zondag 13 oktober 2013
Onze vader....
Afgelopen dagen liepen mijn vrouw en ik door het boerenland tussen Willemstad en Bergen op Zoom.
Soms liepen we over hoge dijken die uitkeken over de omgeploegde kleigronden en aardappel- en suikerbietvelden, soms liepen we over eindeloze grasvlaktes, soms door bossen van beuken en eikenbomen.
De zon was de meeste dagen voor een groot deel van de dag in nevelen gehuld.
Om ons heen was er grote bedrijvigheid: de boeren reden als gekken van en naar de boerderijen met achter hun tracktoren enorme aanhangwagens. Hiermee haalden ze de aardappelen en de suikerbieten van het land. Dat moest vlug gebeuren: de weersvoorspellingen gaven aan dat er regen, heel veel regen aan zat te komen.
Wandelaars weten het: de wandeling is een gevecht met jezelf. Niet je spieren, maar je geest kan verzuren.
De wegen waren vaak kaarsrecht. Ze eindigden in de mist. Links van je, in de verte een boerderij, rechts alleen een eindeloze uitgestrektheid van een omgeploegd land: de voren bogen in rechte lijnen naar de horizon samen. Die ene boerderij die leek maar niet van zijn plaats te komen.
Het was niet koud.
Toch lag de mistroostigheid op de loer. Zacht klopte ze aan en probeerde zich te nestelen in mijn geest.
Ik heb inmiddels een probaat middel gevonden om me te verzetten tegen gedachten die mijn volhouden kunnen aantasten: de I-pod. Hierop staan interviews die Martin Simek gedurende vele nachten hield met landgenoten, bekend en, vaak voor mij, onbekend.
Simek is niet de beste interviewer die ik ken. Vaak ontsporen zijn gesprekken omdat hij een stokpaardje berijdt of emotioneel wordt. En toch, en toch.... altijd boeit hij mij. Het zijn zulke menselijke gesprekken.
En de interviews duren precies een uur. Dat is mooi, want dan weet ik dat ik alweer 4 kilometer verder op ben geraakt.
Ook tijdens deze wandeling duwde ik dus de speakers van de Ipod in mijn oor. Daar klonk de stem van Martin Simek al en deze keer bleek zijn gast Jozef van den Berg te zijn.
U weet natuurlijk allemaal wie deze man is. Ik had nog nooit van hem gehoord.
Jozef is een kluizenaar. Hij woont in een miniscuul hutje ergens onder een perenboom in Neerijnen, vlakbij Zaltbommel. Hiervoor leefde hij enkele jaren in het fietsenhok van de gemeente, maar ambtenaren houden niet van uitzonderingen op de regel, zeker niet als die zich in hun eigen fietsenhok bevindt en dus moest Jozef, ondanks protesten van de burgers van Neerijnen (maar ja, daar kun je als ambtenaar natuurlijk geen rekening mee houden, die burgers), vertrekken. Eén van die burgers had een groot hart en een grote achtertuin. Met een perenboom en daaronder bouwde Jozef dus zijn hutje.
Jozef is niet altijd kluizenaar geweest. Ooit was hij een gevierd poppen- en toneelspeler. Ook schreef hij theaterstukken. Hij trok volle theaterzalen. Tot in België wist hij de mensen te boeien.
Maar toen werd zijn broer ziek. Doodziek. Zijn broer was arts maar noch hijzelf, noch zijn collega's konden hem genezen. Alhoewel al jaren geen kerkganger meer, begon Jozef opeens weer te bidden. Om zijn broer die hij liefhad. Het was zijn broer die hem troostte en hem ertoe bewoog om een theaterstuk te schrijven waarin hij op zoek ging naar God. Hij noemde het stuk "Genoeg gewacht", als reactie op het "Waiting for Godot" en de hierin vertoonde en beklemmende leegte van het bestaan.
