vrijdag 15 juni 2012

Modern doolhof, deel 2



Laten we Paul vergeten.

Het gaat me niet om hem.

Paul ondertekent brieven zonder dat hij weet waar het precies over gaat. Paul communiceert ook op geen andere manier dan het ondertekenen van brieven. Domweg omdat hij dat niet anders kan. Iemand in zijn organisatie heeft bedacht dat Paul, als eindverantwoordelijke voor een proces, ook de brieven moet ondertekenen die uitkomst zijn van dat proces.

In de casus van mijn blog was dat een controlproces. Voor de minder bekenden met managementtaal. Paul controleert of alles wel klopt. De cijfers dan. Zijn de facturen betaald. Komt het geld waar we recht op hebben, binnen? Zijn medewerkers maken dus vergelijkingen en constateren soms een hiaat. Ergens had geld binnen moeten komen en dat is niet gekomen. Ze zetten de plussen en minnen naast elkaar en daar komt dan een post uit. Aan die post is een naam verbonden. In het geval van mijn blog, was dat mijn naam.

Wonderlijk in mijn casus was dat de vergelijking iedere keer weer een andere uitkomst gaf. En bovendien werd het op een premieachterstand gegooid en dat klopte in ieder geval niet. Toch had ik een betalingsachterstand. Alleen dat systeem he? Dat werkte niet mee.

Paul zal dus vooral bezig zijn geweest om die systemen op orde te krijgen. Zodat het in ieder geval klopte. Of hem dat uiteindelijk is gelukt, dat weet ik niet. In mijn geval moest een klachtenfunctionaris (letterlijk, zo stel ik mij voor) afdalen naar de kelders van het pand waar de papieren werden bewaard. Domweg op zoek naar papieren facturen en vergelijken. Een titanenjob. En bovendien ondankbaar omdat je er maar één casus mee oploste. Daar begon Paul natuurlijk niet aan. Dat begrijp ik ook wel.

Maar dan toch even terug naar dat gekozen uitgangspunt. Paul moest tekenen omdat hij verantwoordelijk was. Hij had echter geen idee waar het over ging. Hij kon mij ook domweg niet helpen. En ik verdwaalde in het systeem. Die tocht door de IZZ-woestijn duurde 2 jaar. Dat scheelt, Mozes deed 40 jaar over zijn tocht door de woestijn.

Maar waarom moest Paul eigenlijk tekenen?

Het effect is er één van vervreemding. Paul tekent zonder te weten waar het over gaat. Ik wil communiceren met Paul, maar die geeft taal noch teken en ik verdwaal.

Ik ben wel de klant.

Is het proces wellicht te ingewikkeld gemaakt. Is er nog iemand die het snapt, zonder eerst per klant het papieren archief in te moeten duiken? En dan nog maar hopen dat het goedkomt? En blijkbaar zijn de processen van de klachtenfunctionaris uit mijn casus weer niet afgestemd op die van de financial controller: terwijl de klachtenfunctionaris en ik op weg zijn naar een oplossing, begint Paul doodleuk weer een procedure met een incassobureau. Of stuurt hij me nog een rekening, wanneer ik met de klachtenfunctionaris al lang tot overeenstemming ben gekomen,

Laten we de IZZ vergeten.

Het gaat me niet om hen.

Dit soort van toestanden zijn helaas aan de orde van de dag. De Telegraaf, programma's als Kassa en indertijd met Pieter Storm en de vele adapten die na hem gekomen zijn, varen er wel bij. De geplaagde klant die moet opboksen tegen gebureaucratiseerde organisaties. Waar een heilig geloof in systemen heerst. Waar mensen zich beperken tot, tijdens cursussen klantvriendelijkheid ingestudeerde dooddoeners die vooral bedoeld zijn om de emoties niet teveel uit de bocht te laten vliegen. Want emoties zijn menselijk en daar kunnen systeemdenkers maar moeilijk mee overweg.

Aan het begin van de 20e eeuw was er al een schrijver die de effecten hiervan beschreef: Kafka. Hij had nog nooit een computer gezien, maar wel de vervreemdende resultaten van de onpersoonlijkheid van bureaucratieën.

