woensdag 25 september 2013
Kantooridylle
In het park passeerde ik een man en een vrouw die gemoedelijk met elkaar in gesprek waren.
In het Engels.
Ik hoorde de man spreken over een “office garden”.
Hier dwaalden mijn gedachten weg. Voor mij ontstond het beeld van een lommerrijke tuin, zacht ruisende bladeren, nazomerse kleurenprachten en mensen die aan tuintafels dromerig hun dagelijkse teksten op een laptop invoeren. Daar staat iemand op en maakt een korte ronde door de rozentuin. Diep inhaleert ze de zoetige lucht en besluit weer voldoende energie te hebben opgedaan om nu ook die lastige klant even te bellen. Een groepje scheidt zich af en neemt gaat in een cirkel in het gras zitten. Ze spreken vrolijk met elkaar.
Vaag begint het geluid van een bladerblazer door de beelden heen te dringen. Ik weet het geluid met enige moeite nog even weg te duwen. Onontkoombaar dringt het zichzelf echter op. Het zware dieselgeluid dreunt door de tuin heen en langzamerhand begint zich in mijn hoofd een woord te vormen.
Kantoor - tuin…
…office - garden...
…kantoortuin!
De tuintafels en de rozentuin verdwijnen vrijwel onmiddellijk. Het geloei van de bladerblazer neemt nu alle ruimte in. De man loopt zwetend in zijn zware werkkleding, blazend door het park. Hij stopt even, grijpt naar een pak shag en draait een shaggie. Hij kijkt mij aan en spuugt iets op de grond.
Geen kantoortype.
zaterdag 21 september 2013
Spoorloos....
Toen Jeltje op 28 maart 1906 trouwde met Dirk Pieter, leek het leven haar eindelijk een beetje toe te lachen. Dirk had een vaste baan bij de spoorwegen. Zijn zachte, Brabantse tongval vond ze prettig klinken. Veel prettiger dan het rauwe Fries waar ze mee was opgevoed.
Alhoewel, opvoeding kon je het moeilijk noemen. Haar vader, Haije de Jong, bracht het grootste deel van zijn leven in de gevangenis door. Het was geen nare man, maar hij was al jong begonnen met stelen. In het Friese dorp Smallingerland waar iedereen elkaar kende en elkaar goed in de gaten hield, werd hij dan ook voortdurend nagewezen en hij kwam nergens aan werk. Dus ging Haije maar weer op dievenpad, totdat hij opnieuw tegen de lamp liep en voor een periode het gevang indraaide. Op veel erbarmen konden Jeltje, haar zus Janke en hun moeder Sjoukje natuurlijk niet rekenen. Ze hoorden er niet bij en als kind werd ze overal geweerd, ze was immers de dochter van die dief. Andere kinderen liepen honend en wijzend achter haar aan als ze in het dorp boodschappen moest doen. Haar moeder was al lang verbitterd over zoveel christelijke naastenliefde en schold op alles en iedereen.
Dus ja, toen Dirk Pieter haar het hof maakte met zijn zachte "g" en vriendelijke ogen, liet Jeltje zich al snel meeslepen. Het duurde dan ook niet lang of zij werd zwanger van haar eerste kind, een dochtertje. Het duurde hierna nog twee jaar voordat Dirk haar ten huwelijk vroeg, toen was echter inmiddels ook hun tweede kind, opnieuw een dochtertje, al geboren.
Het leven als ongehuwde moeder viel, ook in een grote stad als Amsterdam, niet mee. Jeltje was echter gewend aan het leven op de rand van de samenleving en voegde zich zonder al teveel gezeur. Na het huwelijk leek het leven voor haar eindelijk wat perspectief te krijgen. Dirk en Jeltje kregen samen nog 6 kinderen, waaronder Bertus, mijn opa.
Dirk bleek geen gemakkelijke man om mee samen te leven. Hij was dominant, gierig en bovendien niet afkerig van vriendinnen. In 1933 was het voor Jeltje genoeg. Ze liet zich van hem scheiden.
Hierna is Jeltje verdwenen.
Spoorloos.
In de Amsterdamse archieven is haar naam verdwenen...
Ze is niet teruggekeerd naar Friesland.
Waarvoor zou ze.