Tijdens het spelen van dit stuk drong het besef tot Jozef door dat er iets vreemds aan de hand was: hoe kon je op zoek naar God als je hem niet eens kende? Waar zoek je dan naar? De zoektocht verinnerlijkte zich en resulteerde, zoals Jozef het omschreef, in een ontmoeting met God. Geen taal, geen beeld, een soort innerlijk steeds heftiger wordende kracht die de acteur in zijn stuk uit het spel haalde en midden in het gewone leven neerzette.
Hij deed wat hij moest doen. Hij stapte van het podium af en verexcuseerde zich naar het stomverbaasde publiek. Hij kon niet meer. Het was over. Het toneelstuk was werkelijkheid geworden.
Hij sleepte een oude kist naar een fietsenstalling in Neerijnen en trok zich terug uit de wereld. Hij getuigt niet dwingend of opdringerig. Hij is daar en leeft uitsluitend van dat wat de mensen hem brengen. Uit liefde voor God.
Inmiddels was ik weer 4 kilometer verder. In mij geen verzuring maar verstilling. Over zoveel moed.
Terwijl ik dit schrijf, komt de regen met bakken omlaag.
Ergens, aan de waal leeft een man in een schamel hutje. Zijn naam is Jozef van den Berg. Laten we voor hem bidden.
Uit liefde.
en respect....
vrijdag 11 oktober 2013
Even delen.....
Geheel volgens mijn vaste ochtendroutine, begaf ik mij met onze hond naar de Goudse Hout voor een wandeling.
De Goudse Hout, voor de niet Gouwenaren onder u, is een door mensen bedacht natuurgebied aan de rand van het Goudse wonen. Het alom rond Gouda tegenwoordige polderlandschap wordt weer terug gevormd naar het oorspronkelijke landschap: veenmoeras, kleine bossages en water, veel water. Het was ooit een onbarmhartig land met zure gronden waar nauwelijks iets eetbaars op gedijt, totdat ooit in de vroege Middeleeuwen monniken met hun irrigatiewerkzaamheden begonnen. Er werden met de blote handen sleuven gegraven om het water af te laten vloeien, er werden dijken aangelegd en molens gebouwd. Langzamerhand droogde het land op en door eeuwenlang geduldig bewerken van de zure, natte grond, ontstond langzamerhand het landschap waar het Groene Hart bekend om is: diepgelegen polders waarop het vee graast. Datzelfde vee zorgde overigens weer voor een produkt waar Gouda tot over de landgrenzen beroemd om is geworden: kaas.
Maar goed, inmiddels wordt de Goudse Kaas tot in Polen geproduceerd en steeds meer boeren vertrekken, gefrustreerd over alle Europese regels, naar landen ver achter de horizon. Koeien blijven het hele jaar op stal en her en der is nog verzet tegen de megastallen waarin varkens zullen worden gehuisvest, maar ook dat is waarschijnlijk een kwestie van tijd: de gekte van het marktdenken vereist nu eenmaal van de boeren een maximaal efficiënte bedrijfsvoering en in een dergelijk concept passen begrippen als dierenliefde en andere sentimenten slecht. Nederland blijft in belangrijke mate een agrarisch land, maar deze sector trekt zich terug in fabrieksachtige omgevingen, vaak tot op het bot gefrustreerd door hun moderne medemens die enerzijds eist dat de boer aan een nostalgisch beeld blijft voldoen van kleine boerderijen en loslopend vee, maar anderzijds voor het dagelijks brood en andere noodzakelijke voedingsmiddelen geen cent teveel wenst te betalen.
Enfin, het Goudse Hout is een uitstekende plaats om met je hond doorheen te struinen.
Vanmorgen trof ik bij de ingang van het gebied, een paar opgewonden dames aan. Eén van hen had een doos in haar handen. De doos was aan alle kanten dichtgeplakt met tape, op één hoekje na, waar, zo bleek mij toen ik het groepje passeerde, een jonge kat zijn kop doorheen had gewurmd. Het beestje mocht op alle aandacht van de drie dames rekenen.
