donderdag 9 februari 2012

Kiwi



Gisteravond zag ik op televisie een interessante scene voorbij komen. Een, blijkbaar, Bekende Nederlander (sinds iedere commerciële zender haar eigen stal bekende nederlanders beheert en het aantal explosief is toegenomen, hou ik het niet meer bij. Deze wereld is voor mij bij Mies Bouman en Freek de Jonge opgehouden met draaien), stak,  in een winkel, voor meerdere mensen zichtbaar, enkele flesjes lippenstift in haar jaszak.

Een dame sprak spontaan een winkelmeisje aan. Vervolgens moest diezelfde dame haar beschuldiging herhalen tegenover de voor velen (behalve voor mij dan) bekende Nederlander.

Het werd een beschamende scene. De arme vrouw kronkelde en leek buigbewegingen te maken. Ze friemelde wanhopig met haar handen en uiteindelijk bracht ze een hand voor haar mond en herhaalde wat ze had gezien. Ze was vuurrood geworden.

Deze vrouw was bezig om door een voor haar dwingend taboe heen te breken. Bekende Nederlanders stelen niet. Ze kón het helemaal niet gezien hebben. Haar ogen moesten haar bedrogen hebben. Haar mond herhaalde zonder veel overtuiging de beschuldiging, haar lijf gilde "het is niet waar, ik geloof het zelf niet!"

De opluchting toen het allemaal een wat suffe grap bleek te zijn, was enorm. De dame vocht tegen haar tranen.

Het valt niet mee om te vertrouwen op wat we zien.

Vorig jaar reed ik met mijn vrouw door Nieuw Zeeland. Mijn vrouw reed en ik keek om me heen. Opeens zag ik in de berm, naast de auto, in een flits, een bruinige loopvogel. Geen verenkleed, het leken wel haren.

"Een kiwi", riep ik uit.

Het beestje was natuurlijk allang weer verdwenen in de bosjes.

Wie ik het verhaal later ook vertelde, iedereen verklaarde me voor gek. Een kiwi liet zich niet zien, nooit, echt nooit. Al helemaal niet midden op de dag. Ik kón het domweg niet gezien hebben. Het zal wel een andere loopvogel, er zijn er meerdere in Nieuw Zeeland, geweest zijn.

Nu kan ik het verhaal natuurlijk stug volhouden.

Maar dan word ik eigenwijs gevonden.

Nu word ik meestal al eigenwijs gevonden, maar dat vergroot mijn geloofwaardigheid niet. Ik blijf een eigenwijze sukkel die beweert iets gezien te hebben wat je helemaal niet kan hebben gezien.

Een zonderling.

Ik hou het verhaal maar bij me.

Nou ja, laten we afspreken dat u, lezer, het niet verder verteld....

donderdag 2 februari 2012

Uit de kast....



Het was een bittere teleurstelling.

Vreselijk.

Iedereen had het over haar. Ze was mooi. Misschien wel de mooiste. Haar ogen. Haar glimlach.
En nu zou ik haar in de ogen kunnen kijken.
Met nog een paar honderd man.

Maar geen ogen te zien.

Ze was onooglijk.

Ik zag vooral het spiegelbeeld van al die starende mensen. Flitsende camera's.
Ze hing achter glas.

Mona Lisa.

Maar er was hoop...

De Venus van Milo stond ook nog ergens in dit immense gebouw.

Dat was helemaal lachen: een driedimensionaal beeld en iedereen, of eigenlijk allemaal mannen, stond vastgenageld aan de voorzijde. Ik liep langs de groep heen en bekeek de achterzijde. Ook niet onaardig en ik was hier alleen.

Een vrouw zonder armen. Met een half ontbloot lijf. Billen die net uitkwamen boven een afgezakte doek die om haar lijf was gevouwen. Symbool van de eeuwige schoonheid.

En alle kerels stonden naar haar borsten te staren.

Echte kunstkenners, zullen we maar zeggen.

Net als al die fotograferende mensen voor de Mona Lisa. Thuis zouden ze op de foto een witte vlek zien waar het flitslicht tegen het glas weerkaatste. Of, wanneer ze zonder flitser werkten, hun eigen afbeelding in het glas.

Vandaag hoorde ik Matthijs van Nieuwkerk verklaren niet te begrijpen waarom iedereen zo idolaat is van de Mona Lisa.

Pffff.

Gelukkig.

Ik snap het ook niet.

maandag 30 januari 2012

Wie schrijft nog een sprookje?




