donderdag 1 maart 2012

Kampioenen



Opeens fietste hij naast me en begon een heel betoog.

Ik begreep maar half wat hij zei. Het had iets te maken met dat ik teveel naar links fietste. Naar de zin van de jongen.

Hij was hooguit veertien jaar oud.

En Marokkaans.

Ik dankte hem voor de wijze les en wilde er verder geen aandacht aan geven.

Opeens werd ik omringd door drie Marokkaanse jongens. Géén idee waar ze zo snel vandaan kwamen. Eéntje ging rechts van me fietsen, de tweede reed al links en een derde kwam voor me fietsen.

Zo staken we de weg over bij het stoplicht. Ondertussen keken ze lelijk naar me en één begon me uitdagend toe te spreken.

Wat doet een mens in zo'n geval? Geen idee. Ik stopte maar even om de heren hun verhaal te laten doen. 

Het werd allemaal niet erg duidelijk. Ik fietste teveel naar links. Dat was het zo ongeveer wel. Ik dankte hen nogmaals voor de les en wilde weer verder fietsen. Dat ging hen te snel. 

Of ik wel wist wie hij was, begon de jongen voor me.

Mohammed, probeerde ik. Maar dat was blijkbaar fout. Nu begon de jongen links van mij uit te varen. Hij zou me wel even in elkaar slaan.

Hij kwam ongeveer tot mijn borsthoogte. Hij was hooguit 50 kg, ik ben ruim twee keer zo zwaar. Ieder normaal denkend mens zou dit inschatten als onbegonnen werk. Niet dit knulletje. Voortvarend begon hij me uit te leggen dat hij kampioen was. Kampioen in één of andere sport waar ik nog nooit van had gehoord en waarvan ik de naam alweer vergeten ben.

Ik ben ooit schaakkampioen van onze stad geweest. Heel lang geleden. Maar in conflicten heb ik nooit de geringste neiging om dit wapenfeit voor de voeten van de ander te gooien. Het lijkt me ook volstrekt zinloze informatie.

Omdat hij me opnieuw toeriep dat hij me wel even in elkaar zou slaan, stelde ik hem voor om dan maar te beginnen. Dan hadden we het maar gehad. 

Dat ging hem te snel.

Ik stapte nu echt weer op mijn fiets. Behulpzaam trok de jongen voor mij zijn fiets opzij. 

Ik fietste alleen verder. Achter me hoorde ik nog wat opgewonden gepruttel, maar de heren bleven verder achter me fietsen.

Kwajejongens. Meer niet.


woensdag 22 februari 2012

Berlijn 2.



Zoals in de meeste Europese hoofdsteden, kent ook Berlijn verschillende imposante museumcollecties.

Wij zoeken meestal een national gallery op, als die er is en we hebben iets met archeologie.

Nou, op beider gebied komen liefhebbers in Berlijn ruimschoots aan hun trekken.

Op het zogenaamde museumeiland. Hier zijn meerdere musea te vinden: de national gallerie, het altes en het neues museum (nog altijd uit 1841) en bovendien ook nog het Bodesmuseum en het Pergamonmuseum. Het is teveel.

Ook voor een blog.

Het Pergamon bevat, voor de argeloze bezoeker, de meest spectaculaire collectie. Ik wil hiermee de collecties van de andere niet tekort doen. De gebeeldhouwde kop van de Egyptische Nefertiti is ook na ruim 2350 jaar nog adembenemend mooi. Maar.

Diep in je hart reken je op dergelijke topstukken in een nationaal museum.

En dat geldt ook voor de wonderlijk gevormde, ruim 1 1/2 meter hoge, gouden ceremoniële hoed van ruim 2000 jaar oud. Of de originele, tijdens de slag bij Waterloo door Napoleon gedragen steek.

De komst van de Pruisen betekenden in die slag toch het verschil tussen winst en verlies, dus die steek was nog het minste wat ze mee mochten nemen naar Berlijn.

De objecten zijn mooi, boeiend, wonderlijk, adembenemend. Maar passen bij de verwachting van wat je zal gaan aantreffen.

Zo niet de inhoud van het Pergamon.

In een immens grote hal wordt je hier geconfronteerd met een compleet uitgehakte en het tot in de puntjes gerestaureerde grote altaar van een Griekse tempel. Zeker 30 meter breed en hoog boven de nietige bezoeker oprijzend.

Niet een lullig beeldje bij die tempel vandaan of een deel van een zuil. Nee, het complete centrale deel van het tempelcomplex. Met trappen, zuilen, beelden en fresco's. Fresco's die nota bene de strijd der giganten uitbeelden. Geen kleintjes dus.

