vrijdag 2 maart 2018

Oranje boven .....

Daf 55 *)
Hier staat hij dan, keurig achter een afscheiding.

Een museumstuk...

Zelfs de kleur klopt, wat mij betreft: fel oranje. Dat kwam onder invloed van mijn moeder. Ze was ervan overtuigd dat een auto met een opvallende kleur minder kans op een ongeluk maakte. Dus waren de auto's van mijn ouders meestal oranje.

Fel oranje.

We reden in een Daf doordat mijn vader een stijfgezet been heeft. Hij kon daarom onmogelijk in een schakelauto rijden. En begin jaren zestig had je dan niet zoveel keus: dat werd onherroepelijk een Daf.

Het was in de tijd dat een nieuwe auto nog moest worden ingereden. Zorgvuldig werd de snelheid van de motor stapsgewijs opgevoerd. Mijn vader deed dit door met ons, zijn gezin, een dag lang met de nieuwe auto een lange rit te maken. Nog altijd kan ik de geur van zo'n nieuwe auto in mijn herinnering oproepen. Een fris aroma van lak, lijm en rubber.

En ja, die eerste tocht reed mijn vader. Hierna maakte dat niet meer uit: zowel mijn vader als mijn moeder maakten afwisselend gebruik van de auto.

De auto werd, zolang wij nog in Castricum woonden, gekocht bij een dealer in Schagen.

Waarom Schagen? Geen idee. Mijn vader kennende: hij heeft daar waarschijnlijk ooit zijn eerste Daf gekocht en hij vertrouwde de man. Dus werd verschillende keren in dat desolate dorp in die kale polders van Noord Holland onze nieuwe auto gehaald.

Ik heb nog een foto van, ik denk, onze eerste Daf. Het zal een Daf 33 of misschien zelfs nog een Daf 600 zijn geweest. Hoe dan ook, toen ik zo'n wagentje recent een keer op straat tegenkwam, realiseerde ik me hoe klein het eigenlijk was. Dat maakte voor ons helemaal niets uit: mijn vader monteerde een soort houten kist op het dak en de auto werd helemaal volgepropt (volgens mij zaten mijn broer, zus en ik bovenop de slaapzakken en kussens, op de achterbank)....en zo trokken we de Alpen over, naar Venetië.


Dat was spannend, de bergen over. De Daf had een bergknop. Ik heb geen flauw idee waarvoor deze diende, maar het indrukken van die knop was een plechtig moment en voor ons het ultieme bewijs dat we echt op vakantie waren.

De Daf betekende voor ons vooral vrijheid. Met mijn ouders trokken we door heel Europa: Italië, Frankrijk, Zwitserland, Engeland, Ierland, je kon het zo gek niet bedenken. O ja, op zondag reden we met de auto naar Beverwijk, naar de kerk. Twee keer iedere zondag. Tot de oliecrisis uitbrak, toen was het gedaan met zondagmiddag naar de kerk.

Voor dagjes uit werd de auto ook gebruikt: Madurodam, de Efteling, Linnaeushof, Avifauna. We reden ermee naar onze opa en oma in Amsterdam.

Maar niet het woon-werkverkeer: mijn vader ging met de trein naar zijn werk.

En altijd ruzie. Wie moest er in het midden zitten....

Meestal was ons zusje de pineut: zij was de jongste. Totdat ze wist hoe ze zich tegen twee oudere broers moest verweren: gewoon, keihard er tegen in. Dat lukte haar heel aardig.

Later, veel later, werd de Daf vervangen door een Volvo. Een Zweedse.

Maar ook die was oranje....

Knaloranje.




*) Door FaceMePLS from The Hague, The Netherlands - DAF 55 Sedan de Luxe (1969)

zaterdag 24 februari 2018

Over die goede, oude tijd

Dirk Pieter Zwart en zijn gezin, ongeveer 1916
In de periode tussen 1925 en 1935 verhuist Dirk Pieter met zijn gezin in ieder geval 10 keer. Dat is dus zo'n één keer per jaar. Steeds binnen Amsterdam. In zoverre ik de adressen op de archiefkaart kan lezen: Kuiperstraat, Oogstraat, Vechtstraat, Marcusstraat, Zeeburgerdijk, Balistraat....Het gezin verhuist naar adressen dwars door de hele stad.

Dirk Pieter werkt voor de spoorwegen. Hij weet in de loop der jaren op te klimmen tot hoofdrangeerder. Hij heeft dus werk en daarmee behoort hij tot de gelukkigen in de jaren dertig van de vorige eeuw. Het waren immers de crisisjaren en honderduizenden landgenoten om hem heen waren afhankelijk van de steun.