Dat wil zeggen, de twee dames die zich bij de dame met de doos in haar handen, hadden gevoegd, stonden met hun smartphone foto's te maken. Ik hoorde één van hen zeggen:
"Even delen..."
Ongetwijfeld stonden op vrijwel hetzelfde ogenblik de beelden op een facebookpagina, vergezeld van een bozige reactie op zoveel dierenmishandeling. Ongetwijfeld wordt dit bericht vele malen gedeeld en kan men collectief zijn of haar verontwaardiging weer even kwijt.
Nu heeft mijn vrouw lang deelgenomen aan de zogenaamde "kittenopvang" en ik moet eerlijk zeggen dat deze vondst weliswaar schokkend is, maar toch ook een heel aantal pluspunten kent: de kittens zaten in een doos (en niet in een plastic zak); ze stonden in het gras (en lagen niet in het water of in een glascontainer) en bovendien was de doos zo neergezet dat ze in korte tijd wel gevonden moest worden (in plaats van ergens achteraf op een polderweggetje). Blijkbaar was hier een wanhopige bezitter van een nest jonge kittens, nog wel zo gewetensvol geweest dat de diertjes niet onmiddellijk tot een gewisse en nare dood waren veroordeeld. Waarom de eigenaar niet zelf met het nest naar het dierenasiel was gegaan, zal altijd een raadsel zijn, maar ik vermoed dat het kernwoord schaamte is.
Al deze overwegingen durfde ik de dames niet mee te geven. Hun verontwaardiging was heftig en natuurlijk begrijpelijk. Maar dat er zelfs aan een dergelijke vondst mogelijk een verhaal kleeft die je wellicht milder kan stemmen, lijkt in deze tijd van onmiddellijke reactie en gedeelde emotie, ondenkbaar.
Toen ik even later het gebied weer uitliep kwam de dierenambulance net aanrijden. Dus, voor alle verontwaardigde medeburgers die zich afvragen waar het in onze tijd toch naar toe moet:
U kunt iets doen!
Nu!
U kunt het dierenasiel bellen en zeggen dat u uw huis openstelt voor de net binnen gebrachte kittens.
woensdag 25 september 2013
Kantooridylle
In het park passeerde ik een man en een vrouw die gemoedelijk met elkaar in gesprek waren.
In het Engels.
Ik hoorde de man spreken over een “office garden”.
Hier dwaalden mijn gedachten weg. Voor mij ontstond het beeld van een lommerrijke tuin, zacht ruisende bladeren, nazomerse kleurenprachten en mensen die aan tuintafels dromerig hun dagelijkse teksten op een laptop invoeren. Daar staat iemand op en maakt een korte ronde door de rozentuin. Diep inhaleert ze de zoetige lucht en besluit weer voldoende energie te hebben opgedaan om nu ook die lastige klant even te bellen. Een groepje scheidt zich af en neemt gaat in een cirkel in het gras zitten. Ze spreken vrolijk met elkaar.
Vaag begint het geluid van een bladerblazer door de beelden heen te dringen. Ik weet het geluid met enige moeite nog even weg te duwen. Onontkoombaar dringt het zichzelf echter op. Het zware dieselgeluid dreunt door de tuin heen en langzamerhand begint zich in mijn hoofd een woord te vormen.
Kantoor - tuin…
…office - garden...
…kantoortuin!
De tuintafels en de rozentuin verdwijnen vrijwel onmiddellijk. Het geloei van de bladerblazer neemt nu alle ruimte in. De man loopt zwetend in zijn zware werkkleding, blazend door het park. Hij stopt even, grijpt naar een pak shag en draait een shaggie. Hij kijkt mij aan en spuugt iets op de grond.
Geen kantoortype.
zaterdag 21 september 2013
Spoorloos....
Toen Jeltje op 28 maart 1906 trouwde met Dirk Pieter, leek het leven haar eindelijk een beetje toe te lachen. Dirk had een vaste baan bij de spoorwegen. Zijn zachte, Brabantse tongval vond ze prettig klinken. Veel prettiger dan het rauwe Fries waar ze mee was opgevoed.