Wat ik me vaag nog kan herinneren.

Een dagje op pad met mijn ouders, opa en oma en het gezin van mijn vader zijn zus. Naar de Efteling.

Het moet de eerste keer in mijn leven zijn geweest dat ik als kind in deze wonderlijke sprookjestuin terecht kwam. Ik probeer voor mezelf duidelijk te krijgen wanneer dit moet zijn geweest.

Het sprookje van de Indische Waterlelies was nog maar net geopend. We moesten lang, heel lang wachten voordat we twee afschrikwekkende reuzewachters mochten passeren. Als kind vond ik ze eng, met hun rollende ogen. Vervolgens kwamen we op een soort voorhof en moesten we opnieuw wachten. Eindelijk gingen de deuren open en mochten we een stikdonkere ruimte betreden. Mijn oom, de man van de zus van mijn vader, liep volgens mij te filmen en tegelijkertijd regelende opmerkingen te schreeuwen: een combinatie die hem goed afging. Het was ook een volstrekt zinloze bezigheid, regelen, want alles regelde zich vanzelf. Maar goed, sommige mensen geven de touwtjes nu eenmaal niet graag uit handen. En het maakte ook allemaal niet uit.

Ons werd verteld dat het sprookje was geschreven door een koningin, Fabiola van België. Ik realiseer me nu dat zij het was die me voor het eerst deed nadenken over, wat ik nu als het Droste-effect ken: een koningin was voor mij een figuur uit een sprookje. Een koningin die een sprookje schrijft...dat fascineerde me, kan ik me herinneren. Het gaf een onverwachte diepte en dat puzzelde me.

Binnen bekeken we het spel van dansende feeën, muziekmakende kikkers en ergens op de achtergrond een heks die met wijdse gebaren alles in beweging zette of juist weer stopte.

Ergens lees ik dat het sprookje in 1966 haar deuren opende. Toen was ik vier jaar oud. Mogelijk dat we een jaar later waren, ik weet het gewoon niet meer.

Afgelopen weekeinde liep ik opnieuw rond op de Efteling. Mijn dochter ging met haar vriendinnen zelf op pad en ik liep met mijn vrouw door het sprookjesbos. De afschrikwekkende reuzewachters bij de indische waterlelies hadden hun effect verloren. Er verzamelde zich geen mensenmassa meer voor hun poort. De deuren naar het duister stonden nu permanent open. Kinderen holden voor hun ouders uit en liepen snel weer door naar de uitgang. Het duurde blijkbaar te lang.

Het sprookje was verloren.

En een koningin die een sprookje schrijft, ook dat is inmiddels alweer lang geleden.

vrijdag 27 januari 2012

Avondstemming


Mijn laptop zingt een lied van Leonard Cohen: Chelsea Hotel. De Ipad geeft een signaal: mijn dochter in Nieuw Zeeland is wakker en heeft haar eerste woord in Wordfeut vandaag gespeeld. Er brandt een kaars op tafel, de koffie geurt. De dag glijdt langzaam weg in een stemmige avond.

Dat geldt niet voor onze parkiet: ze wordt belaagd door één van de katten. Ik negeer het.

Cohen bezingt inmiddels Susanne.

Over de magie van aangeraakt worden en het gelijktijdige weemoedige besef van afstand.

Morgen zal het koud zijn. En regenen.

Morgen zullen we wandelen. Door de bossen, de heidevelden.

Life is very short
and there's no time for fussing and fighting
my friend

Wreck this journal



Ik was natuurlijk weer zo'n beetje de enige die er nog nooit van had gehoord.

Wreck this journal.

Een, via bol.com vanuit Amerika overgewaaide hit. En het idee is simpel: echt alles doen met een boek (we hebben het over een boek), wat normaliter in het gebruik van een boek verboden of absoluut "not done" is:

ezelsoren maken, bladzijde eruit scheuren, mosterd morsen en lekker uitwrijven, tekening in maken en deze weer vlekkerig uitgummen. Ga zo maar door.

Het resultaat van al die handelingen is een volkomen geruïneerd boek. Dat mag je aan jezelf opsturen.

Gruwel.

