woensdag 1 augustus 2018
Nummer 250...
Ik moest weer voor een onbenullig medicijn naar de apotheek.
Neusdruppels.
Maar dan niet die verslavende die je bij een drogist koopt. Echte. Tenminste, die ene die niet verslavend is.
Heel bijzonder: voor deze laatste heb je een handtekening van een dokter nodig. Voor die verslavende soort dan weer niet: die kun je zo halen.
U snapt hem?
Maar daar gaat het mij niet om.
Een apotheek is een fascinerende omgeving.
Zover mijn geheugen gaat, zie ik altijd een grote balie waarachter ofwel allerlei laatjes en deurtjes of een ingewikkelde machine die medicijnen raapt; een open doorgang naar een ruimte met een grote tafel. En overal zijn vrouwen aan het werk. Altijd vrouwen.
Hele serieuze vrouwen. Geconcentreerd zijn ze met doosjes in de weer. Soms wegen ze iets en soms begint er één zomaar te lopen en die gaat dan op een andere plek opnieuw heel geconcentreerd onbegrijpelijke handelingen verrichten.
De moderne gifmengsters.
Er kan geen lachje van af.
Zo ook bij mijn eigen apotheek. In absolute stilte waren minstens 7 dames aan het werk. Eén hielp een klant aan de balie. Voor mij stond een grote man.
Hij zag mij kijken naar een apparaat die bij de ingang stond. Hier kon je op een knop drukken voor je volgnummer. Om de één of andere reden waren er drie knoppen:
1) vandaag bestelde recepten,
2) recepten die langer dan twee maanden geleden besteld zijn,
3) overige
Echt. Het stond er precies zo.
Nu zal u mogelijk zonder erbij te hoeven nadenken spontaan op een knop drukken. Ik niet. Ik staar er uitvoerig naar en probeer te doorgronden welke knop voor mij bedoeld is.
De man voor me meldde mij dat hij nergens op ging drukken: hij was immers de volgende klant.
Ik gaf hem gelijk en duwde de knoppenvraag uit mijn hoofd.
De man was aan de beurt en hij liep recht op de dame af. Hij zei lachend dat hij geen volgnummer had getrokken want dat zou waarschijnlijk toch niet nodig zijn. Hij bleek een vergissing te hebben begaan:
1) de dame kon er echt niet om lachen,
2) "Jawel hoor, u heeft een nummertje nodig. Dat is voor onze administratie."
De man mocht echter blijven staan.
Ik keek bedremmeld naar de knoppen. Ik had een nieuw recept en dat wilde ik ophalen. Ik vermoed dat het overgrote deel van de mensen hiervoor naar een apotheek komt. En juist die mogelijkheid stond er niet bij. Ik drukte dus maar op "overige".
Ik kreeg nummer 250.
Ik was nog de enige wachtende.
De man was snel klaar en de dame achter de balie drukte op een knopje. Er klonk een vrolijk klingeltje.
"Nummer 250!", riep ze monter. Hierbij keek ze onderzoekend rond.
Ik keek nog eens om me heen. Ik was echt de enige in de ruimte.
"Dat zal ik dan wel zijn", antwoordde ik minstens zo monter.
Maar ze kon ook hier niet om lachen.
Ook de andere dames, 6!, bleven onverstoorbaar schuiven met doosjes.
De dame nam mijn recept in ontvangst. De dokter had aangegeven dat ik drie flesjes mee kon krijgen. Zonder omhaal streepte ze de drie door en maakte hier een één van.
"Daar beginnen we niet aan. U moet eerst maar eens proberen of het medicijn u bevalt. U krijgt een herhaalrecept. Mocht het niet bevallen, dan moet u terug naar uw dokter. Zo voorkomen we dat er medicijnen onnodig worden verstrekt en weggegooid."
En dat op een toon die mij onmiddellijk deed begrijpen dat tegenspraak op geen enkele wijze zou worden getolereerd.
"De dokter heeft uitgelegd hoe het medicijn werkt en wat de bijwerkingen zijn?"