Die tempel is in zijn geheel meegenomen uit Mysia, een oude Griekse stad ergens in Turkije.

Als je van de schrik bekomen bent en je doorloopt een klein gangetje naar de volgende zaal:

Een in zijn geheel uitgehakte en gerestaureerde poort van de Griekse stad Milete, ook ergens in Turkije. Het gevaarte is 17 meter hoog en 29 meter breed.

Echt een museumstuk.

En als klap op de vuurpijl, nadat je argeloos onder de poort bent doorgelopen, blijk je opeens onder een poort van de Perzische stad Babylon te staan: de Ishtarpoort uit de tijd van Nebukadnessar, ooit behorend tot één van de zeven wereldwonderen.

Weggesloopt door Duitse archeologen en in kisten steen voor steen vervoert naar Berlijn. Ter meerdere eer en glorie van het Duitse rijk. Zoals het British Museum volstaat met roofbuit uit Egypte.

Een rariteit.

De poort en bijbehorende stadsmuur werd tot een hoogte van 14 meter gerestaureerd.

Er staat niet bij wat er met de niet meer passende delen is gebeurt. Die liggen vast nog ergens in een houten kist. In de kelder.

Nu heb ik ooit begrepen dat archeologen niet zo geïnteresseerd zijn in objecten op zichzelf. Ze willen ze plaatsen in hun context. Dit gaat zelfs zo ver dat op sommige plekken, waarvan archeologen gewoon wéten dat er prachtige vondsten onder de aardkorst verscholen liggen, ze deze plekken liever onberoerd laten omdat de huidige opgravingsmethoden nog onvoldoende garantie geven dat ze uitputtend onderzoek kunnen doen.

Maar blijkbaar geldt deze redenatie niet voor tempels en poortgebouwen.

Die sloop je uit hun originele context om duizenden kilometers verderop in een museum te kunnen tentoonstellen.

maandag 20 februari 2012

Berlijn



We stonden 's ochtends om een uur of 9 op Alexander Platz, Berlijn. Het was koud en het regende licht.

Niet de beste omstandigheden voor een eerste indruk.

Een enorm plein. Beton. Op de grond. Het straatmeubilair en de omringende gebouwen. Overal beton. Glimmend door de regen. In een somber, blauwig ochtendlicht. Ieder menselijk wezen verdween kansloos in de enorme ruimte. De overal en altijd aanwezige "Fernsehturm" liet haar koude blik over dit plein dwalen.

We besloten naar het nabijgelegen museumeiland te lopen. Vanaf Alexander Platz betekent dat door bemodderde parken ploegen en langs eindeloze houten schuttingen schuifelen, waarachter verschillende bouwputten, alvorens de 6 rijstroken brede Schlossplatz (het verlengde is Unter den Linden) over te steken.

Het wordt er niet gezelliger op.

Berlijn is blijkbaar vooral gebouwd als een stad die moet imponeren. Lange, hele lange en brede straten, waaraan pompeuze bouwwerken, zoals de Berlijnse Dom (vooral groot en imponerend), het Altes Museum (in de vorm van een enorm Griekse tempel, compleet met tientallen dikke zuilen), de volstrekt belachelijke Humboldt Box (een fantasieloos, zeshoekig bouwsel van blauwe vlakken en witte strepen, als plaatsvervanger van het in 1950 door de communisten opgeblazen stadsslot) en ga zo maar door.

Je voelt je vooral verloren.

Verloren in een stad die in de 20e eeuw grondig is vernietigd.

Na de tweede wereldoorlog bleek 80 % van de stad tot onherkenbare, metershoge puinbergen te zijn gereduceerd. Toen de mannen van het rode leger klaar waren met hun intense wraakoefeningen op vooral vrouwen, kinderen en oude mannen, bleek het grootste deel van de bevolking dood of voor het leven getraumatiseerd.

Vervolgens werd de stad in stukken gescheurd door een muur die Oost en West ruim 30 jaar van elkaar gescheiden hield.

Met als effect dat in het arme, communistische Oosten eindeloze, grauwe flats en flatwijken werden gebouwd: de mensen hadden toch een huis nodig. In het Westen werd voortvarend gebouwd aan een nieuwe stad. Helaas, geheel in de stijl van de jaren zestig en zeventig. Welke bouwstijlen de eeuwigheid niet kunnen bekoren: ze komen op ons als hopeloos gedateerd over.