Dat geldt ook voor zijn kinderen. Zij doorliepen alleen de lagere school. De meeste zonen, hij heeft er vijf, grijpen ieder baantje aan om aan geld te komen. Niet zelden echter lopen ze in de steun en lijden bittere armoede. Eén van hen, Dirk Pieter jr.,  ontspoort en brengt een groot deel van zijn leven in de gevangenis of politiecel door: steeds gaat het om diefstal en als je de politierapporten mag geloven deed hij dit niet al te slim. Voortdurend liep dit zwarte schaap regelrecht opnieuw in de armen van de wet. Hij overleed al jong, op 32-jarige leeftijd. In de gevangenis.

Over twee andere zonen komen we meer te weten door een aantekening op hun keuringsformulier voor militaire dienst. Bij Joseph staat in 1932 vermeld dat Dirk Pieter en zijn vrouw Jeltje uit de ouderlijke macht zijn gezet. Joseph heeft geen huisadres en staat ingeschreven bij de vereniging voor onbehuisden. Joseph is dan 19 jaar oud. Een jongere broer, Wieger, verblijft in 1933 in het Rijksopvoedingsgesticht voor jongens in Doetinchem. Hij doet daar wel een opleiding: hij wordt monteur voor automobielen.

Over Lambertus, de oudste zoon, weten we meer. Hij was mijn opa. Hij vertelde dat hij op 14-jarige leeftijd op straat rondzwierf. Dat bleek het resultaat van de opvattingen van zijn vader over opvoeding: vanaf 14 jaar werd je geacht op eigen benen te staan en zelf voor je inkomen te kunnen zorgen. Mijn opa doorliep dus de harde school van het straatleven en leerde het vak van 12 ambachten en 13 ongelukken. Afgaande op de summiere aantekeningen bij Joseph en Wieger, was dit regel in dit gezin.

Daarmee is het raadsel nog niet opgelost van de vele verhuizingen. Van Dirk Pieter is bekend dat hij altijd erg gierig was: vloerbedekking werd pas vervangen als hij hier minstens drie keer eerst nog met een verfkwast overheen was gegaan. Restjes drank werden in een grote fles verzameld en dat resulteerde in een dodelijke drank dat hij zijn gasten op nieuwjaarsdag aanbood. Gelukkig had hij niet veel vrienden en zijn kinderen ontweken hem, zeker op die dag.

Het is dus mogelijk dat hij bleef zoeken naar een onderkomen met steeds een lagere huur. We kunnen het hem niet meer vragen: Dirk Pieter overleed in 1965 op 85-jarige leeftijd.

zaterdag 13 januari 2018

Buitenaards leven bestaat....




Mijn stelling is: buitenaards leven bestaat. Sterker: ze zijn al onder ons.

Ik zal het u aantonen.

Dat is voor mij niet moeilijk: sinds enkele jaren leven wij namelijk samen met een wezen van ergens uit de ruimte...

Kluns.

Kluns lijkt op een kat en vanuit die gedachte hebben we hem dan ook in huis genomen. Hij is harig, loopt op 4 poten, hij knort als hij het naar zijn zin heeft en hij heeft rechtopstaande, driehoekige oren. Geen twijfel mogelijk, zou je zeggen, een echte kat.

Totdat....

Kluns een sprong moet maken. Bijvoorbeeld van de tafel naar een nabijgelegen kast. Die sprong is noodzakelijk want op die kast staat een bakje droogvoer. Het is een sprongetje van niks: hij hoeft nog geen 60 cm te overbruggen.

Het is hem nog nooit gelukt. In de meest absurde verkrampingen verdwijnt Kluns tussen tafel en kast naar de grond. Het liefst sleept hij tegelijkertijd van alles wat zich op de tafel bevindt, mee. Of hij blijft met zijn nagels haken aan de rand van de kast. Ook dit levert onafwendbaar een val omlaag op, maar dan meer glijdend.

Of de idiote gewoonte van het beest om minstens dertig keer per uur luid mauwend de huiskamer te verlaten, door de schuifdeur naar de achtertuin. Waarbij hij meestal, wanneer de schuifdeur gesloten is, direct weer omdraait om klagelijk mauwend naar binnen te gaan zitten kijken. Als je de deur openschuift, komt mijnheer bozig pruttelend weer naar binnen.

Of de nog meer absurde gewoonte om zich als hond te gedragen. Het liefst ligt Kluns in een hondenmand (de honden, lafaarden die het zijn, liggen er dan met een treurige kop naast). Wanneer iemand een hond aanhaalt, is Kluns er als de kippen bij, want hij wil ook worden aangehaald. Wanneer de honden, na een wandeling door de regenplassen en de modder, het huis binnenkomen, begint Kluns onmiddellijk de smerige poten van één van de honden schoon te likken. Dat doe je namelijk, als honden onder elkaar...