Ze is niet in de buurt van haar zus in Groningen gaan wonen.
Is ze opnieuw getrouwd? Is ze ergens opgenomen? Is ze, berooid, het pad van haar vader opgegaan?
We zullen het, wellicht, nooit weten.
Jeltje is verdwenen.
Spoorloos.
dinsdag 17 september 2013
Over antroposofie, adoptie en zelfgekweekte groente.
De regenbui kwam onverwacht en was fel. Ik besloot dan ook
een boekwinkel binnen te gaan en hier de bui af te wachten.
In de boekwinkel bleken twee klanten aanwezig die voor de
kassa een hoogoplopende discussie voerden. De boekhandelaar stond achter de
kassa bescheiden en diep ongelukkig wat onduidelijke opruimwerkzaamheden te
verrichten. De twee spraken luidkeels en ongeneerd. Ik liep wat dieper de
winkel in. De discussie was echter overal woordelijk te volgen.
Ook na enige minuten onopvallend maar opmerkzaam luisteren, bleef mij onduidelijk waarover de man en de vrouw elkaar in de haren waren
gevlogen. Zij was een Gooise jonge dame: keurig gekapt en gekleed en ze sprak,
weliswaar hard, met een ietwat geaffecteerd stemgeluid. Hij was armoedig
gekleed, had een donkere huidskleur en sprak een foutloze maar duidelijk meer
volkse variant van onze taal.
De dame liet ongeveer om de drie zinnen weten
“antroposofisch” te zijn. Dat vond ze blijkbaar cruciaal om de wereld te laten
weten en ik was onmiddellijk bereid dit van haar aan te nemen. Hij was cynisch
en bitter. Hij verweet haar dat ze “dacht alles te weten”, maar “je weet
h-e-l-e-m-a-a-l niks” en dat ze maar dacht dat alle mensen “goed” waren. Dat
laatste werd door haar heftig ontkend. Om onduidelijke redenen voerde ze
hierbij als argument aan dat ze dacht dat haar ouders “slecht” waren. Hierop
haalde hij aan dat hij, als adoptiekind, door zijn Nederlandse ouders hier naar
toe was gehaald. Hij werd echter door de “Staat” niet als Nederlander erkend.
Hij kreeg dus geen uitkering. Daar reageerde de vrouw verbaasd op en er klonk
duidelijk ongeloof door in haar stem: hoe kon een adoptiekind nu niet door de
staat worden erkend. De man herhaalde nog maar eens dat de vrouw blijkbaar geen
idee had hoe de wereld in elkaar zat.
Stiekem begon ook ik wat vraagtekens te zetten bij het
betoog van de man. En ik meende een lijn in het verhaal te ontdekken, maar dáár
had ik te vroeg gejuicht.
Opeens begon de vrouw aan de man te vragen of hij dan dacht
dat bij haar, ze was immers antroposofisch, producenten als Coca Cola en
andere, in haar jus en andere etenswaren allerlei troep konden stoppen. De man
viel even verbijsterd over zoveel naïviteit stil….natuurlijk dacht hij dat! “Kijk
maar eens wat ze bij al die oorlogen doen!”De vrouw verklaarde dit onzin te
vinden: ze kweekte, ze was antroposofisch, haar eigen groente in de tuin…dat
was onmogelijk…
Ik keek eens naar haar handen en haar keurig gemanicuurde
lange nagels en besloot dit keer háár niet te geloven. Die handen waren nog
nooit in de modder van de achtertuin verdwenen. Vervolgens keek ik hen beiden
aan en vroeg me af hoe twee mensen zo onzindelijk konden raaskallen. Blijkbaar
hadden ze elkaar gevangen in deze onbegrijpelijke discussie. Verhit keken ze
elkaar aan. De boekenverkoper was inmiddels op zijn hurken achter de toonbank
verdwenen. Door de regen kwamen meer mensen de winkel binnen.
Ze wilden beiden verlost worden. Maar hoe breek je een
absurde dialoog af? Heel juist, op absurde wijze. Zij concludeerde dat hun
discussie inmiddels zoveel mensen naar binnen had getrokken en dat ze geen zin
meer (?) had om als een soort publiek vermaak te dienen. Hij knikte begripvol
en merkte op dat hij ook (!) wel honger had gekregen. Ze waren het eens, alleen
geen idee waarover. Ze zwaaiden even naar de verkoper onder de toonbank en
liepen de winkel uit.
