donderdag 19 april 2018

Lamstraal





Ze stond me boven aan de trap, in de deuropening, al op te wachten. Een magere vrouw met een te grote bril op haar neus. Ze gaf me een hand en keek van me weg toen ze zich voorstelde. Ze liet me binnen. Ik stond in een piepklein appartement. 

Ze ging me voor naar de huiskamer. 

Deze werd gedomineerd door een enorme hoekbank en een groot formaat televisie aan de muur. In de bank hing een jongetje. Hij gunde me geen blik waardig en keek verveeld naar de beelden van een tekenfilm op de televisie. 

Tegen een muur stond een eettafel geschoven waaraan twee stoelen. Hier ging ik maar zitten. De vrouw was verdwenen en ik probeerde contact te krijgen met het jongetje. Hij noemde zijn naam. Helaas probeerde hij tegelijkertijd een snoepje in zijn mond weg te werken, dus veel meer dan “knlmr”, kon ik er niet uit opmaken. Ondertussen was de vrouw weer de kamer in gekomen. Ze kwam bij mij aan tafel zitten en keek me verwachtingsvol aan.

“Mam….”, probeerde het jongetje, maar dat werd direct door de vrouw afgekapt. Beledigd keek het ventje weer naar de televisie.

Ik introduceerde mezelf en vertelde het doel van dit eerste gesprek: kennismaken, een globale oriëntatie van de schuldensituatie en, vooral, een inschatting maken of er een crisissituatie dreigde.

De vrouw begon te vertellen over hun situatie. Die was niet rooskleurig: hoge schulden, onder andere een achterstand in de huur; achterlopende betalingen bij het elektriciteitsbedrijf en de zorgverzekering was al overgenomen door het zorginstituut (wat, naast de maandelijkse premie, ook een maandelijkse boete betekent). Hierbij was duidelijk dat de vrouw een beperkte schuld had en haar vriend een torenhoge. De vrouw en haar vriend leefden van haar uitkering en het zag er naar uit dat in afzienbare tijd deze uitkering nog eens zou worden verlaagd.

Ze leefden op de rand van een vulkaan.

Inmiddels kwam haar vriend de kamer inlopen. Hij stelde zich niet voor, maar ging op de bank naast zijn zoontje zitten. Ik vroeg hem of hij erbij wilde komen zitten, maar daar had hij geen oren naar.
“Het is haar idee dat we hulp nodig hebben, volgens mij redden we het wel.”
Ik probeerde hem duidelijk te maken dat de situatie toch wel erg kritisch was. Hij wilde er niet van horen. Hij begon een heel verhaal over een schuldhulpverleningstraject dat blijkbaar niet goed was verlopen. Ook gaf hij mij te kennen dat ze vooral slachtoffer waren van “het systeem”.

Ik vroeg hem wat hij hiermee bedoelde.

Nou, de rechter had nog geen drie weken geleden een schuldsaneringstraject voor hen afgewezen. Ik vroeg hem welke reden de rechter hiervoor had opgegeven. Nou, de rechter vond dat ze onvoldoende zelf hun best hadden gedaan om van de schulden af te komen….dat vond hij onzin, ze waren juist heel coöperatief.

Ik wees hem erop dat de rechter hier blijkbaar anders over dacht…

De man haalde zijn schouders op.

“We redden het wel…”

De vrouw had al die tijd haar mond gehouden. Ik keek haar aan. Ze begon me te vertellen dat ze iedere maand toch iets van de schuld probeerde af te lossen.

“Dat bedoel ik”, riep de man, “ze doet hartstikke haar best…”

Ik begon me te realiseren dat ik me op een zinkend schip bevond. Ik sprak mijn respect uit voor de vrouw dat ze, ondanks hun gebrek aan inkomsten, toch probeerde af te lossen. Ik wees haar erop dat dit op de iets langere termijn, haar uitkering zou worden teruggebracht, toch steeds lastiger zou worden. Bovendien, de torenhoge schuld van haar vriend, dat werd een hopeloze strijd. Ik probeerde haar ervan te overtuigen dat ze toch echt weer professionele hulp moesten inschakelen.

De vrouw keek steels naar haar vriend en verklaarde dat ze het beiden erg lastig vonden om hun financiën uit handen te geven.