Zorginstellingen, scholen, telecombedrijven, gemeentes, ze genereren vrijwel dagelijks voorbeelden van losgezongen administraties en bedrijfsonderdelen die onderling niet of slecht communiceren. Waarbij het soms lijkt dat alleen nog een cameraploeg met een opgewonden reporter deuren geopend krijgt. Waarbij een directeur opeens wél in beeld is. Die natuurlijk niets anders kan doen dan alle problemen in één klap van tafel vegen. Want ook hij of zij weet niet precies hoe of het zit.

Aan de andere kant denk ik toch ook nog wel eens aan Paul. Wat zou er zijn gebeurd als hij wel een keer het gesprek was aangegaan? Zou hij zich hebben gerealiseerd dat hij bezig was een illusie na te jagen? Dat de oplossing meer zit in het ontkoppelen en het vereenvoudigen? Dat de oplossing zit in bekwame mensen die wat wars zijn van al die systemen?

Dat die ene klachtenfunctionaris die zoveel tijd besteed aan het doorgronden van een verhaal, goud waard is?

Is die dame inmiddels aan het werk gezet om mee te denken over een herinrichting van het hele proces?

Of is ze nog steeds bezig om individuele casuïstiek op te lossen...

donderdag 14 juni 2012

Modern doolhof



Paul van Schaik.

Ik schrik 's nachts soms nog wel eens wakker en dan dreint deze naam weer door mijn gedachten.

Paul van Schaik.

Adjunct directeur finance & control bij IZZ.

Vooral dat "Paul" suggereerde toegankelijkheid. Maar inmiddels betwijfel ik serieus of Paul wel bestaat.

Hij reageert nergens op. Niet op mails, op brieven en als je belt krijg je hem domweg niet aan de lijn. Wel altijd een baliemedewerker, receptioniste of klachtenfunctionaris. Maar niet Paul, die laat zich niet horen of zien. Hij ondertekende wel aan de lopende band brieven aan mij.

Altijd vriendelijke brieven, maar waarin mij werd gesommeerd nu eindelijk eens te betalen. Problematisch was wel dat Paul de ene keer een bedrag van rond de € 80,-, dan weer € 1.000,- en dan opeens weer € 700,- vorderde. Met steeds opnieuw een andere opbouw van de rekensom en opnieuw een andere redenatie.

Dus ik begon contact te zoeken met Paul. Want zijn handtekening stond er onder. Maar Paul bleek onbereikbaar. Ergens in de burelen van de IZZ in Tilburg of welke vestiging dan ook, zwierf Paul onvindbaar rond. Wanneer hij de handtekeningen onder de aan mij gerichte brieven plaatste, het bleef mij onduidelijk.

En ondertussen groeide de stapel correspondentie tot een indrukwekkend dossier. De eerste brief van Paul dateert van oktober 2008. Daarin wordt mij duidelijk gemaakt dat ik nog een premieachterstand van plm. € 400,- open had staan. Wat niet klopte, want ik kon laten zien dat ik braaf iedere maand de verschuldigde premie had betaald. Nog geen maand later was dit bedrag met een kleine € 10,- gestegen. Wat wonderlijk was, want ik betaalde iedere maand precies hetzelfde bedrag aan premies. Het bleek nog maar het begin. Een maand of 4 later was het bedrag de € 900,- gepasseerd. Ik bleef vragen stellen en ik zal u niet vermoeien met de lachwekkende variatie in verklaringen.

En ondertussen hield Paul zich afzijdig, maar bleef me wel bestoken met brieven.

Inmiddels zakte het bedrag weer tot rond de € 700,- , maar het bleef voor iedereen een raadsel hoe dit precies was opgebouwd. Mijn premiebetaling kon het niet zijn: ik stuurde braaf, als reactie, iedere keer maar weer een rijtje bankafschriften waaruit duidelijk bleek dat maandelijks de premie keurig werd betaald. Desondanks bleef Paul me bestoken met vorderingen, aanmaningen. Soms werd hij lelijk, dan dreigde hij me te bestempelen als wanbetaler, me uit de verzekering te gooien en een incassobureau op mijn pad te sturen.

