omdat de buren hun huis aan de zijkant hebben uitgebouwd, vernauwt de oprit zich hier tot ongeveer de breedte van een auto. De auto van mijn vrouw sloot dit deel min of meer af, zodat er een soort beschutte ruimte was ontstaan.

Hier zat een meisje weggedoken tegen de zijmuur van ons huis.

Ze had haar fiets hier ook gezet, zodat noch de fiets noch zijzelf vanaf de straat te zien was. Daarentegen was ze uitstekend te horen: jankerig sprak ze op luide toon in een telefoon.

Toen ze mij in de gaten kreeg, sprong ze onmiddellijk overeind en veegde haar ogen droog. Ze was nog jong en, ondanks haar pogingen om door kleding en make up ouder te lijken, kon ze niet ouder dan 15 zijn. Ze maakte omstandig haar excuus en begon een verward verhaal waaruit in ieder geval bleek dat ze geen idee had waarom ik hiernaar toe was gekomen, waar ze was en hoe het nu eigenlijk verder moest.

Terwijl ze sprak, kwamen zware walmen alcohollucht mijn kant op. Ze was straalbezopen.

Ze keek me trouwhartig aan en vroeg me of ik het een beetje begreep.

Ik kon er geen touw aan vast knopen.

Ze vroeg me of ik een bepaalde uitgaansgelegenheid in de stad kende. Ik had mijn eigen kinderen hier wel eens over gehoord. Ze vroeg me of ik wist waar Gouderak lag. Een klein plaatsje vlakbij Gouda, dat kende ik. Het lag in ieder geval een heel andere kant op. Ze keek me aan.

Ik gaf aan nog niet het verband te zien tussen de uitgaansgelegenheid, Gouderak en het feit dat ze nu huilend naast ons huis zat.

"Oooooh, is dit úw huis???"

Zover waren we dan gekomen.

Nu vertelde ze dat ze op een grote weg hier vlakbij, was lastig gevallen door een groep Marokkaanse jongens. Ze liet een plek op haar been zien, daar was de uitlaat van een scooter tegenaan gevallen of tegenaan geschuurd, dat werd niet duidelijk. Ook was een ketting, die ze altijd droeg, in stukken gebroken...Ze liet met een pruillip de restanten zien. Ze huilde niet meer.

Nou, toen was ze maar gevlucht en hier weggekropen...

Dat leek me een verstandige actie.

Ik vroeg haar of ik haar ouders moest bellen, maar geschrokken weigerde ze dit. Vervolgens bood ik aan om haar met de auto maar naar huis te brengen, maar ook dat wilde ze niet. Ze durfde niet naar huis, ze was op weg naar een goede vriend die hier vlakbij woonde.

"Weet je dan waar je bent?"

Nou nee, ze had eigenlijk geen idee.

"Hoe wil je dan bij het huis van je vriend komen?"

Tja, dat was inderdaad wel een probleem. Maar ze had zijn telefoonnummer. En voordat ik iets kon zeggen, het was nog steeds pas half zes 's ochtends, had ze zijn nummer aangetoetst. Blijkbaar was hij wakker want er werd al snel opgenomen. Ik kreeg de telefoon in mijn handen geduwd. De jongen aan de andere kant van de lijn klonk wat slaperig maar niet onaardig. Hij wist wie het meisje was en zou haar wel op komen halen. Ze kon bij hem thuis wel op de logeerkamer slapen. Hij zou haar komen halen. Hij vroeg of ze naar een gymzaal vlak bij ons huis kon komen....ik keek haar vragend aan. Ze knikte opgetogen, die wist ze wel te vinden.

Ze sprong op haar fiets en verdween in het ochtendschemer de straat weer uit.

Ik huiverde en keek naar de lucht....

het zou weer een warme dag worden....

dinsdag 3 september 2013

Over guldens en daalders...


Ik zie het weer gebeuren. Met een collega sprak ik met de wethouder en zijn beleidsambtenaar over de gevolgen van de marktwerking in de zorg.

De vaak nog bijzonder tere samenwerkingsverbanden tussen verschillende zorginstellingen en professionals om cliënten met een bepaald ziektebeeld vanuit een ketengedachte te benaderen, dreigde door dit nieuwste speeltje van politiek Den Haag, rap de nek om te worden gedraaid. Daar waar zorginstellingen aanvankelijk op zoek gingen naar de aanvullende capaciteiten van hun collega in het veld, begonnen ze nu, heel ondernemend, zelf aanvullend allerlei aanbod te ontwikkelen.