De verkoper kwam langzaam weer overeind. Hij zuchtte even
diep en keek mij afwachtend aan. Ik zwaaide met een boek dat ik had uitgezocht
en legde mijn vinger op mijn lippen als teken dat ik zou zwijgen. De verkoper
leek iets te willen zeggen… keek weer naar buiten en vervolgens de winkel in.
Toen schudde hij kort maar heftig zijn hoofd en was het verhaal, ook wat hem
betreft, over.
woensdag 11 september 2013
Bratwurst oftewel een mijmering over een voorbije zomer....
Als, op welke wijze dan ook, het woord “braadworst” valt,
vliegt mijn geest in een fractie van milliseconden naar een zwembad in
Zwitserland. Altijd en iedere keer weer.
In mijn jeugd, we woonden nog in Castricum dus dat moet voor
mijn 12e jaar zijn geweest, gingen we enkele keren op vakantie naar
Zwitserland. Mogelijk dat mijn geheugen me op dit punt verraad, maar volgens
mij huurde mijn vader een appartement in een grote boerenwoning in het gehucht “Ober
Waldstatt”. Als ik deze naam “google” levert dat niets op.
Het klinkt wel
Zwitsers.
Hoe dan ook.
In de omgeving van deze woning bevond zich een openlucht
zwembad. Hier brachten we meerdere keren enkele uren door. Het zwembad kreeg
toch wel een plek in mijn herinnering: alle mannen werden verplicht om een
badmuts op te doen. Als jongetje van een jaar of negen, vond ik dat natuurlijk
belachelijk.
Iedere middag op klokslag dezelfde tijd, alleen ik weet niet
meer welke tijd dit was, kraakte de omroepinstallatie even en vervolgens riep
een wat hese stem: “Die Bratwürste sind fertig” Het vervolg laat zich raden:
een lange rij vormde zich bij de bakplaat en hierna deden de bezoekers van het
zwembad zich massaal te goed aan de broodjes vette hap.
Gek genoeg weet ik niet of wij ook zo’n broodje aten. Mijn
herinnering betreft de mededeling die over het grasveld schalde, niet de smaak
van de worst.
Er is ook een bepaalde geur. Geuren zijn niet uit het niets
op te roepen, althans, mij lukt dat niet. Maar er hoeft maar een fractie van
deze combinatie van geurstoffen ergens in de lucht te hangen en mijn neus, niet mijn meest
gevoelige orgaan, pikt het op. De geur hangt samen met de slaapkamers van de
vakantiewoning. Op de bedden lagen voor ons als nieuw fenomeen: dekbedden. Door het raampje konden
mijn broer en ik in de verte hoge bergtoppen zien. Van buiten woei de lucht van
koeien en gras, wat zich dus vermengde met de geur van de dekbedden. Die geur
van boerenland en zeep, associeer ik sindsdien met zomer en, vreemd genoeg want
waar ligt de relatie, geborgenheid.
Dit schrijfsel is inmiddels meer een mijmering geworden, dus
ik zal dit patroon niet meer verstoren. Nog een enkel beeld.
Mijn vader was in deze periode voor zijn werk langdurig in,
toen nog, Tsjecho-Slowakije. Als hij een weekeinde of, zoals in dit geval, voor
een vakantie, naar huis kwam, nam hij cadeaus mee. Voor deze vakantie was dat
voor mijn broer en mij, een pijl en boog. Hiermee stonden wij in het weiland
voor het huis te schieten: we mikten op de bovengrondse elektriciteitsdraden.
Als de pijl zo’n kabel raakte, hoorde je over de lengte van de kabel een siddering
gaan. Hier waren we uren zoet mee.
En dan nog een spel. Deze vakantie werd door ons gezin het
“stap-op” spel gespeeld. De finesses zijn mij niet meer bekend, maar dit was
een kaartspel waardoor je met de fiets een tocht ging maken. Tegenspelers hadden
echter pestkaarten, zoals een lekke band, die jouw reis voortdurend
onderbraken. Het spel was dan ook een goede oefening in het
“tegen-je-verlies-kunnen”. Dat konden we geen van allen erg goed. Mijn vader
loste dat consequent op door gruwelijk doorzichtig vals te spelen zodat we met
elkaar lachend over de grond rolden. Soms letterlijk.