Mijn huis staat vol met boeken. Kasten vol. Ik kan rigoreus van alles naar de vuilnisbak brengen, maar niet mijn boeken. Het allereerste boek dat ik ooit bij elkaar heb gespaard en ik vol trots ging kopen in de boekhandel in de Torenstraat in Castricum, de encyclopedie voor de jeugd, staat nog steeds in mijn boekenkast. Zonder rug en al jaren niet meer geopend, maar ik strijk soms even met mijn vinger over de kaft. We kennen elkaar namelijk nu al zo'n 40 jaar en ik ken ieder hoekje van de pagina's: de tekeningen, de teksten.

Maar goed. Dit boek (Wreck this journal) is juist bedoeld om vernietigd te worden. Als je fantasie hierin onvoldoende op gang komt, staat het vol met suggesties en tips. How to wreck a book.

Nog zo'n suffe afwijking van mij: wanneer ik een boek heb gekocht, dan moet ik het ook lezen. Tot de laatste bladzijde. Soms tref ik een boek bij welke ik na 5 bladzijden al een zekere onrust bij mezelf bespeur: de inhoud boeit me niet. Iedere bladzijde is een worsteling. En toch kan ik het boek niet wegleggen, ik ploeg manmoedig voort. Eenzaam en ongelukkig voel ik me enige tijd veroordeeld tot een onzinnig lot: het uitlezen van dit boek. De laatste bladzijde voelt als een ongekende bevrijding. Maar het boek vernietigen?

Gruwel.

Ergens in mijn boekenkasten, staat een bijbeltje. Oud en beduimeld. Iemand, ik weet niet wie, heeft ooit teksten in dit bijbeltje onderstreept. Soms staat in de kantlijn een aantekening. Onleesbaar.

Dat ontroert. Iemand heeft dit vuistdikke bijbeltje bestudeerd. Erover nagedacht. Soms een passage terug gezocht. Ezelsoren aangebracht om een deel te markeren. Voorzichtig op het flinterdunne rijstpapier een tekst onderstreept. Soms ging het potlood door het papier heen. Met name was de lezer geïnteresseerd in de positie van de vrouw. Over dit thema waren relatief wat meer teksten onderstreept. Geen idee of de lezer zocht naar bevrijding van de vrouw of juist naar bewijzen dat vrouwen ondergeschikt zijn (wat sommige hardliners juist weer een bevrijding vinden). Om de één of andere wonderlijke rede zijn Bijbelteksten vaak op vele manieren te interpreteren. Maar de zoektocht is door verschillende markeringen te volgen.

Het bijbeltje is intensief gebruikt. De sporen zijn nadrukkelijk aanwezig. Ezelsoren, aantekeningen, onderstrepingen, kleine scheurtjes....Klaar om vernietigd te worden?

Gruwel.

dinsdag 24 januari 2012

Zoek de hufter



Ik kon nog net boven op mijn rem gaan staan.

Op de smalle weg langs het water kwam een Volkswagen Golf met brullende motor de weghelft op die ik net wilde opdraaien. De wagen haalde een Toyota in. Passeerde ternauwernood een verkeerszuil en de bestuurder stond direct boven op de rem. Hij stormde zijn auto uit en liet zijn voordeur wijd open staan.

Hierdoor blokkeerde hij zowel de linker als de rechterweghelft.

De man, een veertiger die eeuwig jong wilde lijken, begon wild te gebaren tegen de Toyota. De Toyota bleef potdicht gesloten. Geen enkele reactie. Het zonlicht spiegelde in de ruit, zodat ik niemand in de auto kon ontwaren.

Inmiddels begon zich op de drukke weg aan twee kanten een flinke rij te ontwikkelen. Iemand drukte op zijn claxon en dat vonden verschillende anderen een goed idee.

De man keek verwilderd om zich heen en maakte een wijds wegwerpgebaar naar iedereen die hem kon zien. Toen stapte hij in zijn auto en reed weer weg.

Natuurlijk.

In een slakkengang.

Natuurlijk.

Om de zoveel meter drukte hij nog eens extra op zijn rem.

De rijen kwamen weer in beweging.

De hele toestand had nog geen vijf minuten geduurd.

Was dit nou zo'n verkeershufter waar het nieuws gister over sprak? Als op deze straatweg de wetten van de democratie hadden gegolden, zou de man ongetwijfeld met overweldigende meerderheid tot hufter zijn uitgeroepen. De strafmaat van een verplichte gedragscursus zou in alle emoties hier waarschijnlijk te licht zijn bevonden.

Het zal wel toeval zijn, maar op mijn weg terug naar huis zag ik aan de kant van de weg een dode kat liggen. Dat moet in ieder geval nog maar kort ervoor zijn gebeurt: op de heenweg, een klein kwartier eerder, was het beestje mij niet opgevallen.