Alhoewel, opvoeding kon je het moeilijk noemen. Haar vader, Haije de Jong, bracht het grootste deel van zijn leven in de gevangenis door. Het was geen nare man, maar hij was al jong begonnen met stelen. In het Friese dorp Smallingerland waar iedereen elkaar kende en elkaar goed in de gaten hield, werd hij dan ook voortdurend nagewezen en hij kwam nergens aan werk. Dus ging Haije maar weer op dievenpad, totdat hij opnieuw tegen de lamp liep en voor een periode het gevang indraaide. Op veel erbarmen konden Jeltje, haar zus Janke en hun moeder Sjoukje natuurlijk niet rekenen. Ze hoorden er niet bij en als kind werd ze overal geweerd, ze was immers de dochter van die dief. Andere kinderen liepen honend en wijzend achter haar aan als ze in het dorp boodschappen moest doen. Haar moeder was al lang verbitterd over zoveel christelijke naastenliefde en schold op alles en iedereen.
Dus ja, toen Dirk Pieter haar het hof maakte met zijn zachte "g" en vriendelijke ogen, liet Jeltje zich al snel meeslepen. Het duurde dan ook niet lang of zij werd zwanger van haar eerste kind, een dochtertje. Het duurde hierna nog twee jaar voordat Dirk haar ten huwelijk vroeg, toen was echter inmiddels ook hun tweede kind, opnieuw een dochtertje, al geboren.
Het leven als ongehuwde moeder viel, ook in een grote stad als Amsterdam, niet mee. Jeltje was echter gewend aan het leven op de rand van de samenleving en voegde zich zonder al teveel gezeur. Na het huwelijk leek het leven voor haar eindelijk wat perspectief te krijgen. Dirk en Jeltje kregen samen nog 6 kinderen, waaronder Bertus, mijn opa.
Dirk bleek geen gemakkelijke man om mee samen te leven. Hij was dominant, gierig en bovendien niet afkerig van vriendinnen. In 1933 was het voor Jeltje genoeg. Ze liet zich van hem scheiden.
Hierna is Jeltje verdwenen.
Spoorloos.
In de Amsterdamse archieven is haar naam verdwenen...
Ze is niet teruggekeerd naar Friesland.
Waarvoor zou ze.
Ze is niet in de buurt van haar zus in Groningen gaan wonen.
Is ze opnieuw getrouwd? Is ze ergens opgenomen? Is ze, berooid, het pad van haar vader opgegaan?
We zullen het, wellicht, nooit weten.
Jeltje is verdwenen.
Spoorloos.
dinsdag 17 september 2013
Over antroposofie, adoptie en zelfgekweekte groente.
De regenbui kwam onverwacht en was fel. Ik besloot dan ook
een boekwinkel binnen te gaan en hier de bui af te wachten.
In de boekwinkel bleken twee klanten aanwezig die voor de
kassa een hoogoplopende discussie voerden. De boekhandelaar stond achter de
kassa bescheiden en diep ongelukkig wat onduidelijke opruimwerkzaamheden te
verrichten. De twee spraken luidkeels en ongeneerd. Ik liep wat dieper de
winkel in. De discussie was echter overal woordelijk te volgen.
Ook na enige minuten onopvallend maar opmerkzaam luisteren, bleef mij onduidelijk waarover de man en de vrouw elkaar in de haren waren
gevlogen. Zij was een Gooise jonge dame: keurig gekapt en gekleed en ze sprak,
weliswaar hard, met een ietwat geaffecteerd stemgeluid. Hij was armoedig
gekleed, had een donkere huidskleur en sprak een foutloze maar duidelijk meer
volkse variant van onze taal.