Want tja, marktwerking, he?

En zo hadden we binnen de thuiszorg diabetesverpleegkundigen opgeleid; begonnen huisartsen hun praktijkverpleegkundigen massaal tot diabetesverpleegkundige om te scholen en bedacht het ziekenhuis dat poliklinisch werkzame verpleegkundigen net zo goed ook in de wijk aan de slag konden...als diabetesverpleegkundige. En kwamen er ook nog wat cowboy-achtige types die op eigen houtje een zorgbureautje begonnen dat ook diabeteszorg kon leveren.

Ik weet natuurlijk heel goed dat het belangrijkste dogma van marktwerking in de zorg is dat het kostenbesparend zal werken, maar ik heb nooit begrepen hoe dat dan precies in zijn werk moest gaan. Zieke mensen gedragen zich nu eenmaal niet hetzelfde als een consument die een nieuwe koelkast wenst. En die nieuwe koelkasten in de gezondheidszorg, dat zijn dan de dokters met hun behandelingen en zij laten zich nu eenmaal niet zo makkelijk vangen in de plus- en minlijstjes van de consumentenbond.

Maar goed, ik ben geen econoom en zal hierover zwijgen. Ondertussen bleven de kosten van de gezondheidszorg gewoon doorgaan met stijgen.

Dat dan weer wel.

Weer terug naar dat gesprek met de wethouder en zijn ambtenaar.

Ik legde als stelling neer dat marktwerking in de zorg toch niet hetzelfde is als het krachtenspel dat regulerend werkt bij de markt van auto's of huizen....(wist ik toen veel. We hebben het over zeker 15 jaar geleden). Immers, het gaat hier over kwetsbare mensen: dementerenden, chronisch zieken, psychiatrische patiënten en ga zo maar door. Ik vond dus dat er op één of andere wijze regie in dit proces moest bestaan. Mij leek hier een schone taak voor de gemeente weggelegd.

De ambtenaar zuchtte diep. Ze liet haar hoofd demonstratief omlaag zakken, keek weer op, greep naar haar hoofd en draaide opzichtig met haar ogen.

Ik moet toegeven dat ik met enige bewondering het theatrale gebaar bekeek. De wethouder ook en deze hield even wijs zijn mond. De ambtenaar verklaarde "dood- en doodmoe te worden van die discussie over de regiefunctie voor de gemeente...." Dat kon je, ze was hier zeer stellig in, nooit, ik herhaal nooit bij de gemeente neerleggen. Het krachtenveld was te complex en de gemeente was hier helemaal niet op toegerust.

De wethouder hield zich op de vlakte. Hij zat er nog niet zo lang en deze ambtenaar ging al jaren mee in deze sector.

Vandaag las ik de beleidsplannen van de gemeente waar ik woon, over de decentralisatie van de eerstelijns zorg, het jeugdbeleid en het beleid rond werk en inkomen. Het staat bol van kreten als "iedereen doet mee", "werken naar vermogen", "beroep doen op je eigen netwerk, "eigen kracht", "onverwachte verbindingen", en ga zo maar door.

Maar ook: " de natuurlijke regierol in dit proces is weggelegd voor de gemeente"....

En ik denk aan al die zieke, gehandicapte, afhankelijke, kwetsbare mensen die al zo moeilijk meekomen in de snelheid van onze samenleving.

Ik begin haar een beetje te begrijpen,

die ambtenaar met haar rollende ogen....

vrijdag 30 augustus 2013

Bloemen



De man en de vrouw zijn al oud. Ze kijken ingespannen in de lens. Zij kijkt zelfs ronduit wantrouwig. Hij kijkt zoals je kijkt wanneer iemand tegen je zegt dat je moet gaan zitten en je niet zo goed begrijpt wat er aan de hand is. Ze zijn omringt door bloemen. Waarschijnlijk gaven de bloemen kleur aan het geheel. Ik vermoed tenminste dat de man en de vrouw in zwart en wit gekleed zijn. Misschien dat hij iets wat grijs is aanheeft, maar kleuriger zal het niet zijn geweest.

De reden voor alle feestvreugde is niet duidelijk. Ik meen dat mijn moeder me eens heeft verteld dat het echtpaar op de foto 50 jaar getrouwd was.