Natuurlijk reageerde Paul ook weer niet op mijn brief aan hem waarin ik hem nog maar weer een keer vroeg om uitleg.

Paul hield zich afzijdig.

Eind 2009 was Paul het zat. Op je handen zitten is natuurlijk op enig moment niet leuk meer. Zeker niet als je ook nog eens voortdurend je kaken op elkaar geklemd houdt. Toen stuurde hij een incassobureau op mijn pad. Het bedrag was toen weer uitgekomen op ruim € 1.000,- Het mocht van Paul wel wat kosten om van de hele toestand af te komen.

Mijn telefoontje met het incassobureau leidde ertoe dat zij de zaak weer teruggaven aan Paul. Ze konden er geen chocolade van maken. Toen kwam de eerste klachtenfunctionaris om de hoek kijken. Opnieuw verzond ik alle stukken en een brief waarin nog eens de volgorde der zaken weergaf. Deze klachtenfunctionaris had een gemakkelijke baan. Hij pakte een brief van Paul, nam deze vrijwel letterlijk over en zette toen zijn eigen handtekening eronder. Die Paul, wat een grapjas.

Ik kon er echter zo langzamerhand niet meer om lachen.

Eindelijk had ik een keer geluk in deze kwestie. De betreffende klachtenfunctionaris ging met vakantie of werd ontslagen of zat langdurig op het toilet, ik weet het niet, maar een collega nam het over. En toen gebeurde het wonder. Ze luisterde....

Paul, nog een keer: ze luisterde...

Ze begon het uit te zoeken. Ze belde eens met de ene afdeling en reed eens langs bij de andere. Ze trok mijn brieven na en zocht uit wie er nu precies wat mee had gedaan.

Nou...

Paul had niets gedaan. Verder waren er een paar notities gemaakt. Niemand had iemand gebeld. Niemand had gedacht van "hoe zit nou eigenlijk?" Het was gewoon domweg geen kwestie.

Zij, jawel ik werd gered door een dame: zij vond uit dat er geen sprake was van een premieachterstand.

Ondertussen zat Paul ook niet stil. Hij had het incassobureau maar weer eens aan het werk gezet. Inmiddels was het bedrag weer geslonken tot iets meer dan € 200,- Paul begon ook te dreigen met de rechter en proceskosten.

Oef, die Paul.

De klachtenfunctionaris en ik lieten ons niet meer afleiden door Paul. Hij ging ze gang maar. We zochten door en ik begreep dat er een nieuw administratief systeem was ingevoerd. Met kinderziektes. Het kon wel betalingsachterstanden zichtbaar maken, maar niet hoe deze waren veroorzaakt. Dus werd alles op premieachterstand gegooid.

Enfin, ze liet zien waar zij op uitkwam. En dat heb ik betaald. Toen was het eind 2010. We waren 2 jaar verder.

En tegelijkertijd stuurde ik Paul een brief waarin ik mijn verzekering opzegde.

Niets op gehoord, natuurlijk.

O ja, toch wel.

Na enkele maanden bij de nieuwe verzekeraar kreeg ik opnieuw een brief van Paul.

Hij was tot de ontdekking gekomen dat ik ze toch nog € 15,- verschuldigd was.

Paul kon van mij de boom in.

Dag Paul.

dinsdag 12 juni 2012

Een doorzetter




Ontmoet Moortje.

Die naam hebben wij haar tenminste gegeven.

Bij ons thuis doen we aan kattenopvang voor het dierenasiel. Dus krijgen we met enige regelmaat nestjes van jonge katjes. Die zijn dan aangetroffen, drijvend in een plastic zak in een sloot. In een vuilnisbak van waaruit de vuilnisman angstig gepiep hoort of dwalend langs een drukke weg. En zo hebben de dierenliefhebbers onder ons nog vele manieren om van ongewenst jong spul af te komen. Want ook onze liefde voor dieren heeft zo zijn grenzen.