Haar vriend bemoeide zich niet meer met het gesprek. Hij had zijn piketpaaltjes geslagen en de vrouw had ze begrepen. Haar belangstelling verflauwde. Ik deed nog een manmoedige poging om haar wat huiswerk te geven en een vervolgafspraak te maken.

Ze verklaarde dat ze beiden de avonden geen afspraken wilden maken….ik kon alleen de avonden….ze zou me nog wel mailen of ze dan toch een afspraak wilden maken….

Ik vermoed dat ik nooit meer iets van hen hoor.

Eigenlijk zou hier het advies dat ik nooit mag geven, het allerbeste zijn: gooi die lamstraal je huis uit…

Maar ja, de kinderen…

woensdag 21 maart 2018

Een belofte voor de eeuwigheid


  U kent ze beiden: Marten en Oopjen. Neerlands meest beroemde bruidspaar. 

Ze vormden ruim 300 jaar na hun huwelijk nog het centrum van een diplomatieke rel, alhoewel onze bewindvoerders in hun onnavolgbare schemertaal natuurlijk bleven volhouden dat alles met die verdomde Fransen in goede harmonie was afgesproken. 

En ja, het is waar, we hadden nooit meer van deze twee echtelieden gehoord als hun portretten niet door Rembrandt zelf waren geschilderd. 

Maar daar wilde ik het allemaal niet over hebben.

Wij waren gister 32 jaar getrouwd. Het leek ons wel een mooi idee om deze dag te gebruiken om Marten en Oopjen op te zoeken in het Rijksmuseum. 

Tenslotte gingen zij ons zo'n 380 jaar geleden voor in het huwelijksbootje.

Omdat we eerder die dag door een enthousiaste jongedame door de collectie Six waren geloodst en zij ons van alles over de verborgen symbolen in 17e eeuwse schilderijen had verteld, keken we alweer met andere ogen naar de portretten.

Voor een huwelijksportret van de welvarenden onder de 17e eeuwers, gingen de ega's gekleed in diep zwart. De belangrijkste reden was wel omdat zwarte stoffen duur waren. Om een diepzwarte kleur (ik weet het, zwart is geen kleur) te bereiken moesten de stoffen vele malen in een verfbad worden ondergedompeld. En u raadt het al: de ingrediënten voor een zwart verfbad waren duur.

Oopjen draagt twee armbanden. Deze staan symbool voor de verbinding die zij met Marten is aangegaan. Het roept bij ons wellicht wat associaties op met handboeien en in vele huwelijken zal dit ook wel het geval zijn geweest. Een dochter was in die tijd vooral een middel om de familie op een gunstige manier te verbinden aan een andere familie. De argumenten waren veelal macht en/ of geld en dus aanzien. 

Maar bij Marten en Oopjen zou dit veel minder het geval zijn geweest, volgens kenners. Hun beider afkomst zou zoveel verschillen kennen, dat er nauwelijks sprake kon zijn geweest van een win-win situatie.

Oopjen draagt een ring om haar rechter wijsvinger. Men geloofde in de 17e eeuw dat van hieruit een direct lijntje naar het hart liep. Dus dat kon je maar beter verzegelen met een ring. 

Een dure.

Natuurlijk.

Ook hebben beide een handschoen in de hand. Ook dat is een verwijzing naar het huwelijk. Wij kennen nog het "met de handschoen trouwen". Nou, dat deden ze dus allemaal in die tijd. Alleen de drager was er altijd bij aanwezig.

Marten en Oopjen. Ze zijn allebei de laatste maanden flink onderhanden genomen. Ze zijn geschrobt en achter de oren goed gewassen. Ze ruiken weer goed en kijken de toeschouwer dan ook weer fris en fruitig aan.

Zodat wij allen ons kunnen verheugen in hun eeuwigdurende huwelijk.

Alleen Marten heeft hier niet zo lang van genoten. Zes jaar na de huwelijksdag, is hij al, op 28 jarige leeftijd, overleden...




vrijdag 9 maart 2018

eeuwwisseling




De deur stond op een kier. Ik klopte en riep:

"mevrouw de Wolf!"

Ergens klonk een stem die me vroeg verder te komen.

Mevrouw de Wolf zat aan een kleine eettafel. Haar middageten, worteltjes en aardappelen, had ze, vrijwel onaangeroerd, duidelijk van zich af geschoven.

Ze keek me vorsend aan.

Ik stelde me voor en ze schudde haar hoofd.