De dame liet ongeveer om de drie zinnen weten
“antroposofisch” te zijn. Dat vond ze blijkbaar cruciaal om de wereld te laten
weten en ik was onmiddellijk bereid dit van haar aan te nemen. Hij was cynisch
en bitter. Hij verweet haar dat ze “dacht alles te weten”, maar “je weet
h-e-l-e-m-a-a-l niks” en dat ze maar dacht dat alle mensen “goed” waren. Dat
laatste werd door haar heftig ontkend. Om onduidelijke redenen voerde ze
hierbij als argument aan dat ze dacht dat haar ouders “slecht” waren. Hierop
haalde hij aan dat hij, als adoptiekind, door zijn Nederlandse ouders hier naar
toe was gehaald. Hij werd echter door de “Staat” niet als Nederlander erkend.
Hij kreeg dus geen uitkering. Daar reageerde de vrouw verbaasd op en er klonk
duidelijk ongeloof door in haar stem: hoe kon een adoptiekind nu niet door de
staat worden erkend. De man herhaalde nog maar eens dat de vrouw blijkbaar geen
idee had hoe de wereld in elkaar zat.
Stiekem begon ook ik wat vraagtekens te zetten bij het
betoog van de man. En ik meende een lijn in het verhaal te ontdekken, maar dáár
had ik te vroeg gejuicht.
Opeens begon de vrouw aan de man te vragen of hij dan dacht
dat bij haar, ze was immers antroposofisch, producenten als Coca Cola en
andere, in haar jus en andere etenswaren allerlei troep konden stoppen. De man
viel even verbijsterd over zoveel naïviteit stil….natuurlijk dacht hij dat! “Kijk
maar eens wat ze bij al die oorlogen doen!”De vrouw verklaarde dit onzin te
vinden: ze kweekte, ze was antroposofisch, haar eigen groente in de tuin…dat
was onmogelijk…
Ik keek eens naar haar handen en haar keurig gemanicuurde
lange nagels en besloot dit keer háár niet te geloven. Die handen waren nog
nooit in de modder van de achtertuin verdwenen. Vervolgens keek ik hen beiden
aan en vroeg me af hoe twee mensen zo onzindelijk konden raaskallen. Blijkbaar
hadden ze elkaar gevangen in deze onbegrijpelijke discussie. Verhit keken ze
elkaar aan. De boekenverkoper was inmiddels op zijn hurken achter de toonbank
verdwenen. Door de regen kwamen meer mensen de winkel binnen.
Ze wilden beiden verlost worden. Maar hoe breek je een
absurde dialoog af? Heel juist, op absurde wijze. Zij concludeerde dat hun
discussie inmiddels zoveel mensen naar binnen had getrokken en dat ze geen zin
meer (?) had om als een soort publiek vermaak te dienen. Hij knikte begripvol
en merkte op dat hij ook (!) wel honger had gekregen. Ze waren het eens, alleen
geen idee waarover. Ze zwaaiden even naar de verkoper onder de toonbank en
liepen de winkel uit.
De verkoper kwam langzaam weer overeind. Hij zuchtte even
diep en keek mij afwachtend aan. Ik zwaaide met een boek dat ik had uitgezocht
en legde mijn vinger op mijn lippen als teken dat ik zou zwijgen. De verkoper
leek iets te willen zeggen… keek weer naar buiten en vervolgens de winkel in.
Toen schudde hij kort maar heftig zijn hoofd en was het verhaal, ook wat hem
betreft, over.
woensdag 11 september 2013
Bratwurst oftewel een mijmering over een voorbije zomer....
Als, op welke wijze dan ook, het woord “braadworst” valt,
vliegt mijn geest in een fractie van milliseconden naar een zwembad in
Zwitserland. Altijd en iedere keer weer.
In mijn jeugd, we woonden nog in Castricum dus dat moet voor
mijn 12e jaar zijn geweest, gingen we enkele keren op vakantie naar
Zwitserland. Mogelijk dat mijn geheugen me op dit punt verraad, maar volgens
mij huurde mijn vader een appartement in een grote boerenwoning in het gehucht “Ober
Waldstatt”. Als ik deze naam “google” levert dat niets op.