 Enfin.

Zo'n groepje verdwaalde wezen komt dan een tijdje bij ons. Op adem komen en ontdekken dat er ook mensen zijn die gewoon voor ze zorgen. Zonder sentimenteel te worden. Eten, drinken, een dak en soms een aai. En als we ze even zat zijn worden ze van de bank gejaagd, omdat we zelf willen zitten.

Moortje was andere koek.

Zij was aangereden en had een heup gebroken. Ze lag ergens aan de kant van de weg. Iemand heeft de dierenambulance gebeld. In het dierenasiel is ze opgevangen. Opereren had weinig zin. De remedie is 6 weken op rust in een bench.

 Toen kwamen wij weer in beeld.

Maar het ging niet goed. Het gekwetste pootje moest er af. En nu heeft ze nog maar drie poten. Geen fysiotherapie. Geen hulpmiddelen.

Dat was een paar dagen vreemd voor haar. Het lopen was anders. Maar wat?

Ze viel soms om en scharrelde wat ongelukkig rond.

Maar nu heeft ze het helemaal door. Ze vliegt door de kamer. Ze springt op de vensterbank. Alleen snelle bochten, dat is lastig. Maar ja, na drie dagen, wat wil je.

We maakten ons wat zorgen of ze nog wel een nieuw baasje zal kunnen vinden. Maar dat is geen probleem.

We houden van dieren.

Vooral van zielige dieren.

Dus, waarde lezers: over een goede week voor u beschikbaar. Dierasiel Gouda. Ze luistert niet naar haar naam. Maar ze is wel lief.

En een enorme doorzetter.

zaterdag 9 juni 2012

Een Goddelijk lijf, deel 2


In een vorig blog beschreef ik mijn lijfelijke worsteling tegen slapgeworden buikspieren en uitdijend vet. Allemaal het gevolg van een zittend en rijkgevuld leven. Nu dan op weg naar de sixpack, zodat ik, ook als 50-jarige, weer voldoe aan alle (uiterlijke) eisen die onze samenleving aan mannen stelt.

Dus een periode van dieet en sporten volgde.

Na enkele maanden, samen met een diëtiste, werken aan een normaal eetpatroon, het is onvoorstelbaar hoe je zelfs de meest simpele principes domweg kan afleren, durfden we een nieuwe stap aan. Om het proces te versnellen, ging ik op een uiterst streng dieet.

Twee weken lang.

Slechts 500 calorieën per dag.

Normaal eet je er dagelijks ergens tussen de 2200 en 2500.

Dat betekent dus twee weken permanent honger hebben. Een somber, knagend gevoel in je maagstreek. De hele dag door, tot je ging slapen. Als je 's nachts onverhoopt wakker werd, was het onmiddellijk weer aanwezig.

En dan moet je bedenken dat ik meer dan genoeg reserves heb om mijn lijf van voldoende energie te voorzien. Dat is natuurlijk ook juist de truc: die reserves moesten worden aangesproken en verbruikt. Dat heet namelijk afvallen.

En vooral ook te bedenken dat ik ieder ogenblik kon besluiten dat het genoeg was geweest. Een winkel had kunnen binnenstappen, een snackbar, een restaurant, of thuis, de koelkast openen. Per direct zouden de goed gevulde voorraden van onze samenleving weer mijn deel zijn.

Ik mag dus niet klagen.

Dat heb ik ook niet gedaan.

Nou ja.

Soms.

Want ik voelde me ook wel een beetje zielig.

Wat ook onzin is. Eigen schuld, dikke bult, is wel een heel toepasselijk verwijt dat mij gemaakt kan worden.

En, het moet gezegd, op een bepaalde manier wen je ook aan dat knagende gevoel. Het wordt op een gegeven ogenblik een wat dof gezeur op de achtergrond.

En al die broeken die opeens, heel modern, op je heupen blijven hangen. Het de hele dag opnieuw je overhemd in je broekband terug moeten duwen. Een colbert weer dicht kunnen knopen. Een jas dicht kunnen ritsen.