Het echtpaar, dat zijn mijn overgrootouders. Hij is Phillipus Ewouds en zij is Hitje Groendijk. Beiden afkomstig van Terschelling, alwaar ze zijn geboren, opgegroeid, getrouwd, 13 kinderen hebben gekregen. Hij was zeeman. Tenminste, zo staat hij in de boeken. Als de meeste mannen van Terschelling, scharrelde hij vooral: hij ging vissen op zee, hij boerde wat op de zanderige grond rond zijn boerderij en soms, als het meezat, kon hij jutten op het strand. Het verhaal dat er een schip met vaten rum op het eiland was gestrand en hierna het hele eiland bezopen raakte, heeft het boek van Sil de strandjutter gehaald, maar vormde ook één van de verhalen die mijn oma over haar jeugd vertelde.

Ik heb het huis waar mijn oma opgroeide een keer met haar opgezocht. In Midsland. Een piepklein huisje met hieraan gebouwd een enorme stal. Het gezin woonde in het huisje, alhoewel sommige kinderen bovenin de stal moesten slapen. Tegenwoordig is de stal onderdeel van het huis en wonen hier twee mensen in de enorme ruimte. Het kan verkeren.

Op enig moment is het gezin van het eiland weggetrokken. De details zijn me onbekend. Zo weet ik niet of het hele gezin in één keer is weggetrokken of dat dit geleidelijk is gegaan. Hoe dan ook, mijn oma trouwde en kwam in Amsterdam te wonen. Ze kreeg 5 kinderen en haar ouders woonden bij hen in. Haar vader, Phillipus, dementeerde.

Het gezin woonde in Amsterdam in een portiekwoning. Ze hadden het niet echt arm, maar het was een zuinig bestaan. In de oorlog woonde het gezin aan de "verkeerde kant" van het IJ. Dat betekende dus honger lijden en dat hebben ze gedaan. Met zijn allen.

En zo kom ik weer bij de foto. Als het inderdaad het 50-jarig huwelijk van mijn overgrootouders is geweest, dan moet de foto in mei 1944 zijn genomen...

Waar kwamen dan al die bossen bloemen vandaan?

Mijn overgrootvader is hier dan 70 zijn vrouw is een jaar jonger. Het zijn al echt hoogbejaarde mensen, verdwaald in een stad en een tijd die zij al lang niet meer begrepen. Een visser en jutter van Terschelling die zelf, net als zijn vrouw, afkomstig is van een geslacht van allemaal vissers en jutters....scharrelaars. Midden in Amsterdam, midden in een oorlog.

Midden tussen de bloemen.

zaterdag 24 augustus 2013

Wonderen bestaan, ook tijdens een treinreis

Een plunjezak gevuld met Korans


Reizen levert soms ontmoetingen op die nog lang blijven natrillen in je herinnering. Dat kan gebeuren omdat de ontmoeting iets wat al lang in je geest sluimerde, tot ontwaken heeft gebracht; het kan zijn dat de ontmoeting tot een volstrekt onverwacht en adembenemend inzicht leidde; het kan ook zijn dat de ontmoeting iets vooralsnog onbestemds in beweging heeft gezet.

Dat laatste, daarover gaat dit verhaal. Ze leverde een puzzel op. U kent dat wel: u probeert zich nieuwe inzichten eigen te maken en heeft het gevoel dat u er soms, met uw vingertoppen, even bij kan komen. Het lijkt binnen handbereik, maar uw armen zijn nét te kort. Zo'n puzzel.

Het is alweer jaren geleden. Ik zou een paar dagen bij mijn zus in Basel doorbrengen. Ik zou met de nachttrein naar Zwitserland rijden en de volgende ochtend, rond de koffie, zouden we elkaar op het station treffen.

Nu lijken treinen mij nogal eens op een ondoorgrondelijke wijze verder van mijn doel te verwijderen als dat ik er bij kom. Zo ook deze reis. Bij aanvang van de reis in Utrecht, werd omgeroepen dat op het station van Arnhem, door een technisch mankement, de elektriciteit volledig was weggevallen. Arnhem was daardoor onbereikbaar. We werden met de trein naar Wageningen gebracht en vandaar met een bus zouden we doorreizen naar, ik meen, Nijmegen. In Nijmegen zou een boemel klaarstaan om ons richting Venlo te brengen. Bij aankomst bleek deze boemel alweer vertrokken en ik deed, met enkele medereizigers naar Basel, mijn beklag: de aansluitende trein die ergens in Duitsland op ons zou wachten, zouden we nu zeker niet meer halen. We werden in een taxi geduwd. In Venlo bleek echter ook niemand op ons gerekend te hebben.