Het klinkt wel
Zwitsers.
Hoe dan ook.
In de omgeving van deze woning bevond zich een openlucht
zwembad. Hier brachten we meerdere keren enkele uren door. Het zwembad kreeg
toch wel een plek in mijn herinnering: alle mannen werden verplicht om een
badmuts op te doen. Als jongetje van een jaar of negen, vond ik dat natuurlijk
belachelijk.
Iedere middag op klokslag dezelfde tijd, alleen ik weet niet
meer welke tijd dit was, kraakte de omroepinstallatie even en vervolgens riep
een wat hese stem: “Die Bratwürste sind fertig” Het vervolg laat zich raden:
een lange rij vormde zich bij de bakplaat en hierna deden de bezoekers van het
zwembad zich massaal te goed aan de broodjes vette hap.
Gek genoeg weet ik niet of wij ook zo’n broodje aten. Mijn
herinnering betreft de mededeling die over het grasveld schalde, niet de smaak
van de worst.
Er is ook een bepaalde geur. Geuren zijn niet uit het niets
op te roepen, althans, mij lukt dat niet. Maar er hoeft maar een fractie van
deze combinatie van geurstoffen ergens in de lucht te hangen en mijn neus, niet mijn meest
gevoelige orgaan, pikt het op. De geur hangt samen met de slaapkamers van de
vakantiewoning. Op de bedden lagen voor ons als nieuw fenomeen: dekbedden. Door het raampje konden
mijn broer en ik in de verte hoge bergtoppen zien. Van buiten woei de lucht van
koeien en gras, wat zich dus vermengde met de geur van de dekbedden. Die geur
van boerenland en zeep, associeer ik sindsdien met zomer en, vreemd genoeg want
waar ligt de relatie, geborgenheid.
Dit schrijfsel is inmiddels meer een mijmering geworden, dus
ik zal dit patroon niet meer verstoren. Nog een enkel beeld.
Mijn vader was in deze periode voor zijn werk langdurig in,
toen nog, Tsjecho-Slowakije. Als hij een weekeinde of, zoals in dit geval, voor
een vakantie, naar huis kwam, nam hij cadeaus mee. Voor deze vakantie was dat
voor mijn broer en mij, een pijl en boog. Hiermee stonden wij in het weiland
voor het huis te schieten: we mikten op de bovengrondse elektriciteitsdraden.
Als de pijl zo’n kabel raakte, hoorde je over de lengte van de kabel een siddering
gaan. Hier waren we uren zoet mee.
En dan nog een spel. Deze vakantie werd door ons gezin het
“stap-op” spel gespeeld. De finesses zijn mij niet meer bekend, maar dit was
een kaartspel waardoor je met de fiets een tocht ging maken. Tegenspelers hadden
echter pestkaarten, zoals een lekke band, die jouw reis voortdurend
onderbraken. Het spel was dan ook een goede oefening in het
“tegen-je-verlies-kunnen”. Dat konden we geen van allen erg goed. Mijn vader
loste dat consequent op door gruwelijk doorzichtig vals te spelen zodat we met
elkaar lachend over de grond rolden. Soms letterlijk.
Ja, nu begin ik die geborgenheid ook weer te begrijpen…
vrijdag 6 september 2013
Nachtvlinder.
Vorig weekeinde sliep onze jongste dochter bij ons thuis. Zondagochtend vroeg, een uur of vijf, wekte ze mij. Ze hoorde naast het huis iemand hard huilen.
Het duurde even voordat mijn geest en mijn lichaam zich op hetzelfde punt bevonden. Ik luisterde naar de geluiden die door het open raam naar binnen kwamen en inderdaad, er was iemand aan het huilen. Ik was opeens klaar wakker en sprong uit bed. Samen met mijn dochter liep ik naar de benedenverdieping en ik deed de voordeur van het slot. Ik gebaarde naar mijn dochter dat ze maar beter binnen kon blijven. Ik liep om het huis heen.