Waarin, nadat de twee Duitslanden weer tot één land waren gesmeed, de nieuwe regering voortvarend opnieuw is begonnen om Berlijn het regeringscentrum te maken.

Met een nieuwe Bondsdag met een enorme glazen koepel, een overweldigende uitbouw van glas, beton en water. Met een nieuw Hauptbahnhof waarbij de glazen luifel de mensen die het station betreden, tot nietige mieren reduceert.

Ik kon die drie dagen maar één ding bedenken....

wanneer krijgen de Berlijners hun stad eindelijk een keer terug?

maandag 13 februari 2012

Het kan verkeren



Het was ver voor de tijd dat we hier schande over spraken.

Er waren vast genoeg andere onderwerpen die we schandelijk vonden, maar de kwaliteit van onderwijs op Hoge Scholen zat hier toen nog niet bij. Ook managers behoorden tot volk dat zich vrijelijk kon bewegen.

Ik was nog maar net afdelingshoofd van een psychiatrische afdeling in een ziekenhuis, ergens in Nederland. Dus ik moest worden ingewijd in het vak van manager.

Het was ongeveer in de overgangsperiode van het begrip "hoofd" naar "manager". Op mijn werk begon men de hoofden verantwoordelijk te maken voor steeds belangrijker delen van het toegewezen budget: personeel, opleidingen, medicijnen, en zo voort. We moesten steeds meer leren rekenen, want aan het einde van de maand moesten we het hebben gedaan met de centjes die ons waren toegewezen.

Dat was een slimme zet van de directies, want iedereen ontdekte zo dat er op behoorlijk ruime voet werd geleefd. En iedereen begon te knijpen, dat wil zeggen, nu niet door de directie, maar deze keer door de afdelingshoofden.

Ook moesten we opeens functioneringsgesprekken gaan voeren. Dat was helemaal nieuw. De meeste hoofden spraken natuurlijk met hun medewerkers en wisten ook wel hoe ze in hun vel zaten, maar nu moest dit gestructureerd: 1 keer per jaar. Met een heel circus van formulieren die voor, tijdens en na het gesprek moesten worden ingevoerd. Op de afdeling P&O, ze heetten nu opeens HRM, werd er zelfs een apart secretariaat voor het papierwerk ingericht. Paradoxaal genoeg bleek dit het aangewezen instrument om de afstand tussen hoofden en medewerkers te vergroten: niemand had tijd voor dit gedoe.

Enfin. De overgang van hoofd naar manager verliep voor iedereen die het betrof schoksgewijs en ging gepaard met allerlei nieuwigheden.

Dat was geheel aan deze hogeschool voorbijgegaan. Als groep jonge en nieuwe managers hoopten we van alles te leren over al die nieuwe benaderingen en stuurtechnieken. Maar het werden lessen groepsdynamica en het leren omgaan met feedback. Allemaal prachtig, maar voor de nieuwbakken managers die meer interactie met hun PC dan met hun medewerkers kenden, toch wat vaag.

Nog meer bijzonder was dat het aantal docenten steeds verder werd teruggebracht. We begonnen de tweejarige opleiding met zo'n 8 verschillende docenten voor verschillende vakken. Al heel snel hielden we er feitelijk nog maar één over, voor al die verschillende vakken. En deze ene leek de enige te zijn die inzetbaar was voor het avondonderwijs want hij viel ook nog wel eens uit, omdat hij les moest geven aan een andere groep op een andere locatie. En steeds putte hij zich uit in excuses, alsof hij er iets aan kon doen dat de hogeschool zo rottig was georganiseerd.

De diplomering was natuurlijk een farce. Natuurlijk waren we allemaal geslaagd. Als groep spraken we de directie van de hogeschool toe, er waren 2 directeuren op de borrel afgekomen. We confronteerden hen met de gebreken in hun systeem. Het moet gezegd, ter plekke vormden ze een commissie van studenten uit deze groep, die hen van advies kon voorzien.

Geen idee wat ze met dit advies hebben gedaan. Soms kom ik ze nog wel eens tegen, medestudenten uit die tijd. Ze zijn nog steeds manager.

Nu in een tijd dat manager weer een vies woord is geworden.

En hogescholen verdachte broeinesten van middelmatigheid en graaiende bestuurders.

Het kan verkeren, zei Bredero ooit al een keer.

zondag 12 februari 2012

Waar is hier de nooduitgang?



Mijn zoon is het huis uit.

Dat op zich is al een dramatische boodschap.