Ja, nu begin ik die geborgenheid ook weer te begrijpen…
vrijdag 6 september 2013
Nachtvlinder.
Vorig weekeinde sliep onze jongste dochter bij ons thuis. Zondagochtend vroeg, een uur of vijf, wekte ze mij. Ze hoorde naast het huis iemand hard huilen.
Het duurde even voordat mijn geest en mijn lichaam zich op hetzelfde punt bevonden. Ik luisterde naar de geluiden die door het open raam naar binnen kwamen en inderdaad, er was iemand aan het huilen. Ik was opeens klaar wakker en sprong uit bed. Samen met mijn dochter liep ik naar de benedenverdieping en ik deed de voordeur van het slot. Ik gebaarde naar mijn dochter dat ze maar beter binnen kon blijven. Ik liep om het huis heen.
Naast ons huis bevindt zich de oprit naar de garage. Vanochtend stond de auto van mijn vrouw hier geparkeerd. Omdat de buren hun huis aan de zijkant hebben uitgebouwd, vernauwt de oprit zich hier tot ongeveer de breedte van een auto. De auto van mijn vrouw sloot dit deel min of meer af, zodat er een soort beschutte ruimte was ontstaan.
Hier zat een meisje weggedoken tegen de zijmuur van ons huis.
Ze had haar fiets hier ook gezet, zodat noch de fiets noch zijzelf vanaf de straat te zien was. Daarentegen was ze uitstekend te horen: jankerig sprak ze op luide toon in een telefoon.
Toen ze mij in de gaten kreeg, sprong ze onmiddellijk overeind en veegde haar ogen droog. Ze was nog jong en, ondanks haar pogingen om door kleding en make up ouder te lijken, kon ze niet ouder dan 15 zijn. Ze maakte omstandig haar excuus en begon een verward verhaal waaruit in ieder geval bleek dat ze geen idee had waarom ik hiernaar toe was gekomen, waar ze was en hoe het nu eigenlijk verder moest.
Terwijl ze sprak, kwamen zware walmen alcohollucht mijn kant op. Ze was straalbezopen.
Ze keek me trouwhartig aan en vroeg me of ik het een beetje begreep.
Ik kon er geen touw aan vast knopen.
Ze vroeg me of ik een bepaalde uitgaansgelegenheid in de stad kende. Ik had mijn eigen kinderen hier wel eens over gehoord. Ze vroeg me of ik wist waar Gouderak lag. Een klein plaatsje vlakbij Gouda, dat kende ik. Het lag in ieder geval een heel andere kant op. Ze keek me aan.
Ik gaf aan nog niet het verband te zien tussen de uitgaansgelegenheid, Gouderak en het feit dat ze nu huilend naast ons huis zat.
"Oooooh, is dit úw huis???"
Zover waren we dan gekomen.
Nu vertelde ze dat ze op een grote weg hier vlakbij, was lastig gevallen door een groep Marokkaanse jongens. Ze liet een plek op haar been zien, daar was de uitlaat van een scooter tegenaan gevallen of tegenaan geschuurd, dat werd niet duidelijk. Ook was een ketting, die ze altijd droeg, in stukken gebroken...Ze liet met een pruillip de restanten zien. Ze huilde niet meer.
Nou, toen was ze maar gevlucht en hier weggekropen...
Dat leek me een verstandige actie.
Ik vroeg haar of ik haar ouders moest bellen, maar geschrokken weigerde ze dit. Vervolgens bood ik aan om haar met de auto maar naar huis te brengen, maar ook dat wilde ze niet. Ze durfde niet naar huis, ze was op weg naar een goede vriend die hier vlakbij woonde.
"Weet je dan waar je bent?"
Nou nee, ze had eigenlijk geen idee.
"Hoe wil je dan bij het huis van je vriend komen?"