Probeer Kluns eens aan te halen. De gemiddelde huiskat kronkelt van genot en biedt zo ongeveer ieder plekje op zijn lijf aan om doorheen te kroelen. Kluns niet.

Kluns schiet in een kramp. Al zijn nagels staan uit en als je niet oppast slaat hij deze diep in je vlees, waarbij hij niet in staat is om zijn nagels weer in te trekken.

Toch wil hij dolgraag worden aangehaald. De enige manier is om hem razendsnel zo te vloeren, dat hij met zijn nagels geen kwaad meer kan. Als je hem op zijn rug aait, begint hij zichzelf hysterisch te likken. Stop je met aaien op zijn rug, dan stopt hij het likken. Het is net of er een soort knop zit.

Eten is ook al een wonderlijk avontuur. De andere katten gebruiken hun tanden om het eten uit de voerbak te vissen.

Kluns niet.

Kluns hengelt voorzichtig met zijn nagels de brokken uit de voederbak. Legt ze ergens op de grond en eet het dan pas op.

Soms....

Meestal laat hij het gewoon liggen. Met als effect dat de hele vloer onder de voedselbrokken ligt.

Waar de andere katten, wanneer ze naar buiten zijn, een ronde door de buurt en aanpalende tuinen maken, is Kluns nog nooit de tuin uit geweest. Hij holt één keer naar altijd hetzelfde plekje, wroet hier met zijn snuit door de aarde (zodat hij met een bemodderde kop weer naar binnen komt) en vindt het avontuur buiten weer mooi geweest. Als gezegd, alle andere tientalle keren komt hij niet verder dan twee passen buiten de schuifdeur, voordat hij weer omdraait.

Kluns....

We hebben ons lang afgevraagd hoe dit wezen nu eigenlijk in elkaar zit.

Maar ik weet het nu zeker....

Hij is een buitenaards wezen die de gestalte van een kat heeft aangenomen, maar die het concept kat niet goed begrijpt....

Kluns komt van Pluto...

zaterdag 6 januari 2018

Carriereperspectief.

Een ketelbikker aan het werk

Eén van mijn overgrootvaders, Dirk Nicolaas Dijkshoorn, de vader van mijn oma, was "ketelbikker". In zijn familie hadden nogal wat broers, ooms en neven hetzelfde vak.

Mijn idee was aanvankelijk dat een ketelbikker een soort variant was op een koperslager, maar dat bleek een volstrekt verkeerde aanname.

Een ketelbikker was in de 19e een geheel nieuw vak.Ze hing direct samen met de opkomst van de stoommachine.

De ongekende mogelijkheden van de toepassingen van de stoommachine, bracht namelijk ook nieuw ongemak met zich mee:

Ketelsteen.

We kennen het fenomeen nog steeds,maar dan in microvorm: door het gebruik van kokend water, zet zich een harde laag af in de waterketel waarmee we ons theewater zetten, of het goedje dat zich afzet in onze koffiezetapparaten.

Dat idee, maar dan in meer dan mansgrote ketels waarmee oceaanreuzen, locomotieven of hele fabrieken in beweging werden gezet. Door het intensieve gebruik van deze stoomketels, zette zich voortdurend een dikke. harde laag ketelsteen af. Het effect was dat de ketel steeds minder in staat was om het water aan de kook te brengen of te houden en bovendien werd de ketelwand aangetast, met alle risico's van dien.

Dus de laag ketelsteen moest eraf.

Daar waren de ketelbikkers voor.

Met beiteltjes en hamers kropen ze in de stoomketels en hakten de hard geworden steenlaag weg. Dat was nog een secuur werkje: je moest veel kracht gebruiken en tegelijkertijd oppassen dat je niet door de ketelwand heen sloeg.

Het was vooral intens smerig werk.

Er werd ook wel geëxperimenteerd met oplosmiddelen, zoals zoutzuur. Dat maakt de ketelsteen tot een zacht papje en kan dan worden weggeveegd.

We hebben het nu over de 19e en begin 20e eeuw en Arbo en andere veiligheidseisen bestonden nog niet. Ik ben bang dat de mannen zonder enige bescherming met het zoutzuur en andere agressieve oplosstoffen aan de slag moesten. Ook het intensieve werk, vaak liggend op de rug, in de benauwde, warme ketels zal de lichamelijke conditie niet veel goed hebben gedaan.