Hij is 23 en van de ene op de andere dag vertrok hij. Naar zijn eigen flatje. Met zijn eigen spullen. En zijn muziek. En zijn gewoontes. En zijn huis vol bonkende muzieklevendigheid. Dat was allemaal verdwenen toen hij het bestelbusje voor ons huis in beweging zette. Hij en een paar vrienden zwaaiden nog even. En toen was het voorbij.

Geen sentimenten met knuffeldieren. Of een oud voorleesboek wat je in de stapel terugvond. Alsof hij een rondje met zijn vrienden ging rijden.

Het is ook geen drama.

Op één ding na.

Dat realiseer ik me in toenemende mate nu hij vertrokken is.

Ik, man, ben opeens in de minderheid.

Mijn vrouw en dochter regeren het huis in een oppermachtige veelheid van stemmen. Twee tegen één.

Het huis wordt een truttenparadijs. 's Avonds de ene na de andere talentenshow. Hysterische moeders, overhetpaardgetilde jongens en meisjes ("Ga toch met je lego spelen!") Tot tranen toe geroerde oma's en een lafhartige, slapjanige, naarliefdeenerkenninghunkerende zogenaamde B.N.'er die iedere keer opnieuw weer verbijsterd vaststelt dat nu NU, JA NU ECHT, het absolute supertalent voor hem is opgestaan. En dat 7 avonden per week. Een trieste rij van absolute supertalenten schuift langzaam door naar het loket van de geestelijke volksgezondheid, waar men nog lang veel verdient aan het herstellen van al die geknakte superegootjes van kinderzieltjes. En diep teleurgestelde moeders en de begeleiding van al die echtscheidingen omdat pa er toch al nooit zo in geloofde. De lul. En oma's die hun dochters altijd al hadden gewaarschuwd voor die vent.

En de zondagmiddag wordt, tot mijn machteloze verbijstering, een dvd opgezet zoals "Gooische vrouwen", waarin Linda de Mol schittert. Talent is niet nodig, alleen een beroemde naam. Terwijl tegelijkertijd door de dames de "LINDA" wordt bediscussieerd. Waardoor wij er nota bene actief aan meewerken dat deze miljardairsfamilie nog weer rijker en rijker wordt door....tja, door wat eigenlijk? Verstrooiing is nog het meest neutrale woord dat in mij opkomt.

De huisdieren helpen me ook al niet verder. Alles wat hier ooit man was, is inmiddels "geholpen", zoals de dames met een satanische grijns opmerken.

Ik onderken een verlangen wat voor mij volkomen nieuw is. De deur even achter me dichttrekken en in de kroeg op de hoek met een pilsje in de hand een biljartje te gaan leggen. Maar dan ook zo'n ouderwetse Ierse kroeg met een aparte ingang voor de mannen en een klein hokje vooraan waar de vrouwen mochten wachten op manlief totdat die was uitgedronken.

Kroeg op de hoek?

Nee, die bestaat ook bij ons niet meer.

Mannen zijn tegenwoordig thuis.

Gezellig.

zaterdag 11 februari 2012

Papieren monsters



we hebben het met elkaar bedacht. Althans, volgens de regels der kunst moet het zo werken.

De tweede kamer vertegenwoordigt de stem van het volk.

Dat zijn wij, dat volk.

Wij hebben op deze dr's en drs'en gestemd en deze dames en heren houden zich 4 jaar lang onledig met het bedenken van allerlei regels en bepalingen. Zij mogen namelijk in ons land de wetten maken. En vervolgens komen diezelfde dames en heren in de media, het liefst op de televisie en dan nog het liefst bij Pauw en Witteman, uitleggen dat het onze wil is, de regels die ze hebben bedacht.

Zo ongeveer werkt dus democratie.

En tja, op die manier hebben we dus in de gemiddelde zorginstelling vele vierkante meters aan opslag nodig voor de medische en zorgdossiers.

Die moeten namelijk 15 jaar worden bewaard.

Laten we eens wat rekenen. Stel dat een zorgdossier van een overleden of ontslagen cliënt gemiddeld 5 centimeter dik is. Dat lijkt veel, maar is het gevolg van een meestal maanden- of zelfs jarenlange opname. Dus die 5 centimeter heb je zomaar te pakken.

Het verpleeghuis in ons voorbeeld heeft 300 plaatsen. Gemiddeld overlijden er 150 mensen in een jaar. Schrik niet van het aantal maar bedenk dat de gemiddelde leeftijd in een verpleeghuis al snel rond de 88 jaar ligt. Dat betekent dus 150 X 5 centimeter = 750 centimeter, is dus 7,5 meter per jaar. Over 15 jaar hebben we het dus over ruim 112 meter aan dossiers die moeten worden bewaard.