"Ik zou u nooit hebben herkend. Ik kom te weinig mijn appartement uit."

Ze was gaan staan. Voor haar leeftijd bleek ze verrassend lang te zijn. Ze gaf me een hand. Deze voelde koud aan.

Mevrouw de Wolf is vandaag 100 jaar oud geworden.

Ze wenst er geen feest van te maken. Sterker, ze wilde niet dat er op enige wijze aandacht aan zou worden besteed. Geen feest met de andere bewoners. Geen speciaal verjaardagsmenu. Geen burgemeester. Niets.

Dus dat de directeur opeens in haar kamer stond met een grote bos bloemen...ze aarzelde.

Ik maakte haar snel duidelijk dat ik me niet wilde opdringen. Ik weet dat ze jarig is en dat ze 100 is geworden. Ik weet ook dat ze er liever geen aandacht aan wilde besteden. Maar of ze het goed vond dat ik haar dan toch een bos bloemen overhandigde?

Haar gezicht ontspande en ze begon breed te lachen.

Maar natuurlijk!

We gingen samen even aan haar tafel zitten. Ik vroeg haar of ze ooit had bedacht dat ze misschien wel 100 jaar zou worden?

Dat had ze niet. Bovendien, ze wenste het niemand toe. Ze vond er niks aan...

Ze was de jongste van een gezin met 11 kinderen. Geen van haar broers of zussen leefde nog. Veel van de neven en nichten waren ook al overleden....ze had zelf maar 1 dochter, zij had geen kinderen en ze woonde helemaal in Groningen. Gezien haar leeftijd, over de zeventig, kon ze maar weinig helemaal naar hier komen....

Ze was dus erg alleen.

Toch was ze niet klagerig. Ze vertelde het erg naar haar zin te hebben in haar appartement. De dame die haar haar eten had gebracht, had een zak vol lekkere chocolaatjes voor haar meegenomen en haar beide buurmannen, allebei ver in de tachtig, stonden altijd voor haar klaar.

Ik zweeg. Alles wat ik kon verzinnen, zou de plank misslaan. Natuurlijk, ze was alleen. Al haar dierbaren waren weggevallen en haar bejaarde dochter woonde veel te ver weg.

We zwegen beiden dus even.

Ze vertelde altijd de zwakste van het stel te zijn geweest. Haar longen waren niet goed en daardoor was ze verschillende keren opgenomen geweest in een sanatorium. En nu dan toch honderd...

Ze glimlachte wat voor zich uit.

Ik stond op en ging de bloemen in een vaas zetten. Ze wees me de kast waar de vazen stonden. Natuurlijk pakte ik eerst iets wat helemaal geen vaas was. Het bleek een weckpot.

Een weckpot is geen vaas.

Ze scharrelde achter me langs en wees boven een plank. Daar stond een vaas.

Ze wees me precies aan waar ze de bloemen wilde hebben.

Ik ging nog even bij haar zitten.

"Nou, als u nu naar de bloemen kijkt, dan weet u dat er toch mensen zijn die vandaag aan u denken..."

Ze keek me stralend aan en ik kreeg een kus.

donderdag 8 maart 2018

Rotzak




Ze komt hooguit tot borsthoogte als ze voor me staat. Haar lijf is gekromd en ze leunt zwaar op haar rollator. Ze kijkt me boos aan en spuwt haar gal.

“Profiteurs. Jullie zijn gewoon profiteurs. Geld verdienen aan het leed van anderen, dat vind je fijn he?”

De anderen in de huiskamer vallen stil.

Ze scharrelt naar een stoel en gaat zitten. Een medewerker biedt haar koffie aan dat door haar met een kort hoofdknikje wordt geaccepteerd. Het koekje wijst ze subiet af. 

Opnieuw kijkt ze mij aan.

“Een rotzak, dat ben je.”

Ik heb de vrouw nog nooit gezien en heb geen idee waarom ze zo boos is op me.

Driftig schopt ze tegen een krukje dat schuin voor haar staat.De man in de stoel naast haar geeft een brul en schopt het krukje weer terug. Hij zegt niets, maar zijn vrolijke blik is nu verzonken in een diepe, boze frons. Uit zijn ooghoeken bespiedt hij zijn buurvrouw. Die trekt zich van de hele wereld niets aan en blijft mij voortdurend scherp aankijken.