Tja, dat was inderdaad wel een probleem. Maar ze had zijn telefoonnummer. En voordat ik iets kon zeggen, het was nog steeds pas half zes 's ochtends, had ze zijn nummer aangetoetst. Blijkbaar was hij wakker want er werd al snel opgenomen. Ik kreeg de telefoon in mijn handen geduwd. De jongen aan de andere kant van de lijn klonk wat slaperig maar niet onaardig. Hij wist wie het meisje was en zou haar wel op komen halen. Ze kon bij hem thuis wel op de logeerkamer slapen. Hij zou haar komen halen. Hij vroeg of ze naar een gymzaal vlak bij ons huis kon komen....ik keek haar vragend aan. Ze knikte opgetogen, die wist ze wel te vinden.
Ze sprong op haar fiets en verdween in het ochtendschemer de straat weer uit.
Ik huiverde en keek naar de lucht....
het zou weer een warme dag worden....
dinsdag 3 september 2013
Over guldens en daalders...
Ik zie het weer gebeuren. Met een collega sprak ik met de wethouder en zijn beleidsambtenaar over de gevolgen van de marktwerking in de zorg.
De vaak nog bijzonder tere samenwerkingsverbanden tussen verschillende zorginstellingen en professionals om cliënten met een bepaald ziektebeeld vanuit een ketengedachte te benaderen, dreigde door dit nieuwste speeltje van politiek Den Haag, rap de nek om te worden gedraaid. Daar waar zorginstellingen aanvankelijk op zoek gingen naar de aanvullende capaciteiten van hun collega in het veld, begonnen ze nu, heel ondernemend, zelf aanvullend allerlei aanbod te ontwikkelen.
Want tja, marktwerking, he?
En zo hadden we binnen de thuiszorg diabetesverpleegkundigen opgeleid; begonnen huisartsen hun praktijkverpleegkundigen massaal tot diabetesverpleegkundige om te scholen en bedacht het ziekenhuis dat poliklinisch werkzame verpleegkundigen net zo goed ook in de wijk aan de slag konden...als diabetesverpleegkundige. En kwamen er ook nog wat cowboy-achtige types die op eigen houtje een zorgbureautje begonnen dat ook diabeteszorg kon leveren.
Ik weet natuurlijk heel goed dat het belangrijkste dogma van marktwerking in de zorg is dat het kostenbesparend zal werken, maar ik heb nooit begrepen hoe dat dan precies in zijn werk moest gaan. Zieke mensen gedragen zich nu eenmaal niet hetzelfde als een consument die een nieuwe koelkast wenst. En die nieuwe koelkasten in de gezondheidszorg, dat zijn dan de dokters met hun behandelingen en zij laten zich nu eenmaal niet zo makkelijk vangen in de plus- en minlijstjes van de consumentenbond.
Maar goed, ik ben geen econoom en zal hierover zwijgen. Ondertussen bleven de kosten van de gezondheidszorg gewoon doorgaan met stijgen.
Dat dan weer wel.
Weer terug naar dat gesprek met de wethouder en zijn ambtenaar.
Ik legde als stelling neer dat marktwerking in de zorg toch niet hetzelfde is als het krachtenspel dat regulerend werkt bij de markt van auto's of huizen....(wist ik toen veel. We hebben het over zeker 15 jaar geleden). Immers, het gaat hier over kwetsbare mensen: dementerenden, chronisch zieken, psychiatrische patiënten en ga zo maar door. Ik vond dus dat er op één of andere wijze regie in dit proces moest bestaan. Mij leek hier een schone taak voor de gemeente weggelegd.
De ambtenaar zuchtte diep. Ze liet haar hoofd demonstratief omlaag zakken, keek weer op, greep naar haar hoofd en draaide opzichtig met haar ogen.
Ik moet toegeven dat ik met enige bewondering het theatrale gebaar bekeek. De wethouder ook en deze hield even wijs zijn mond. De ambtenaar verklaarde "dood- en doodmoe te worden van die discussie over de regiefunctie voor de gemeente...." Dat kon je, ze was hier zeer stellig in, nooit, ik herhaal nooit bij de gemeente neerleggen. Het krachtenveld was te complex en de gemeente was hier helemaal niet op toegerust.
De wethouder hield zich op de vlakte. Hij zat er nog niet zo lang en deze ambtenaar ging al jaren mee in deze sector.