Dat had hij, ook omdat ik ernaar had gevraagd en dat meldde ik de dame. Mijn antwoord bleek er echter in het geheel niet toe te doen. Ze begon braaf een tekst voor te lezen die blijkbaar op het computerscherm voor haar werd geprojecteerd.
Of ik verder nog vragen had.
Die had ik niet.
Ik wilde het flesje al pakken, maar daar had ik buiten de waard gerekend. Ze griste het flesje weer van de toonbank en liep naar een zwijgende collega, samen met het recept.
Of ze het even wilde controleren.
Dat wilde ze, maar ze moest eerst even het dozenschuiven afmaken.
Omstandig bekeek ze het recept en het flesje.
"'s Avonds innemen", mompelde ze. De vrouw die mij hielp begon zowaar wat te lachen. Een verlegen lach.
"Dat had meneer toch wel begrepen?"
Ik begreep dat ze op een fout was betrapt.
Ik knikte en trok mijn portemonnee.
Opnieuw fout.
"Daar zorgt de zorgverzekeraar voor."
vrijdag 27 juli 2018
Kijkdoos
Als ik vroeg in de avond de galerij van de bovenste verdieping van het flatgebouw oploop, begint het te regenen. Ook klinken er harde klappen van een naderend onweer. Desondanks is het plakkerig warm.
De deur wordt open gedaan door een magere, oude man. Hij kijkt mij vriendelijk aan en zegt iets dat voor mij onverstaanbaar is. De man heeft zich alweer omgedraaid en is het huis ingelopen. Ik loop maar achter hem aan en sluit de deur.
Het kleine appartement is broeierig heet. Aan het plafond draaien twee ventilatoren maar die verplaatsen alleen maar warme lucht. Het zal nog wel even duren voordat de verlammende warmte uit de huizen verdreven is.
De man is neergeploft in een leunstoel. Hij heeft alleen een lange broek aan. Zijn bovenlijf is bloot. Hij roept iets en uit een ruimte ergens in de flat klinkt een vrouwenstem. De man kijkt me weer breed lachend aan en hij wijst naar buiten en zegt iets dat ik opnieuw niet kan verstaan. Ik begrijp dat het over de regen gaat. Voordat ik iets kan zeggen, komt een vrouw de kamer in. Ze stelt zich voor en ik hoor een Engels accent. De man zwijgt en staart naar een televisiescherm waarop een hoofd spreekt. Het geluid staat uit, maar dat stoort de man niet.
Ik word aan de eettafel gezet. Voordat ik kan gaan zitten, moet de vrouw een stapel ordners weghalen. Nu valt me op dat overal stapels ordners liggen.
Het verhaal is kort maar treurig. De vrouw is drie jaar geleden onder bewindvoering geplaatst. In die periode was haar man ernstig ziek en ze kwam niet aan haar administratie toe. Om problemen te voorkomen stelde haar dochter voor dat haar zoon, de vrouw haar kleinzoon, de administratie zou overnemen. Het bleek echter dat deze jongen, aldus de vrouw, geld verdonkeremaande. Ze kreeg nooit inzage in haar financiën. Hoe dan ook, enkele weken terug heeft een rechter bepaald dat de kleinzoon geen bewindvoerder meer is en dat de vrouw weer zelfstandig haar financiën kan beheren.
Nu wil ze orde op zaken hebben.
Het roept wel een paar vragen bij mij op.
"Wie heeft drie jaar geleden om bewindvoering gevraagd bij de rechter?"
Dat wist de vrouw niet.
"Is u dan niets gevraagd?"
Nee, beweert ze.
"Dus als ik morgen naar de rechter ga en vraag het financieel beheer over te mogen nemen van, bijvoorbeeld, mijn moeder, dan kan dat dus gebeuren zonder dat mijn moeder iets wordt gevraagd?"
De vrouw keek me met grote ogen aan.
"Misschien dat mijn dochter...?"
Dit raadsel gaan we niet oplossen vanavond.