Enfin, lang verhaal kort. Op het tijdstip dat ik had verwacht aan de koffie te kunnen met mijn zus in Basel, was ik de Nederlandse grens nog niets eens overgestoken. Ik had urenlang in toenemende wanhoop en tenslotte in een soort doffe berusting, in taxi, bussen, boemeltreinen en intercitytreinen gezeten, zonder dat ik mijn reisdoel ook maar enigszins was genaderd.

Ik vertel dit zo uitgebreid omdat ik me later wel eens heb afgevraagd in hoeverre deze gebeurtenissen het vervreemdende karakter van de hele reis had versterkt.

In Keulen kon ik vroeg in de ochtend uiteindelijk op een trein richting Basel stappen. Ik kwam terecht in een coupé waarin een drietal gezette heren, Zwitsers, zo zou blijken, en een inktzwarte neger in witte jurk en een, ook wit, gehaakt soort keppeltje. De laatste leek in diepe slaap en zat met zijn gezicht weggedoken. De heren zaten in een geanimeerd gesprek. Ik kwam tegenover de negerjongen te zitten. Ik zag al direct dat hij helemaal niet sliep: hij zat voortdurend voor zich uit te prevelen en keek met nietsziende ogen naar buiten. Daar was ook niets te zien: door het donker, weerspiegelde de ruit uitsluitend de beelden vanuit de coupé. Mogelijk hield hij zo iedereen in de gaten. Ik maakte me er niet druk om en pakte mijn boek. Het zou nog een lange zit worden.

Na enige tijd stond de jongen tegenover mij op en reikte naar een enorme plunjezak dat boven zijn hoofd in een bagagerek lag. Hij tilde de zak omlaag en maakte hem open. Tot mijn verbazing was deze geheel gevuld met boeken. Hij moest loodzwaar zijn. De jongen pakte er een boek uit, klopte hier zachtjes op terwijl hij mij aankeek, zei hij:

"Koran...",

en hij stak zijn duim op. Hierbij sloeg hij genoeglijk op de plunjezak en deze bleek geheel gevuld met korans.

De Zwitserse heren waren even stilgevallen en keken het tafereel aandachtig aan. Ze blikten veelbetekenend naar elkaar en dachten er duidelijk het hunne van. De jongen gunde hun geen blik waardig, maar bleef mij aankijken.

Aarzelend, hij sprak een mengelmoes van Nederlands, Duits, Engels en nog allerlei andere onverstaanbare woorden, raakten we in gesprek met elkaar. De jongen vertelde me dat hij vanuit Ivoorkust naar Nederland was gevlucht. In Nederland was hij in een asielzoekerscentrum terecht gekomen en daarmee in de Nederlandse, ambtelijke molen die onwillig en langzaam draait. Zijn aanvraag duurde en duurde totdat hij het zat was. Hij voelde zich nutteloos en zijn bestaan werd uitzichtloos. Hij besloot om terug te keren naar zijn land.

Hij keek me triomfantelijk aan. Ik keek schaapachtig terug.

Ik vroeg hem hoe hij dit voor elkaar dacht te krijgen. Had hij een paspoort, geld? Dit begreep de jongen niet:

hij had Allah.

Die had hem altijd geholpen en ook nu weer. Hij had bedacht dat de boten uit Noord Afrika die de Middellandse zee naar Europa overvoeren, gevuld met vluchtelingen, leeg terugkeerden. Dáár zag hij zijn kans...

Hij trok een verkreukeld pasje tevoorschijn. Dit bleek een pasje te zijn van het asielzoekerscentrum waar hij de afgelopen jaren had doorgebracht. Het was mij een raadsel hoe hij in deze trein terecht was gekomen en hoe hij de grens was gepasseerd. Ik begreep echter wel dat de Zwitserse grens naderde en hiermee ook het einde van zijn reis.

De Zwitserse mannen hadden zo ongeveer begrepen hoe het verhaal van de jongen in elkaar zat en maakten zich duidelijk vrolijk. Hufters.

Alhoewel ik zeker geloof dat wonderen bestaan, was dit wel teveel gevraagd. Natuurlijk werd de jongen bij de Zwitserse grens door de douane uit de treincoupé gehaald. Zonder morren stond hij op, tilde de plunjezak, gevuld met Korans op zijn rug en volgde de douanier. Hij gaf mij monter een knipoog.