Veel meer dan dit gaat het overigens niet worden. Geen sixpack, ik moet er niet aan denken, maar ook niet meer de buik van hierboven.

--- Wat overigens niet mijn eigen buik is.

En ook geen plaatje van mijn buik.

(voor de slimmeriken onder ons) ---

Ergens er tussen in.

Een twopack.

Of zoiets.

woensdag 6 juni 2012

Zichtbare schakels



Per wijkverpleegkundige wordt ongeveer € 18.000 per jaar bespaard aan zorgkosten.

Aldus een onderzoeksbureau dat onderzoek deed naar de effecten van "zichtbare schakels" (http://www.skipr.nl/actueel/id11166-wijkzuster-houdt-client-uit-dure-tweedelijn.html).

Voor de niet ingewijdde in zorgland is deze blog nu al onleesbaar geworden. Ik zal het uitleggen.

Ooit hadden we in ons land wijkverpleegkundigen die op de fiets, met de brommer en soms met een auto de wijk introkken. Meestal nadat de huisarts even met deze wijkverpleegkundige had gebeld om te vragen of ze bij een van zijn (huisartsen waren toen nog voornamelijk mannen) cliënten wilden langsgaan. Die wijkverpleegkundige had een uitstekende opleiding gehad. Ze was dan ook iemand die haar vak serieus nam. Ze kwam bij de cliënt en beoordeelde de situatie. Soms bleef het bezoek beperkt tot een bezoekje, soms was er meer nodig. Dan kwam ze nog een paar keer vaker langs. Via het ziekenfonds werd het werk van de wijkverpleegkundige betaald.

Het was zo simpel als ik beschrijf.

We hebben het wel over, pakweg 30 tot 40 jaar geleden.

Inmiddels is de wereld ingrijpend veranderd. Ook het zorglandschap.

De huisarts van het dorp hokt inmiddels samen met verschilldende collega's in een gezondheidscentrum. Hij (inmiddels meestal zij) is niet meer 7 x 24 uur beschikbaar. Waar voorheen de echtgenote van de huisarts de onafscheidelijke assistente was, heeft deze groep inmiddels het veld moeten ruimen voor praktijkverpleegkundigen en professionele secretaresses.

De wijkverpleging, in die periode nog kruisverenigingen, fuseerden met organisaties voor gezinsverzorging tot thuiszorg. Velen gingen ook nog fusies aan met verzorgings- en verpleeghuizen. De wijkverpleegkundigen gingen onderdeel uitmaken van grote organisaties. De vroegere directeur werd bestuurder. Iemand op een hoofdkantoor die ze gedurende het jaar nog maar nauwelijks zagen.

Schaalvergroting heet dat.

Maar ook de financiering veranderde dramatisch. Eerst maar eens hoe iemand aan thuiszorg komt. Daar hebben we het CIZ voor in het leven geroepen. Een enorme, landelijke organisatie die, onafhankelijk, tot een oordeel komt of iemand recht heeft op zorg en ook op welke zorg iemand dan recht heeft.

Daar gaat de huisarts niet meer over. En ook niet de wijkverpleegkundige.

Dat doen de mensen van het CIZ.

Dat levert overigens ingewikkelde taferelen op. Zo ken ik veel thuiszorgorganisaties die bij nieuwe cliënten altijd een vaste medewerker langsturen. Omdat ze inmiddels wel weten dat de gestelde indicatie op zijn zachtst gezegd niet altijd adequaat is. Dus gaan ze rustig eens kennis maken, praten en bellen nadien nog eens met het CIZ. Waarna de indicatie meestal wordt bijgesteld. Zo zijn ze dan ook wel weer.

Waarom zit er zo'n bureaucratisch proces tussen?

Omdat we de professional niet meer vertrouwen.

Die zou de kosten maar omhoog jagen.

Dat zien we ook terug in de financiering van de thuiszorg. Minutenzorg heet dat. Al tientalle jaren. De wijkverpleegkundige moet ieder bezoek aan een cliënt tot op de minuut verantwoorden. Zodat gecontroleerd kan worden of er wel de afgesproken zorg wordt geleverd.