"Uw kleinzoon is dus bewindvoerder geweest. Dan moet hij toch jaarlijks aan de rechter verantwoording afleggen? Dan moet het toch zichtbaar zijn geweest dat hij sjoemelde?"
De vrouw begin verontwaardigt te ageren.
"Hij heeft geld gestolen! Dat kan niet anders! "
Ik begin te vermoeden dat het verhaal wat complexer in elkaar steekt en besluit de kwestie van de bewindvoering los te laten. Ik vraag haar wat ze van mij verwacht. Dat is niet ingewikkeld: omdat ze al enkele jaren niet zelf haar financiën heeft beheerd, wil ze hier wat ondersteuning in. Ze wil graag even op weg worden geholpen.
Dat is natuurlijk geen probleem.
De man in zijn leunstoel begint iets naar mij te roepen. De vrouw onderbreekt hem en zegt dat hij zijn mond moet houden. De man kijkt weer berustend naar de televisie.
Ik vraag of er misschien schulden zijn. De vrouw meldt dat de kleinzoon aan de rechter heeft verklaard dat die er niet zijn.
Ik vraag of er wel eens aanmaningen zijn binnen gekomen of dat de woningbouwcoöperatie contact heeft gezocht over de huur.
Nooit.
Blijkbaar heeft de kleinzoon dit dus netjes afgehandeld.
De man heeft een sigaret opgestoken. Ook de vrouw begint een shaggie te draaien.
De vrouw vertelt dat ze nog geen inzage heeft in haar bankrekeningen. Ze kan dus nog niet zoveel zeggen over de precieze financiële situatie. Ik leg uit dat we hier maar eerst mee beginnen: het in kaart brengen van de inkomsten en de uitgaven. Dat vindt ze een goed idee.
We spreken af elkaar over enkele dagen weer te ontmoeten. Als ik opsta kijkt de man mij weer stralend aan:
"We hebben je niet eens koffie aangeboden..."
Buiten is de regen opgehouden. Verdampend water hangt boven de straat. Het ruikt fris maar ik voel ook dat de warmte alweer op de loer ligt.
Het wordt opnieuw een broeierige nacht.
zondag 15 juli 2018
Een sjaal voor God
De Oude Ramaerkliniek lag aan de rand van wat toen nog psychiatrisch ziekenhuis Rosenburg heette. Het was een oud, 19e eeuws gebouw en het voldeed aan alle cliché's die er heersen rond vroegere paviljoens van psychiatrische ziekenhuizen.
De gangen waren hoog en betegeld; overal klonk geluid: geschreeuw, gerammel van een servieskar, een krakende deur die met een klap uiteindelijk dichtsloeg; de bewoners in de hal rookten goedkope, stinkende shag en het rook er altijd naar iets wat het midden hield tussen kool, urine en schoonmaakmiddel.
Hier zette ik, bijna veertig jaar geleden, mijn eerste stappen in de psychiatrische hulpverlening.
Ik was 20 of 21 jaar en veel meer dan wat ik had opgestoken in enkele lessen over psychiatrische ziektebeelden en een enkele film van het werktheater, wist ik niet.
Ik was een blaag.
Ik kwam te werken op een afdeling op de begane grond. De voordeur zat op slot. Eenmaal binnen, vond je direct rechts een oude separeerkamer.
Een separeerkamer was een ruimte ofwel zonder ramen ofwel geblindeerde ramen en een deur die je niet vanuit de kamer kon openen. Op de vloer lag zeil. Meestal was er geen bed, maar wel een dik, rubberen matras. Er was geen toilet, hiervoor diende de kartonnen po die naast het bed stond. Ook stonden er altijd enkele plastic bekertjes met water. Als iemand heel onrustig was, dan kon het zomaar gebeuren dat hij of zij in een dergelijke kamer enkele uren werd opgesloten. Of dagen. Of weken. Of zelfs maanden.
Maar op deze afdeling werd de kamer niet meer gebruikt.
Naar links kwam je in een lage woonkamer. Roken was in die tijd nog heel gewoon, dus het zag hier altijd blauw. Iedereen rookte: bewoners, verpleegkundigen, artsen.