Vandaag las ik de beleidsplannen van de gemeente waar ik woon, over de decentralisatie van de eerstelijns zorg, het jeugdbeleid en het beleid rond werk en inkomen. Het staat bol van kreten als "iedereen doet mee", "werken naar vermogen", "beroep doen op je eigen netwerk, "eigen kracht", "onverwachte verbindingen", en ga zo maar door.
Maar ook: " de natuurlijke regierol in dit proces is weggelegd voor de gemeente"....
En ik denk aan al die zieke, gehandicapte, afhankelijke, kwetsbare mensen die al zo moeilijk meekomen in de snelheid van onze samenleving.
Ik begin haar een beetje te begrijpen,
die ambtenaar met haar rollende ogen....
vrijdag 30 augustus 2013
Bloemen
De man en de vrouw zijn al oud. Ze kijken ingespannen in de lens. Zij kijkt zelfs ronduit wantrouwig. Hij kijkt zoals je kijkt wanneer iemand tegen je zegt dat je moet gaan zitten en je niet zo goed begrijpt wat er aan de hand is. Ze zijn omringt door bloemen. Waarschijnlijk gaven de bloemen kleur aan het geheel. Ik vermoed tenminste dat de man en de vrouw in zwart en wit gekleed zijn. Misschien dat hij iets wat grijs is aanheeft, maar kleuriger zal het niet zijn geweest.
De reden voor alle feestvreugde is niet duidelijk. Ik meen dat mijn moeder me eens heeft verteld dat het echtpaar op de foto 50 jaar getrouwd was.
Het echtpaar, dat zijn mijn overgrootouders. Hij is Phillipus Ewouds en zij is Hitje Groendijk. Beiden afkomstig van Terschelling, alwaar ze zijn geboren, opgegroeid, getrouwd, 13 kinderen hebben gekregen. Hij was zeeman. Tenminste, zo staat hij in de boeken. Als de meeste mannen van Terschelling, scharrelde hij vooral: hij ging vissen op zee, hij boerde wat op de zanderige grond rond zijn boerderij en soms, als het meezat, kon hij jutten op het strand. Het verhaal dat er een schip met vaten rum op het eiland was gestrand en hierna het hele eiland bezopen raakte, heeft het boek van Sil de strandjutter gehaald, maar vormde ook één van de verhalen die mijn oma over haar jeugd vertelde.
Ik heb het huis waar mijn oma opgroeide een keer met haar opgezocht. In Midsland. Een piepklein huisje met hieraan gebouwd een enorme stal. Het gezin woonde in het huisje, alhoewel sommige kinderen bovenin de stal moesten slapen. Tegenwoordig is de stal onderdeel van het huis en wonen hier twee mensen in de enorme ruimte. Het kan verkeren.
Op enig moment is het gezin van het eiland weggetrokken. De details zijn me onbekend. Zo weet ik niet of het hele gezin in één keer is weggetrokken of dat dit geleidelijk is gegaan. Hoe dan ook, mijn oma trouwde en kwam in Amsterdam te wonen. Ze kreeg 5 kinderen en haar ouders woonden bij hen in. Haar vader, Phillipus, dementeerde.
Het gezin woonde in Amsterdam in een portiekwoning. Ze hadden het niet echt arm, maar het was een zuinig bestaan. In de oorlog woonde het gezin aan de "verkeerde kant" van het IJ. Dat betekende dus honger lijden en dat hebben ze gedaan. Met zijn allen.
En zo kom ik weer bij de foto. Als het inderdaad het 50-jarig huwelijk van mijn overgrootouders is geweest, dan moet de foto in mei 1944 zijn genomen...
Waar kwamen dan al die bossen bloemen vandaan?
Mijn overgrootvader is hier dan 70 zijn vrouw is een jaar jonger. Het zijn al echt hoogbejaarde mensen, verdwaald in een stad en een tijd die zij al lang niet meer begrepen. Een visser en jutter van Terschelling die zelf, net als zijn vrouw, afkomstig is van een geslacht van allemaal vissers en jutters....scharrelaars. Midden in Amsterdam, midden in een oorlog.
Midden tussen de bloemen.
Abonneren op:
Posts (Atom)