De meeste instellingen huren ergens ruimte. Dat kost geld.

Ook moet het geheel zo worden opgeborgen, dat het ook weer terug te vinden is. Dat kost dus een archivaris. Bovendien moet iemand ieder jaar dossiers van 15 jaar + 1 laten vernietigen door een gespecialiseerde papiervernietiger en zodoende weer ruimte maken voor frisse dossiers. Kost allemaal geld.

Maar het kan nog gekker.

Bijvoorbeeld dokters die vinden dat zij de wet bepalen.

Ooit liep ik in de kelders van een ziekenhuis waar ik werkte. De kelders stonden afgeladen vol met dossiers. Ik betwijfel of de brandweer hier ooit had rondgelopen, want bij brand zou het hele gebouw als door een gigantische allesbrander snel worden opgewarmd. Maar goed.

De dossiers waren vaak veel ouder dan 15 jaar. De administrateur vertelde me dat enkele doktoren hem hadden verboden om dossiers na 15 jaar te vernietigen. Niet dat ze er ooit naar omkeken, maar het gaat in dit soort bepalingen meestal niet om redelijkheid. Dat was al vele jaren een sluimerende bom. En nu was het een acuut probleem: de kelders moesten leeg en het archief naar een afgehuurd kantoorpand op een industrieterrein. Maar op deze wijze hadden we minstens 5 kantoorpanden nodig.

Die nacht bleek een brandslang kapot te zijn gegaan. Er was flinke waterschade en de meeste dossiers waren waardeloos geworden.

De kelders waren nu snel opgeruimd.

donderdag 9 februari 2012

Kiwi



Gisteravond zag ik op televisie een interessante scene voorbij komen. Een, blijkbaar, Bekende Nederlander (sinds iedere commerciële zender haar eigen stal bekende nederlanders beheert en het aantal explosief is toegenomen, hou ik het niet meer bij. Deze wereld is voor mij bij Mies Bouman en Freek de Jonge opgehouden met draaien), stak,  in een winkel, voor meerdere mensen zichtbaar, enkele flesjes lippenstift in haar jaszak.

Een dame sprak spontaan een winkelmeisje aan. Vervolgens moest diezelfde dame haar beschuldiging herhalen tegenover de voor velen (behalve voor mij dan) bekende Nederlander.

Het werd een beschamende scene. De arme vrouw kronkelde en leek buigbewegingen te maken. Ze friemelde wanhopig met haar handen en uiteindelijk bracht ze een hand voor haar mond en herhaalde wat ze had gezien. Ze was vuurrood geworden.

Deze vrouw was bezig om door een voor haar dwingend taboe heen te breken. Bekende Nederlanders stelen niet. Ze kón het helemaal niet gezien hebben. Haar ogen moesten haar bedrogen hebben. Haar mond herhaalde zonder veel overtuiging de beschuldiging, haar lijf gilde "het is niet waar, ik geloof het zelf niet!"

De opluchting toen het allemaal een wat suffe grap bleek te zijn, was enorm. De dame vocht tegen haar tranen.

Het valt niet mee om te vertrouwen op wat we zien.

Vorig jaar reed ik met mijn vrouw door Nieuw Zeeland. Mijn vrouw reed en ik keek om me heen. Opeens zag ik in de berm, naast de auto, in een flits, een bruinige loopvogel. Geen verenkleed, het leken wel haren.

"Een kiwi", riep ik uit.

Het beestje was natuurlijk allang weer verdwenen in de bosjes.

Wie ik het verhaal later ook vertelde, iedereen verklaarde me voor gek. Een kiwi liet zich niet zien, nooit, echt nooit. Al helemaal niet midden op de dag. Ik kón het domweg niet gezien hebben. Het zal wel een andere loopvogel, er zijn er meerdere in Nieuw Zeeland, geweest zijn.

Nu kan ik het verhaal natuurlijk stug volhouden.

Maar dan word ik eigenwijs gevonden.

Nu word ik meestal al eigenwijs gevonden, maar dat vergroot mijn geloofwaardigheid niet. Ik blijf een eigenwijze sukkel die beweert iets gezien te hebben wat je helemaal niet kan hebben gezien.

Een zonderling.

Ik hou het verhaal maar bij me.

Nou ja, laten we afspreken dat u, lezer, het niet verder verteld....