Je kon voor de ingang van de woonkamer ook een gang inlopen die haaks op de eerste gang stond. Je kwam dan door een lange, ruime gang. Links was er een soort serre aangebouwd waar de eettafels van de afdeling stonden. Rechts passeerde je enkele slaapkamers. Helemaal aan het einde liep de gang dood en daar vond je nog enkele kamers, waaronder een éénpersoonskamer.
Hier sliep de koningin van de afdeling. Een gedrongen, oudere vrouw met lang, blond haar. Ze liep altijd in een vuurrode jurk en ze had een rode strik in het haar. Ze zei nooit iets, maar kon verschrikkelijk boos worden als ze haar zin niet kreeg.
Ze was niet zo vaak boos.
Ik kan me niet alle bewoners meer herinneren. Ze hadden een gezamenlijk kenmerk: ze woonden allemaal minstens al 10 jaar op deze afdeling. De meesten kwamen al die tijd al niet meer buiten de inrichting en de meesten zelfs al niet meer buiten dit gebouw.
Waren ze dan zo gevaarlijk?
Ik geloof er niks van. In al de maanden dat ik er werkte, heb ik nooit een gewelduitbarsting meegemaakt. Ze waren volledig in zichzelf gekeerd en er was ook niemand die nog naar hen omkeek.
Neem de jonkheer. Ik ben zijn naam vergeten, maar hij was van hoge, adellijke afkomst. Laten we hem Willem noemen. Willem was lang, erg lang. Hij zat in een rolstoel die veel te klein voor hem was. Hij wilde niet anders.
Willem was volledig vergroeid met de oude kliniek. Elke geluidje kende hij. Alles had een plek in zijn waansysteem. De liften, de servieskar, de echo van voetstappen op de trap, het geschreeuw....het waren allemaal fenomenen met een diepere betekenis dan alleen een lift die in beweging kwam of het gerammel van de kopjes. Het waren geheime boodschappen die alleen hij, Willem, nog begreep. Hij zat dan ook de hele dag aandachtig te luisteren en soms begon hij breed te glimlachen. Hij kon opeens een vinger de lucht insteken en dringend om stilte vragen.
Nooit legde hij iets uit. Het was voor hem onbegrijpelijk dat hij de enige was die begreep wat er gaande was. Hij vertrouwde dat ook niet helemaal.
We zaten allemaal in het complot.
Of mijnheer de Vries. Zo iemand die ieders buurman had kunnen zijn. Ergens begin zeventig, kalend, buikje en een vriendelijk gezicht. Hij bracht de dag lezend door en was intens tevreden met dit leventje. Toen ik me eens afvroeg waarom hij eigenlijk was opgenomen en niet gewoon in een huis buiten het ziekenhuis woonde, werd mij duidelijk gemaakt dat zoiets nooit zou gebeuren: de heer de Vries had ooit gedreigd zichzelf van het leven te beroven als iemand de suggestie zou durven doen dat hij kon vertrekken. Niemand durfde de confrontatie aan.
Trouwens, niemand had last van hem.
Bijzonder detail is wel dat ook de psychiater van de afdeling dreigde zich te suïcideren als hij met pensioen zou worden gezonden. Ook hij was al ver in de zeventig.
Mijnheer Zonneveld. Een nerveuze man die al veertig jaar in het ziekenhuis verbleef. Hij kon zich niet goed herinneren hoe dit ooit zo was gekomen, maar dat zijn echtscheiding een doorslaggevende rol had gespeeld dat was hem wel bijgebleven.
Met hem mocht ik een keer de stad in. Zomaar. Met de tram en dan maar zien hoe het gaat. Hij nam me rechtstreeks mee naar de straat waar hij ooit had gewoond met zijn vrouw. Voordat ik wist wat me overkwam, belde hij ergens aan en stond zenuwachtig wiebelend af te wachten. Een bejaarde vrouw deed open en keek de heer Zonneveld verbaasd aan. Tot mijn schrik begon de man de verblufte vrouw onmiddellijk uitgebreid ten huwelijk te vragen. De vrouw sloeg de deur dicht en mijnheer Zonneveld keek me verslagen aan.