Ik ga op het krukje voor haar zitten.

“Een rotzak, dat ben je”, herhaalt ze, “en ik maar betalen en ik wil hier niet eens zijn. Het is hier ongezellig.”

Ik probeer nog even:

“Misschien helpt het als u zelf een beetje gezellig doet?”

“Het kan me helemaal niks schelen wat je denkt. Een rotzak, dat ben je.”

Dat gaat nu dus niet goed komen tussen haar en mij. Ik sta maar weer op: ik werk teveel als een rode lap. Ik ga aan de andere kant van de huiskamer zitten.

De man naast haar staat ook op en loopt de gang in. De medewerker pakt een stoel en gaat zo zitten dat er een soort kring ontstaat. Ze heeft een boek bij zich en begint hardop te lezen:

“Water en …..”

“Vuur”, roept één van de bewoners….

“Licht en….”

“Donker”

En zo gaat het even door. De stemming slaat weer om.

“Voor en ….”

“Boven….”, roept iemand. 

Hij aarzelt zelf al een beetje. 

De medewerker probeert het nog een keer:

“Voor en ….”

“Achter”, mompelt de boze mevrouw hoorbaar voor iedereen. 

Ze kijkt mij triomfantelijk aan. Ik probeer een glimlach, maar zie dat haar gezicht zich direct weer verkrampt.

Ik heb het helemaal gedaan vandaag.

zaterdag 3 maart 2018

"Terschellingers hebben geen hart"


Dit is een verbazingwekkende foto.

We zien een ouder echtpaar wat afwachtend in de camera kijken. Ze zijn werkelijk omringt door bloemen. In zoverre ik ze kan herkennen: tulpen, fresia's, hyacinten, margrieten. Het houdt gewoon niet op.

Het is 22 mei 1944, Amsterdam.

Het is midden in de oorlog. De hongerwinter zou later dat jaar ongenadig toeslaan. Als ik de verhalen mag geloven, zouden diezelfde tulpen, althans de bollen, in die periode onderdeel worden van het dagelijkse voedsel.

Maar nu nog worden ze gebruikt waarvoor ze zijn bedoeld: ze accentueren een feest. In dit geval: de man en vrouw op de foto zijn 50 jaar getrouwd. De geschiedenis verhaalt niet hoe men aan alle bloemen is gekomen. Ze zijn er. In overvloed.

De man is Philippus Ewouds en de vrouw is Hitje Groendijk. Mijn overgrootouders. Mijn oma lijkt overigens sterk op haar moeder, zo is hier te zien. Philippus lijkt verrassend veel op de oudste zoon van mijn oma: Jan.

Ze hebben hier een lange weg afgelegd.

Beiden zijn geboren op Terschelling. Om precies te zijn: Formerum. Phillipus staat, als hij wordt gekeurd voor militaire dienst, in de boeken als "visscherman". We zijn dan in het jaar 1893. Een jaar later zou hij trouwen met zijn Hitje.

Het was armoe troef op dat eiland. Phillipus was dus regelmatig en langdurig weg: we zien bijvoorbeeld inschrijvingen in Amsterdam, Broek in Waterland, Landsmeer. Een soort gastarbeider, zou je kunnen zeggen. Een gelukszoeker. Hij pakte alles aan wat nodig was om zijn gezin te kunnen onderhouden. Hij staat dan ook in de boeken als bootwerker, arbeider en ga zo maar door.

Hij moest wel want op Terschelling wachtten 12 kleine kinderen. Heel bijzonder, ze bleven ook alle twaalf in leven.

Wanneer het gezin naar vasteland is gekomen is niet helemaal duidelijk, maar in ieder geval wordt het grootste deel van het gezin in 1920 ingeschreven in Landsmeer. Ze hebben dan al even in Amsterdam gewoond, maar hoe lang dat is geweest, is niet terug te vinden. Ik vermoed dat de emigratie van het eiland naar de grote stad toch ergens in 1920 is gebeurt: de drie oudste kinderen trouwen namelijk allemaal in dat jaar en blijven op het eiland.

Bovendien worden er tot 1919 kinderen geboren die op Terschelling worden ingeschreven.

Mijn oma, ook Hitje, is in 1920 12 jaar oud. Ze zal haar hele leven trots zijn op haar Terschellinger afkomst en een hekel hebben aan haar naam. Ze laat zich liever Hettie noemen.