Naast ons huis bevindt zich de oprit naar de garage. Vanochtend stond de auto van mijn vrouw hier geparkeerd. Omdat de buren hun huis aan de zijkant hebben uitgebouwd, vernauwt de oprit zich hier tot ongeveer de breedte van een auto. De auto van mijn vrouw sloot dit deel min of meer af, zodat er een soort beschutte ruimte was ontstaan.
Hier zat een meisje weggedoken tegen de zijmuur van ons huis.
Ze had haar fiets hier ook gezet, zodat noch de fiets noch zijzelf vanaf de straat te zien was. Daarentegen was ze uitstekend te horen: jankerig sprak ze op luide toon in een telefoon.
Toen ze mij in de gaten kreeg, sprong ze onmiddellijk overeind en veegde haar ogen droog. Ze was nog jong en, ondanks haar pogingen om door kleding en make up ouder te lijken, kon ze niet ouder dan 15 zijn. Ze maakte omstandig haar excuus en begon een verward verhaal waaruit in ieder geval bleek dat ze geen idee had waarom ik hiernaar toe was gekomen, waar ze was en hoe het nu eigenlijk verder moest.
Terwijl ze sprak, kwamen zware walmen alcohollucht mijn kant op. Ze was straalbezopen.
Ze keek me trouwhartig aan en vroeg me of ik het een beetje begreep.
Ik kon er geen touw aan vast knopen.
Ze vroeg me of ik een bepaalde uitgaansgelegenheid in de stad kende. Ik had mijn eigen kinderen hier wel eens over gehoord. Ze vroeg me of ik wist waar Gouderak lag. Een klein plaatsje vlakbij Gouda, dat kende ik. Het lag in ieder geval een heel andere kant op. Ze keek me aan.
Ik gaf aan nog niet het verband te zien tussen de uitgaansgelegenheid, Gouderak en het feit dat ze nu huilend naast ons huis zat.
"Oooooh, is dit úw huis???"
Zover waren we dan gekomen.
Nu vertelde ze dat ze op een grote weg hier vlakbij, was lastig gevallen door een groep Marokkaanse jongens. Ze liet een plek op haar been zien, daar was de uitlaat van een scooter tegenaan gevallen of tegenaan geschuurd, dat werd niet duidelijk. Ook was een ketting, die ze altijd droeg, in stukken gebroken...Ze liet met een pruillip de restanten zien. Ze huilde niet meer.
Nou, toen was ze maar gevlucht en hier weggekropen...
Dat leek me een verstandige actie.
Ik vroeg haar of ik haar ouders moest bellen, maar geschrokken weigerde ze dit. Vervolgens bood ik aan om haar met de auto maar naar huis te brengen, maar ook dat wilde ze niet. Ze durfde niet naar huis, ze was op weg naar een goede vriend die hier vlakbij woonde.
"Weet je dan waar je bent?"
Nou nee, ze had eigenlijk geen idee.
"Hoe wil je dan bij het huis van je vriend komen?"
Tja, dat was inderdaad wel een probleem. Maar ze had zijn telefoonnummer. En voordat ik iets kon zeggen, het was nog steeds pas half zes 's ochtends, had ze zijn nummer aangetoetst. Blijkbaar was hij wakker want er werd al snel opgenomen. Ik kreeg de telefoon in mijn handen geduwd. De jongen aan de andere kant van de lijn klonk wat slaperig maar niet onaardig. Hij wist wie het meisje was en zou haar wel op komen halen. Ze kon bij hem thuis wel op de logeerkamer slapen. Hij zou haar komen halen. Hij vroeg of ze naar een gymzaal vlak bij ons huis kon komen....ik keek haar vragend aan. Ze knikte opgetogen, die wist ze wel te vinden.
Ze sprong op haar fiets en verdween in het ochtendschemer de straat weer uit.
Ik huiverde en keek naar de lucht....
het zou weer een warme dag worden....
Abonneren op:
Posts (Atom)