We zijn maar weer teruggekeerd naar het ziekenhuis.
In de huiskamer van de afdeling zaten drie dames meestal gezamenlijk op een lange bank op elkaar te vitten. Het onderwerp maakte niet uit, ze waren het nooit met elkaar eens. Uiteraard vond de hele discussie plaats in de rook van hun goedkope sigaretten. Opvallend detail: alle drie de dames waren telefoniste bij de PTT geweest. Van die dames die gesprekken aannamen en vervolgens via het verplaatsen van stekkertjes de juiste verbinding zochten.
Nou...die verbinding waren ze vrij definitief kwijtgeraakt.
Ergens in een hoekje zat Cobie. Cobie was stilletjes aanwezig en trok zich weinig aan van de gebeurtenissen op de afdeling.
Cobie zat te breien.
Dat begon 's ochtends na het ontbijt en stopte pas als Cobie 's avonds weer naar bed ging. Cobie was bezig met het breien van een sjaal.
Een sjaal voor God.
Omdat niemand haar kon vertellen wat de halsmaat van onze lieve Heer is, had ze geen andere keus dan maar door te breien.
Ze had al kilometers sjaal gebreid.
De nachtdienst hechte stiekem om de zoveel tijd een stuk van de sjaal af om te voorkomen dat Cobie het hele gebouw zou vullen met haar sjaal voor God. Ze vertelden Cobie dat ze de sjaal hadden opgeslagen in een kamertje ergens op zolder.
Dat geloofde Cobie.
Haar plan was om, wanneer ze een keer was overleden, de hele sjaal mee te nemen naar het Hiernamaals.
En nu maar duimen dat hij past....
woensdag 11 juli 2018
Het Leven is Vurrukkuluk!
Een collega hoorde dat ik dit jaar naar Engeland op vakantie
ging. Ze is liefhebber van bier en wel van een bepaald soort: gemberbier.
Ze vroeg mij dus om voor haar een flesje Engels gemberbier mee naar Nederland
te brengen.
Ik ben een aardige man, dus dat doe ik natuurlijk.
Ik ben ook een warrige man. In mijn hoofd gebeurt dan iets
waardoor, in deze situatie, “gemberbier” transformeert naar “amberbier”. Dit
gebeurt geheel buiten mijn bewuste waarneming om, dus ik stap te goede trouw de
bierhandel in en vraag naar “amberbier” in de volle overtuiging dat dit de
vraag is die mij is gesteld.
Ik ontving geen verbaasde of
afwijzende blikken. De verkoopster trok een pruillip en verklaarde dat
ze door de voorraad amberbier heen was. Ook een volgende bierhandel kon mij
niet helpen. Amberbier is blijkbaar van een zeldzame soort. Pas op de boot weer
terug naar het continent, ontdekte ik een flesje amberbier in de schappen.
Mission completed.
Mogelijk ontgaat het u volkomen, maar er gebeurt hier iets
wat op zijn zachtst gezegd tamelijk verbijsterend is….
In mijn verwardheid maak ik van een “gemberbier”,
“amberbier” en….dat laatste blijkt nog te bestaan ook!
Ik heb overigens geen idee hoe amberbier smaakt. De
betreffende collega moet, nadat ze is uitgelachen, het flesje nog soldaat
maken.
Vorige week zaterdag ging ik naar de supermarkt om een
stokbrood voor bij de soep te kopen. Voor de meer ervaren inkopers is dit
natuurlijk al direct een aanwijzing dat ik een volstrekte onbenul ben als het
gaat om de boodschappen. Op zaterdag is de supermarkt tot iedere m2 gevuld met
winkelwagentjes, dreinende kinderen, gefrustreerde vaders
en moeders en bij ieder produkt lang aarzelende ouderen. Ieder gangpad wordt minstens drie keer geblokkeerd door dames die
met elkaar uitgebreid de laatste nieuwtjes uitwisselen of supermarktkinderen
die de zaterdag doorbrengen met het vullen van de vakken en daarmee hun eigen
zakken. Zij hebben over het algemeen niet zoveel met rondlopende klanten.