Basel kwam dan eindelijk. Ik stapte de trein uit en liep over het perron richting de vertrekhal. Opeens hoorde ik achter mij een brul. Voordat ik wist wat er gebeurde, werd ik door iemand in de armen genomen: de jonge neger uit Ivoorkust.... Hij  omhelsde mij enthousiast en ik keek hem stomverbaasd aan.

Hij wees alleen maar naar boven en zei veelbetekenend: "Allah..."

Hierna gooide hij de plunjezak over zijn schouder en verdween in de mensenmassa.

Ik weet het zeker: hij is al lang weer terug in Ivoorkust.

maandag 19 augustus 2013

Dilemma's rond een onbeduidend besluit.



Het besluit werd in de vakantie genomen.

Ik liep er al langere tijd over te dubben. Zoals dat gaat, kleine ergernissen die, zodra de dag vordert, weer verdwijnen en daarmee ook de gevoelde noodzaak om de knoop door te hakken. Dit patroon herhaalt zich enkele maanden. Enfin, in de vakantie was het dus zover.

Er zou een nieuw scheerapparaat komen.

Het is onbeduidend, ik geef het onmiddellijk toe. Het gaat nergens over, zeker wanneer je het afzet tegen al het wereldleed dat via televisie, krant en internet over je uit wordt gestort. Maar toch, het vormde een soort kriebel die steeds maar weer terugkwam.

Natuurlijk, het apparaat was al oud en had zijn geld wel opgebracht na 15 jaar trouwe dienst. Ik hoef me dus nergens over te schamen. En bovendien, de oplaadbare batterij was steeds minder oplaadbaar. Dat wil zeggen, hij laadde nog wel op maar het liep er feitelijk net zo hard weer uit. Maakte ik echter het snoer vast aan het apparaat en stak ik de stekker in het stopcontact, dan liep hij weer als een net geoliede machine.

En je gaat hechten aan zo'n ding.

Maar goed. Toen het besluit eenmaal was genomen, was de volgende puzzel het vinden van een nieuwe.

Dat is nog geen sinecure. Je kan ze op vele plaatsen krijgen, ook via internet, maar er zijn natuurlijk verschillende merken met onderling weer allerlei typen en, uiteraard, overal hangt een ander prijskaartje aan. Dat geeft een belangrijk dilemma voor de aanschaf van het stuk techniek. Bovendien, techniek waardoor je jezelf iedere ochtend toch minstens 10 minuten in de spiegel staat aan te staren. Onuitgeslapen, soms zelfs ronduit chagrijnig of juist fluitend en vol goede zin in de komende dag. Het scheerapparaat maakt het allemaal mee. Dat vraagt toch een zekere zorgvuldigheid bij de keuze van een nieuwe.

Ik besloot om een winkel op te zoeken waar nog verkopers rondlopen die iets te vertellen hebben over de door hen verkochte waren. Ik geef toe, ze zijn zeldzaam. Toen ik laatst met mijn dochter op pad was voor een nieuwe laptop, begon de verkoper die ik om advies vroeg, ijskoud voor te lezen wat op het kaartje stond dat wij samen allang hadden gelezen. Maar van deze winkel weet ik dat het anders is.

Ze stelde me niet teleur. De verkoper begon me enthousiast uit te leggen dat de afgelopen 15 jaar nu net revolutionaire jaren waren geweest voor scheerapparaten. Dat had ik toch maar weer allemaal gemist. Natuurlijk waren de scheerapparaten, zoals ik die net had weggedaan, nog wel verkrijgbaar, maar dan miste ik toch het beste. Gelaten bedacht ik me dat dit ouderwetse stuk techniek me 15 jaar zonder enig probleem had geholpen. Maar ik wilde niet eigenwijs zijn. Belangstellend vroeg ik waar de belangrijkste ontwikkeling dan eigenlijk in zat.

"Nou, dat zit in de mesjes. Kijk, in die ouderwetse apparaten zit er veel ruimte tussen de mesjes. In die nieuwe sluiten de mesjes onderling vrijwel op elkaar aan. Dat geeft een veel beter scheeroppervlak..."

Ik kon niet direct in gejubel uitbarsten en keek de verkoper dan ook wat waterig aan. Ik probeerde me de scheerapparatenfabriek voor te stellen waar jonge technici enthousiast met hun innovatieve ideeën in de weer waren. Het riep geen beeld op. Een scheerapparaat blijft toch een beetje een scheerapparaat.