Toen vorig jaar een Amsterdams verpleeghuis werd beschuldigd van "minutenzorg", waren de rapen gaar. Dat mocht niet gebeuren, brieste heel politiek Den Haag. Tot een staatssecretaris aan toe die een klachtlijn minutenzorg opende. Zodat zorgmedewerkers konden melden dat er minutenzorg werd verleend. Ik hoopte op dat ogenblik dat medewerkers van de thuiszorg massaal zouden gaan bellen. Dat deden ze niet, ze waren er al zolang aan gewend.

En nu naar het project "zichtbare schakels". Eigenlijk een retroproject. De wijkverpleegkundige hoeft zich even niets aan te trekken van een indicatie. Ze mag haar professionaliteit gebruiken om de noodzakelijke zorg te bepalen. Belangrijke bijkomstigheid van dit alles is, dat ze ook niet meer zoveel tijd achter een pc hoeft door te brengen voor het verrichten van allerlei administratieve handelingen. Ze kan dus de straat op en aandacht geven aan haar cliënten. Vandaar, zichtbaar.

En dat levert geld op.

Ik ben geen econoom. Maar als ik mijn eigen verhaal nog eens op een rijtje zet, ben ik niet verbaasd.

En wie goed leest, ziet nog wel een paar mogelijkheden om de zorg slimmer te organiseren...

zaterdag 2 juni 2012

Jullie. Niet ik.



De man irriteerde mij.

Hij sprak consequent over "jullie".

Daarmee bedoelde hij iedereen, behalve zichzelf.

Maar dan op een wat verwijtende toon.

Jullie.

Niet ik.

Geleidelijk aan realiseerde ik me dat de man blind was. "Jullie" waren de zienden. De verleiding is groot om hier "wij dus" te schrijven, maar dat kan natuurlijk niet. Alhoewel de kans dat een blinde deze pagina leest behoorlijk klein is. Het is überhaupt niet chique om te generaliseren. Die krijg je dan ook onmiddellijk terug.

Het is ongeveer het liefste dat we doen.

Generaliseren.

Sorry, ik.

Niet jullie.

Of dan ik generaliseer ik ook.

Het maakt de wereld zo lekker overzichtelijk. Vooral als ik zo generaliseer dat de mij omliggende wereld wordt teruggebracht tot ik en de rest. Of jij en ik en de rest.

Je kent die stellen wel. Altijd verontwaardigd. Als de één iets overkomt, springt de ander er direct volop in. Iedere pietluttigheid wordt zo een kwestie van levensbelang. Het is een manier van elkaar door dik en dun steunen. Onvoorwaardelijk. Tot in het absurde toe.

Bij ons werkt dat anders. Als mij iets overkomt, toch vaak zéér het vermelden waard, dan tuit mijn vrouw de lippen. "Moet je je daarover nu zo druk maken? Bovendien, kijk eerst eens naar jezelf..." is, in essentie, de te verwachten reactie. Wat meestal bij mij een gefrustreerde reactie oproept. Begrijpt de wereld mij niet, nu jij ook al. Ik tegen de rest.

Lekker.

Maar zodra de ander mij bij de rest indeelt, kom ik ook weer in het verweer. Ik ben ik. Kijk naar jezelf. Generaliseer niet zo.

Dat doe je nu altijd.

De blinde man vervolgde zijn verhaal. Onbarmhartig.

"Ik kan beter zien dan jullie"

??

"In een tuin stonden, uiterlijk, twee identieke bloemen. Niet voor mij. Ze voelden beiden heel anders aan. Voor mij waren het twee volstrekt verschillende bloemen..."

Daar moest ik toch even over nadenken.

Ondanks dat "jullie"

Afgelopen week plaatste mijn dochter een grap op haar facebook-pagina. In het Engels. Ze woont in Australië. Er werd druk door allerlei vrienden op gereageerd. Hilarisch. Ik miste de clou volkomen. Verwonderd las ik alle proestende commentaren. Ik vroeg maar eens waar het allemaal over ging. Mijn dochter duwde me de goede kant op. Toen kon ik ook lachen.