Hoe dan ook, toen ik eindelijk het stokbrood gevonden had en
me een weg had geworsteld naar de kassa’s, trof ik natuurlijk eindeloze
rijen volgeladen boodschappenwagens en de bijbehorende chagrijnige stellen aan.
Maar toen….
Opeens zag ik in mijn ooghoek een kassière die verveeld voor
zich uit zat te kijken.
Er stond niemand bij haar kassa.
Ik kon zo doorlopen.
Nog wat ongelovig keek ik om me heen, maar het was echt
waar: iedere kassa was verzadigd met een lange rij, op deze kassa na. Blijkbaar
zijn we zo geconditioneerd op zaterdagen, dat we alle hoop hebben laten varen
en automatisch aansluiten in een rij. De gedachte dat er helemaal geen rij is,
is blijkbaar zo absurd, dat ze, als het dan toch gebeurt, aan onze waarneming
wordt onttrokken.
Het zijn zo van die gebeurtenissen die mij doen verzuchten, om die mooie, oude dichter maar eens aan te halen:
“Het Leven is
vurrukkuluk!”
vrijdag 6 juli 2018
Het kan verkeren...
Ik heb wel begrepen dat veel stamboomonderzoek voortkomt uit de behoefte aan te kunnen tonen dat de onderzoeker inderdaad een vergeten koningskind is. Diep wordt gespit in de hoop enige relatie met een van Oranje, Bourbon, Windsors of Habsburg te ontdekken. Mocht een Europese vorstelijke familie onvindbaar zijn, dan is natuurlijk een Aziatisch of Afrikaanse link nog een heel redelijk alternatief.
Ik kan hier kort over zijn: in mijn familiestamboom kom ik nergens een druppel koninklijk bloed tegen. Ik heb alle stamboomlijnen en zijtakken tot in de vierde generatie doorgelopen, maar steeds opnieuw kwam ik terecht op de modderpaadjes van de menselijke geschiedenis. Niks mis mee; over het algemeen zonder enige twijfel harde werkers, maar veel verder dan tapper, schoenlapper, visscherman, bouman of ketelbikker zijn we niet gekomen.
Er is echter nog enige hoop...
De Dijkshoorns...
... de familielijn van mijn oma.
Weliswaar geen koninklijk bloed of een spectaculair adelijk geslacht, maar hier komt opeens een wapenschild naar voren. En kom ik beroepen als rentmeester, schepen, leenman of Heilige Geestmeester tegen.
We doen het er mee.
De Dijkshoorns zijn afkomstig uit het gebied tussen Delft en Rijswijk: 't Woudt, 's Gravenzande, Pijnacker, Delfgauw zijn de gehuchten waar ze gedurende enige honderden jaren (de stamboom gaat terug tot plm. 1500) domicilie hielden. Ergens rond 1820 besluit Ary Dijkshoorn dat het lang genoeg heeft geduurd en vertrekt als commies der directe belastingen naar Oudeschilt op Texel. Ook in die tijd waren belastinginners niet geliefd want in 1823 heeft hij Texel alweer verlaten en overlijdt in Wieringen. Overigens, in die ook nog een eiland.
Vanaf dat moment verblijven de Dijkshoorns als boeren in de kop van Noord Holland. We bevinden ons dan in de roerige 19e eeuw. Een periode waarin koningshuizen vielen, landen verdwenen of juist weer opkwamen, hele volksstammen naar de steden trokken omdat daar werk te vinden was....kortom een tijd waarin alles veranderde in de draaikolken van de geschiedenis.
Ook voor de Dijkshoorns.
Zij duiken rond 1880 op in Amsterdam. Geen mens heeft dan nog enige herinnering aan het wapenschild dat ooit bij de naam Dijkshoorn hoorde. De familie behoort tot de hardwerkende arbeiders en woont in de armzalige woningen van de Amsterdamse volkswijken. Mijn overgrootvader, Dirk Nicolaas, is ketelbikker en mijn oma zou, als jong meisje, jarenlang de huizen van de welgestelden schoonpoetsen.