Ik besloot aan mijn eigen kwelling een einde te maken en wees een apparaat aan. Hij leek wel wat op de mijn oude, maar het bleek een topmodel te zijn. Een klassiek model voor krachtige scheerresultaten, wist de verkoper uit zijn mond te krijgen.

Ik was er weer voor 15 jaar vanaf.

zondag 18 augustus 2013

Wat zoekt een mens in Albury?

Het huis van Drummond in Albury Park


Albury ligt midden in het heuvelachtige, idyllische landschap van het graafschap Hertfordshire, iets ten zuidwesten van Londen. De A 248, een lokale weg, slingert door de heuvels, bossen, landgoederen en dorpjes heen en ook dwars door het gehucht Albury.
Albury is klein. Behalve een pub, een kantoor van de gemeente, een paar doodlopende dwarsstraten waaraan wat bebouwing, valt er niets te beleven. Het is een aardig plaatsje, op sommige plekken zelfs schilderachtig, maar daar kent deze streek talloze voorbeelden van.

Toch wilde ik persé naar Albury.

In Albury kocht Henri Drummond in 1819 het landgoed "the Albury Park" met het bijbehorende huis. Drummond was een telg uit een rijke, Engelse familie. De familie bezat een bank en Henri beheerde deze instelling. Dat deed hij goed en het bezorgde hem geen windeieren. Sinds 1810 zat hij ook in het Engelse Parlement. Hij studeerde in Oxford aan het prestigieuze Christchurch-college en in 1825 was hij de grondlegger van de leerstoel "politieke economie" aan dezelfde universiteit.

Het moge duidelijk zijn: Drummond behoorde tot de Engelse "upperclass".

Nog steeds vraagt u zich af waar mijn belangstelling voor Drummond nu eigenlijk vandaan komt.

Ik ben Apostolisch.

Het vraagteken wordt alleen maar groter.

Laat ik volstaan op te merken dat ik behoor tot een kerk die voortkomt uit een traditie die rond 1830 in, jawel, Albury ontstaan is... Op het landgoed van Drummond, die tussen 1826 en 1830 jaarlijks een conferentie organiseerde met discussies over de toestand van de kerk in die dagen, bijbellezingen en gebed. Deze conferenties leidden uiteindelijk tot de oprichting van de "Catholic Apostolic Church".

Vandaar.

Bijzonder is wel dat deze eerste kerk in de Apostolische traditie, inmiddels vrijwel is uitgestorven. Vooral wanneer je je bedenkt dat deze zelfde kerk in korte tijd, na 1830, een enorme groei doormaakte: rond de eeuwwisseling naar de 20e eeuw kende ze ruim 200.000 leden en had ze zo'n 1.000 gemeenten over de hele wereld. Eén van haar eerste, belangrijke voorgangers, Edward Irving, trok, wanneer hij predikte, soms wel 3.000 toehoorders aan.

Deze kerk is vrijwel geheel verdwenen. In Engeland tref je soms nog een kerkgebouw aan met een plaquette aan de muur waarop vermeldt staat dat het gebouw oorspronkelijk door de Catholic Apostolic Church is gebouwd. Van de 17 gemeentes in Nederland, zijn er nog ongeveer 3 over. Nieuwe ambtsdragers worden al vele decennia niet meer aangewezen. De leden van de kerk hebben aansluiting gezocht bij andere, Christelijke kerken en komen nog beperkt samen om hun eigen rituelen uit te voeren.

De kerk kende echter verschillende afscheidingen die zich in de loop der jaren weer vertakten. Deze nog jonge scheut van de Christelijke Kerken, kent al een zeer volgroeide kruin. Wereldwijd zijn er zo'n 15 miljoen mensen die zich Apostolisch noemen. En daar ben ik er één van.

Nieuwsgierig liep ik dus het landgoed in Albury op. Ik zag het bordje dat het niet toegankelijk was, maar, zo was mij verzekerd, Apostolischen worden getolereerd.

Het duurde niet lang toen een dame naar mij riep, of ik verdwaald was. Na mijn uitleg, raakte ze in toenemende mate geïrriteerd. Ze woonde hier al haar hele leven en steeds opnieuw "those Apostolic" die maar het terrein op kwamen lopen. Ze was echt Engels, je moest goed naar haar luisteren om te begrijpen dat ze het echt zat was: "this is really an issue for me..."

We zijn maar weggegaan.

We liepen nog even naar de kerk die Drummond aan de rand van het landgoed had laten bouwen. De eerste kerk die door de Catholic Apostolic Church was gebouwd.

Hij zat op slot...