Dirk Nicolaas was niet echt een kleintje: ongeveer 1 meter 79, weten we van aantekeningen van zijn militaire keuring. Ook werd opgemerkt dat hij een ovaal gezicht had, een laag voorhoofd, blauwe ogen en blonde haren. Die laatste zullen tijdens zijn werk niet zo blond zijn geweest. Ten tijde van deze keuring was hij overigens nog ketelmaker.

Vier jaar later, bij zijn huwelijk, was hij ketelbikker. Of het beter verdiende of dat er gewoonweg geen werk te vinden was voor een ketelmaker, het staat nergens beschreven.

Maar of hij het werk van ketelbikker leuker heeft gevonden?

Ik geloof er helemaal niks van.


vrijdag 5 januari 2018

Super!



Ik bestelde maar vast een glas bier.

"Super!"

aldus het meisje dat de bestelling kwam opnemen.

"Super", bleek het toverwoord. Het eten dat we bestelden was "super", de vraag om een karaf water bleek "super" en ook het verzoek om de rekening werd beantwoord met een enthousiast "super".

Nu komt "super" nauwelijks in mijn vocabulair voor. Behalve dan bij het tanken, alhoewel ik tegenwoordig de benzinetank vol gooi met "euro". Gezien de prijs, de meest voor de hand liggende naam voor deze brandstof.

Ik ken nog de "super" als afkorting van de supermarkt, maar dan heb je het, wat mij betreft, wel gehad. Het gebruik van "super" als overtreffende trap, daar heeft mijn calvinistische generatie niet zoveel affiniteit mee. Ik ben opgevoed vanuit een "doe maar gewoon...." en daarin horen superlatieven nu eenmaal niet zo thuis.

Nog zo ééntje: "Top!"

Inmiddels heb ik afgeleerd om stiekum even naar boven te kijken, maar het woord blijft me verwonderen. Het ligt duidelijk in de lijn van "super!" en wordt over het algemeen ook met enig enthousiasme uitgesproken.

Alhoewel, ik betrap ook regelmatig mensen op het gebruik van het woord "top", terwijl ze somber naar een beeldscherm staren en bijna vanuit een automatisme reageren op iemand die tegen ze aan staat te praten.

"Top"

Dan is "Top" niet "Top",

Het kan ook wel iets dwingends hebben: "Top". Dan wordt het gebruikt door een leidinggevende die het gesprek afrond: "Top" en daar sta je dan en probeert iets van enthousiasme op te brengen:

"Super"

Het zijn waarschijnlijk modewoorden en nog waarschijnlijker zijn ze ook al achterhaalt. Op het moment dat mij een woord begint op te vallen, is het vaak alweer vervangen.

Dit zegt veel over mij en de omgeving waar ik veelal in verkeer.

Taal is een levend ding. Modewoorden komen en gaan. Het beste commentaar hierop is dan ook meestal domweg zwijgen: het gaat vanzelf voorbij.

Super!

Ik word door u onbegrepen aangekeken.

Dat bedoel ik...


 




zaterdag 30 december 2017

circle of life



leefomstandigheden in de veengebieden van Nederland 

Hendrik Boender wordt in 1822 geboren in Heerenveen. Zijn moeder, Hendrikje, is dan 20 jaar oud, naaister van beroep en ongehuwd. Drie jaar later trouwt ze met Wiltje Nauta, maar Hendrik zal hij nooit als een zoon erkennen.

Hendrik blijft dus de naam van zijn moeder dragen.

Of deze, zeker voor die tijd, valse start veel invloed op de ontwikkeling van Hendrik heeft gehad, we zullen het nooit zeker weten. Wat we wel weten is dat Hendrik een onstuimig leven leidde. Zo werd hij verschillende keren voor de rechter gebracht: voor mishandeling, voor diefstal en voor een vergrijp dat we, dankzij het onleesbare schrift van de griffier, nooit meer zullen achterhalen. Het kostte hem wel enige dagen gevangenisstraf en een boete.

Hendrik trouwde verschillende keren. De eerste keer met Jeltje de Haan. Met haar krijgt hij 7 kinderen, waaronder mijn bedovergrootmoeder, Sjoukje Boender.

Jeltje is 54 als ze in februari 1877 komt te overlijden.

In augustus van datzelfde jaar trouwt Hendrik met Elisabeth Grendel. Hendrik is dan 55 en Elisabeth 38 jaar oud. Elisabeth is nooit getrouwd geweest. Dat heeft vast te maken met dat ook zij ooit, ze was toen 25 jaar oud, ongehuwd moeder werd. Haar zoontje overleed toen hij net een maand oud was. De schandvlek was echter niet meer weg te wassen. Totdat Hendrik dus in haar leven verscheen.