Mocht u ooit de verhalen van Sil de Strandjutter hebben gelezen: Sil is een verzinsel, als ook Lobke, maar veel van de gebeurtenissen in het boek, komen overeen met de jeugdverhalen van mijn oma. Zo vertelde zij dat ooit het hele dorp dronken over het eiland zwalkte, nadat er een schip met vaten drank was aangespoeld.

Mocht u sentimentele gevoelens hebben over het leven op het eiland. Vergeet het. Het was armoe troef en een dagelijks gevecht om te kunnen overleven. Niet voor niets riep mijn oma steeds in herinnering:

"Terschellingers hebben geen hart."

Ze waren gevormd door hun dagelijks gevecht om eten. Als u de liefelijke boerderijtjes op het eiland in gedachten heeft: de boerderij kent een piepklein huisje en een grote stal. Het hele gezin, 14 man, woonde en sliep in dat piepkleine huisje. De stal was voor de beesten en voor de opslag.

Ergens rond 1920 geven Philippus en Hitje het gevecht dus op. Ze vertrekken van het eiland naar de grote stad.

Er gebeurt nog iets dat de loop van onze familiegeschiedenis zal bepalen: in 1920 staat het gezin in de boeken als Nederlands Hervormd. Bij een volkstelling in 1928 is dit verandert in HAZEA: Hersteld Apostolische Zendingsgemeente in de Eenheid der Apostelen.

Ze zijn Apostolisch geworden...


vrijdag 2 maart 2018

Oranje boven .....

Daf 55 *)
Hier staat hij dan, keurig achter een afscheiding.

Een museumstuk...

Zelfs de kleur klopt, wat mij betreft: fel oranje. Dat kwam onder invloed van mijn moeder. Ze was ervan overtuigd dat een auto met een opvallende kleur minder kans op een ongeluk maakte. Dus waren de auto's van mijn ouders meestal oranje.

Fel oranje.

We reden in een Daf doordat mijn vader een stijfgezet been heeft. Hij kon daarom onmogelijk in een schakelauto rijden. En begin jaren zestig had je dan niet zoveel keus: dat werd onherroepelijk een Daf.

Het was in de tijd dat een nieuwe auto nog moest worden ingereden. Zorgvuldig werd de snelheid van de motor stapsgewijs opgevoerd. Mijn vader deed dit door met ons, zijn gezin, een dag lang met de nieuwe auto een lange rit te maken. Nog altijd kan ik de geur van zo'n nieuwe auto in mijn herinnering oproepen. Een fris aroma van lak, lijm en rubber.

En ja, die eerste tocht reed mijn vader. Hierna maakte dat niet meer uit: zowel mijn vader als mijn moeder maakten afwisselend gebruik van de auto.

De auto werd, zolang wij nog in Castricum woonden, gekocht bij een dealer in Schagen.

Waarom Schagen? Geen idee. Mijn vader kennende: hij heeft daar waarschijnlijk ooit zijn eerste Daf gekocht en hij vertrouwde de man. Dus werd verschillende keren in dat desolate dorp in die kale polders van Noord Holland onze nieuwe auto gehaald.

Ik heb nog een foto van, ik denk, onze eerste Daf. Het zal een Daf 33 of misschien zelfs nog een Daf 600 zijn geweest. Hoe dan ook, toen ik zo'n wagentje recent een keer op straat tegenkwam, realiseerde ik me hoe klein het eigenlijk was. Dat maakte voor ons helemaal niets uit: mijn vader monteerde een soort houten kist op het dak en de auto werd helemaal volgepropt (volgens mij zaten mijn broer, zus en ik bovenop de slaapzakken en kussens, op de achterbank)....en zo trokken we de Alpen over, naar Venetië.


Dat was spannend, de bergen over. De Daf had een bergknop. Ik heb geen flauw idee waarvoor deze diende, maar het indrukken van die knop was een plechtig moment en voor ons het ultieme bewijs dat we echt op vakantie waren.

De Daf betekende voor ons vooral vrijheid. Met mijn ouders trokken we door heel Europa: Italië, Frankrijk, Zwitserland, Engeland, Ierland, je kon het zo gek niet bedenken. O ja, op zondag reden we met de auto naar Beverwijk, naar de kerk. Twee keer iedere zondag. Tot de oliecrisis uitbrak, toen was het gedaan met zondagmiddag naar de kerk.