Als die Toyotarijder nu eens dit beestje heeft aangereden? Als hij nu eens gewoon door is gereden, zonder zich te bekommeren om die aangereden kat?

Wie is dan eigenlijk de hufter?

Die Toyotarijder? Die van de Golf?

....

Of al die gasten, zoals ik, die hun oordeel al klaar hadden?

zaterdag 21 januari 2012

Geloof, hoop en liefde.



Ik werd gevraagd voor de interviews. De voorgesprekjes.

Vervolgens zouden de kinderen zelf, voor de camera, het gesprek voeren.

Het was een project waarin kinderen voor de camera een gesprek voerden met iemand van een andere generatie. Ze moesten van tevoren een idee op papier zetten en dat insturen. Zelf vast een filmpje maken, mocht ook.

Een professionele cameraploeg zou enkele ideeën vervolgens uitvoeren.

Die professionele cameraploeg was een vriend van mij, inderdaad professioneel en in dit geval regisseur, geluidsman en cameraman ineen. Dat deed hij overigens met het grootste gemak.

En ik dan om de kinderen van tevoren te helpen een idee te krijgen over hoe ze het vraaggesprek zouden willen uitvoeren. Ik was dan niet echt professioneel, maar wel betrokken.

Dat voldeed.

Eén van de gesprekjes was met een meisje die met haar moeder wilde praten.

Haar moeder was jarenlang geplaagd geweest door kanker. Ziekenhuis in. Ziekenhuis uit. Kinderen naar een opvangadres en weer ophalen. Jarenlang was dit het patroon geweest.

Het meisje had zich gerealiseerd dat ze haar moeder nog nooit had gevraagd hoe zij dit nu eigenlijk had ervaren. Daar moest het gesprekje over gaan.

De voorbereiding liep niet zo lekker.

Het meisje was erg verlegen en vond het moeilijk om voor de camera haar verhaal te doen. We spraken met haar op haar kamer. Dat werd niks. Twee vreemde kerels en een meisje van een jaar of veertien. Dan moet je wel heel erg stoer zijn. We liepen de tuin in waar het gezin verschillende huisdieren hield. Waaronder een pony voor het meisje. Daar ontdooide ze wat. Ze vond het moeilijk, zo gaf ze aan. Ze was niet zo gewend om over dit soort gevoelige zaken met haar moeder te spreken. Dat had ze eigenlijk nog nooit gedaan.

We besloten met moeder en dochter naar een nabijgelegen bos te rijden. Daar liepen ze wel vaker, moeder en dochter. Met de hond. Dat waren fijne wandelingen.

Moeder sloeg direct een arm om de schouder van haar dochter. Ze voelde wel aan dat het meisje zich niet helemaal senang voelde. Ze zei niet veel maar die arm bleef om de schouder van het meisje liggen.

Het gesprek voor de camera kwam wat aarzelend op gang. Het meisje leidde haar vraag in en haar moeder begon te vertellen. Over wat de ziekte met haar had gedaan. Over de opgave om haar gezin draaiende te houden. Over de steun van man, ouders en vrienden. Over haar diepe dalen tijdens alle behandelingen.

Ze waren gaan zitten op een boomstam. De moeder haalde een hand door het dikke, zwarte haar van haar dochter. Er viel een stilte.

De cameraman, regisseur, c.q. geluidsman haalde de camera van zijn schouders. Hij wilde al iets zeggen, toen de moeder weer begon te praten.

Zachtjes, de ogen afgewend, maar wel beslist. Het meisje keek haar met grote, geschrokken ogen aan.

De moeder vertelde haar dochter dat de kanker erfelijk was. Dat de kans dat zij dezelfde rotziekte zou krijgen, heel erg groot was. Dat dat dan nog een jaar of zes zou duren en dan zou het duidelijk zijn.

En dat zij er altijd voor haar zou zijn.

Mijn vriend had de camera weer aangezet. Volkomen versteend stond hij op zijn plek. Ik had moeite de moeder te verstaan, maar uit de flarden die ik hoorde drong langzaam tot me door wat haar boodschap aan haar kind was.

Het meisje begon te huilen. De twee vrouwen stonden op en liepen met de armen om elkaar heen geslagen van ons weg.

Ik moest denken aan het verhaal over geloof, hoop en liefde.

Ik realiseerde me dat de hoop voor hen nu het belangrijkste was.