Het lijkt er wel op dat Hendrik in 1877, na het overlijden van zijn eerste vrouw en de moeder van zijn kinderen, een geheel nieuwe start heeft willen maken. Hij verkoopt zijn huis met erf in Friesland voor F 150,- aan Age Spinmuis en vertrekt naar Groningen. Daar verschijnt Elisabeth in zijn leven.

Of ze gelukkig waren, ik heb geen idee. Het was in ieder geval van korte duur: in 1880 wordt Elisabeth opgenomen in een krankzinnigengesticht in 's Hertogenbosch: Reinier van Arkel. Nog geen drie jaar later komt ze aldaar te overlijden. Ze is dan 43 jaar oud.

In 1886 probeert Hendrik het nog een keer: hij trouwt op 64-jarige leeftijd met Roelfke van Dijk. Zij is dan 36 jaar oud en, het zal toch geen toeval zijn, ook ongehuwd moeder. Hendrik erkent haar dochter als zijn kind.

De cirkel lijkt hierdoor rond voor Hendrik.

Twee jaar later komt ook hij te overlijden. 

vrijdag 22 december 2017

In de mensen een welbehagen...




Wat schuchter zei ze dat ze niet mee kon zingen. Ze was namelijk niet gelovig.

We hadden net "Stille nacht, heilige nacht" met elkaar gezongen, als inleiding op het kerstdiner.

Haar buurvrouw gaf te kennen ook niet gelovig te zijn, maar dat ze deze kerstliedjes heerlijk vond om mee te zingen. Ze deden haar denken aan de kerstvieringen uit haar jeugd. De vrouw reageerde niet op deze repliek, maar keek verlegen voor zich uit.

Zwijgend at ze de carpaccio, het voorgerecht.

Ik probeerde haar te bereiken en vroeg of ze al lang in dit zorgcentrum woonde. Weer keek ze verlegen en ze vertelde hier niet te wonen. Ze woonde in een flat aan de overkant van de straat. Haar hulp in de huishouding had haar overgehaald om hier mee te doen met het kerstdiner.

Wederom buitelde haar buurvrouw geruststellend over haar heen: ze was natuurlijk welkom. Iedereen mocht immers aanschuiven?

Maar de vriendelijkheid was te veel voor deze verlegen dame. Ze trok zich weer terug in haar cocon van zwijgen.

Ik liet het maar even begaan. Het leek erop dat deze vrouw niet meer zo gewend was aan aandacht en vriendelijkheid. Dat kan dan ook wel afschrikwekkend worden als het opeens over je heen wordt gestort.

Met de andere dames en heren aan de tafel waar ik zat, spraken we over van alles en nog wat. Hun herinneringen aan kerst, het werk dat ze altijd hadden gedaan, de kinderen en de plannen voor de komende kerstdagen. Zij zat stilletjes te eten, maar ze volgde het gesprek nauwlettend: ze werd verraden door haar ogen. Soms bevestigde zij dat het eten haar goed smaakte, als iemand haar dit vroeg. Vervolgens week haar blik weer af en stokte de conversatie. Uiteindelijk werd ze door de tafelgenoten genegeerd.

Tijdens het afruimen van de tafel na het hoofdgerecht, keek ze me opeens direct aan.

"Ik heb vier kinderen", begon ze, "maar ik heb al jaren geen contact meer met ze..."

Ik probeerde voorzichtig:

"Dan zullen de kerstdagen wel moeilijk voor u zijn?"

"Welnee, zij willen maar uitmaken hoe ik moet leven...daar heb ik helemaal geen zin in. Ik maak zelf wel uit wat ik doe en laat. Maar dat bevalt hun blijkbaar niet... Ik vind het wel goed zo: ik kan lekker mijn eigen gang gaan."

Het leek aan de anderen aan tafel voorbij te zijn gegaan. Ze keek eens rustig rond en pakte haar glas wijn. Ze gaf mij een vriendelijk knikje en nam een flinke slok. Ze zweeg weer.

Het dessert was overvloedig: vijf verschillende zoetigheden lagen op ons bord. Mijn tafelgenoten kozen het zoet van hun voorkeur en lieten de rest staan. De zwijgende dame at haar bord echter helemaal leeg en keek verzadigd om zich heen.

"Ik mag dit helemaal niet eten want ik heb diabetes", zei ze, terwijl ze mij toch wat uitdagend aankeek:

"Eén keer in het jaar moet het kunnen. Ze komen me na de kerst pas weer prikken, dus dan is die zoetigheid wel weer uit mijn lijf verdwenen..."

Een dame met een kop erop.