Van ik en de rest naar wij.

Eén vraag.

Misschien is dat wel een clou.

Een vraag in plaats van een reactie.

Ik word nooit de ander. Die ander wordt nooit mij. Maar soms zie ik wat die ander ziet.

Ook al is hij blind.

Soms.

zondag 27 mei 2012

Wat te doen met Pinksteren?



Deze pinksterdagen zijn we terecht gekomen in Zeeuws Vlaanderen. De camping heet, niet zonder reden, polderzicht. Je ziet haar inderdaad in het vlakke land al van verre liggen. Een soort oase in het midden van eindeloze aardappel- en graanvelden. Vanaf de camping zijn de kerktorens van Sluis, Aardenburg en Eede goed te zien, alsmede van enkele Belgische dorpen waarvan ik de naam niet ken.

Het uitzicht trekt zich niets aan van landsgrenzen. De mensen overigens ook niet. De afgelopen dagen verbleven we net zo gemakkelijk in Nederland als in Belgie. Hier komt geen formaliteit meer aan te pas. Daar kijkt niemand meer van op, maar dat is wel anders geweest. Deze streek werd gekenmerkt door eindeloze oorlogjes tussen de plaatselijke adelijke heren. Holland en Vlaanderen waren nu eenmaal geduchte concurrenten. Zo kon het gebeuren dat de heren van Gent het klooster van Aardenburg weer grondig vernielden toen dit te machtig werd. Ze hadden het klooster eerder zelf gesticht.

Ik bedoel maar.

Maar dat is allemaal lang geleden. Belgen, Zeeuwen, Hollanders, we leven nu in vrede naast elkaar.

Vandaag bezochten we Sluis.

Dat bleek een vergissing.

Nadat we onder een fraaie poort waren doorgereden, kwamen we in een waar winkelparadijs. Het publiek sjokte broeierig in de zomerse hitte van kledingwinkel naar schoenenzaak naar souvenirshop. Ook de nog sporadische sexshop werd niet overgeslagen.

We hadden net zo goed naar een meubelboulevard kunnen gaan. Zelfde publiek, zelfde platte belangstelling: koopjes en eten. Sjokkend slofte iedereen achter elkaar aan. Slechts zelden ontwaarde ik iemand die ook echt plezier had. Het was een worsteling om door al die vrije tijd heen te komen. En als je niet meer leest, sport, wandelt, interesse hebt voor geschiedenis of cultuur, dan blijft er niet veel over: winkelen.

We verdwenen snel weer naar het volgende plaatsje.

Sint Anna ter Muiden. Het ligt nog geen 5 kilometer buiten Sluis. Het moet het kleinste stadje van Nederland zijn. Ongeveer 50 inwoners. Een prachtig pleintje, een enorme toren met hieraan geplakt een pietepeuterige kerk en een straat die "Geile Jonkvrouwstraat" heet. Op het kerkhof enkele mooie oude graven en een raadselachtig Iers kruis. Maar geen toeristen. Niet één. Ook geen winkels of terrassen.

Tenslotte nog doorgereden, op de fiets, naar Aardenburg.

We kwamen terecht in de Sint Baafskerk, het oudste gebouw van de stad. Deels opgebouwd uit stenen die werden gehaald uit het verlaten Romeinse castellum. Regelmatig vernield en weer opnieuw opgebouwd. Het resultaat mag er wezen: een kerk met zichtbaar allerlei mogelijke bouwstijlen: romaans, scheldegotiek en gotiek. Een kerk waar je even stil van wordt.

Een plaats waar je even beseft dat je onderdeel bent van een enorme geschiedenis. Waarin mensen het onmogelijke presteerden: het opbouwen van een kerk, zo hoog en met zulke enorme ramen en met een akoestiek die we nog steeds niet kunnen begrijpen, laat staan namaken. Een plek waar de grote geschiedenis soms als een razende storm voorbij kwam, een plek waar de menselijke geschiedenis door tallozen met elkaar in eenvoudige rituelen werd gedeeld.

Zo'n kerk.