Voor dagjes uit werd de auto ook gebruikt: Madurodam, de Efteling, Linnaeushof, Avifauna. We reden ermee naar onze opa en oma in Amsterdam.

Maar niet het woon-werkverkeer: mijn vader ging met de trein naar zijn werk.

En altijd ruzie. Wie moest er in het midden zitten....

Meestal was ons zusje de pineut: zij was de jongste. Totdat ze wist hoe ze zich tegen twee oudere broers moest verweren: gewoon, keihard er tegen in. Dat lukte haar heel aardig.

Later, veel later, werd de Daf vervangen door een Volvo. Een Zweedse.

Maar ook die was oranje....

Knaloranje.




*) Door FaceMePLS from The Hague, The Netherlands - DAF 55 Sedan de Luxe (1969)

zaterdag 24 februari 2018

Over die goede, oude tijd

Dirk Pieter Zwart en zijn gezin, ongeveer 1916
In de periode tussen 1925 en 1935 verhuist Dirk Pieter met zijn gezin in ieder geval 10 keer. Dat is dus zo'n één keer per jaar. Steeds binnen Amsterdam. In zoverre ik de adressen op de archiefkaart kan lezen: Kuiperstraat, Oogstraat, Vechtstraat, Marcusstraat, Zeeburgerdijk, Balistraat....Het gezin verhuist naar adressen dwars door de hele stad.

Dirk Pieter werkt voor de spoorwegen. Hij weet in de loop der jaren op te klimmen tot hoofdrangeerder. Hij heeft dus werk en daarmee behoort hij tot de gelukkigen in de jaren dertig van de vorige eeuw. Het waren immers de crisisjaren en honderduizenden landgenoten om hem heen waren afhankelijk van de steun.

Dat geldt ook voor zijn kinderen. Zij doorliepen alleen de lagere school. De meeste zonen, hij heeft er vijf, grijpen ieder baantje aan om aan geld te komen. Niet zelden echter lopen ze in de steun en lijden bittere armoede. Eén van hen, Dirk Pieter jr.,  ontspoort en brengt een groot deel van zijn leven in de gevangenis of politiecel door: steeds gaat het om diefstal en als je de politierapporten mag geloven deed hij dit niet al te slim. Voortdurend liep dit zwarte schaap regelrecht opnieuw in de armen van de wet. Hij overleed al jong, op 32-jarige leeftijd. In de gevangenis.

Over twee andere zonen komen we meer te weten door een aantekening op hun keuringsformulier voor militaire dienst. Bij Joseph staat in 1932 vermeld dat Dirk Pieter en zijn vrouw Jeltje uit de ouderlijke macht zijn gezet. Joseph heeft geen huisadres en staat ingeschreven bij de vereniging voor onbehuisden. Joseph is dan 19 jaar oud. Een jongere broer, Wieger, verblijft in 1933 in het Rijksopvoedingsgesticht voor jongens in Doetinchem. Hij doet daar wel een opleiding: hij wordt monteur voor automobielen.

Over Lambertus, de oudste zoon, weten we meer. Hij was mijn opa. Hij vertelde dat hij op 14-jarige leeftijd op straat rondzwierf. Dat bleek het resultaat van de opvattingen van zijn vader over opvoeding: vanaf 14 jaar werd je geacht op eigen benen te staan en zelf voor je inkomen te kunnen zorgen. Mijn opa doorliep dus de harde school van het straatleven en leerde het vak van 12 ambachten en 13 ongelukken. Afgaande op de summiere aantekeningen bij Joseph en Wieger, was dit regel in dit gezin.

Daarmee is het raadsel nog niet opgelost van de vele verhuizingen. Van Dirk Pieter is bekend dat hij altijd erg gierig was: vloerbedekking werd pas vervangen als hij hier minstens drie keer eerst nog met een verfkwast overheen was gegaan. Restjes drank werden in een grote fles verzameld en dat resulteerde in een dodelijke drank dat hij zijn gasten op nieuwjaarsdag aanbood. Gelukkig had hij niet veel vrienden en zijn kinderen ontweken hem, zeker op die dag.

Het is dus mogelijk dat hij bleef zoeken naar een onderkomen met steeds een lagere huur. We kunnen het hem niet meer vragen: Dirk Pieter overleed in 1965 op 85-jarige leeftijd.