"Het kan verkeren", zoals Bredero ons in de 17e eeuw al leerde.
vrijdag 8 juni 2018
Huwelijksfeest in bloemetjesjurk.
Al eerder schreef ik over het huwelijksfeest van Philippus Ewouds en Hitje Groenland, mijn overgrootouders. De opa en oma van mijn moeder. Het was 22 mei 1944 en ze waren vijftig jaar getrouwd. In mijn vorige blog liet ik een foto zien waarop het gouden echtpaar omringd werd door bloemen. Heel veel bloemen. Een wonderlijk plaatje: het was midden in de oorlog en waar ze al die bloemen vandaan hadden getoverd? het was mij een raadsel. Wrang genoeg realiseerde ik me ook dat enkele maanden later verschillende bollen van deze bloemen noodgedwongen werden gegeten. Mijn moeder woonde met haar familie aan de verkeerde kant van het IJ, dus zij hebben het geweten: honger maakt rauwe bonen zoet of zelfs tulpenbollen.
Het is een klassiek plaatje. De hele familie is opgesteld rondom het bruidspaar: Philippus en Hitje. Ik herken er slechts enkelen. Zo staan mijn opa en oma, Lute en Hitje, rechts boven het bruidspaar. Ze hebben allebei een kleintje in de armen. De kleinste is Ed in de armen van mijn oma; de ander is Ruud. Ook mijn moeder haal ik er direct uit: het meisje met die grote strik in het haar, linksvoor: Louise of, zoals het al snel in het Amsterdamse klonk, Loes. Ze is daar 7 jaar oud. Ook Jan, de oudste zoon, moet ergens zijn, maar hem kan ik niet ontdekken.
Ik vermoed dat het feest is gehouden in een danszaal. Dat leid ik tenminste af uit de tekening van het dansende stel op de muur en de muziekbalken hieromheen. Aan de zijkanten zijn nog wat tafels en stoelen weggeschoven om plaats te maken voor de grote groep. Vanaf de derde rij gaat het omhoog, dus daar moet men wel op stoelen staan en de laatste rij heeft dan waarschijnlijk een tafel beklommen.
De mensen lachen. Op mij komt het niet zo geforceerd over, dus ik vermoed dat de sfeer wel goed was. Zelfs de oude Philippus weet hier een grote grijns niet te onderdrukken. Heel anders dan op die eerdere foto tussen de bloemen. Tussen zijn familie voelt hij zich duidelijk meer op zijn gemak.
Wat me ook nog opvalt: de foto is strak geregisseerd. De gehuwde dames staan of zitten links van hun partner. Op de voorste rij zitten de meisjes aan de linkerkant en de jongens, duidelijk een meerderheid, rechts. Om de gehuwde stellen heen staat het losse zand: de oudere kinderen zonder partner. Jongens rechts, meisjes links, maar die orde lijkt op enkele punten doorbroken.
Aan beide uiteinden van het jonge grut zitten de ongedurigen van het stel: het meisje links staat op het punt om weg te kruipen en het jongetje rechts schudt nadrukkelijk zijn hoofd. Wellicht als reactie op de vraag van de fotograaf om allemaal even héél stil te blijven staan en zitten. Ik vermoed, het was oorlog weet je nog, dat hij geen flitsapparaat tot zijn beschikking had. Dan moet je werken met een lange sluitertijd. Nog heel knap dat de meesten er onbewogen bijstaan.
Ook de Ewoudsen ontkwamen niet aan modetrends, zelfs niet in 1944: vele dames, ook mijn oma, dragen een jurk met vergelijkbaar bloemetjesmotief.
Het was tenslotte toch feest....
donderdag 19 april 2018
Lamstraal
Ze stond me boven aan de trap, in de deuropening, al op te
wachten. Een magere vrouw met een te grote bril op haar neus. Ze gaf me een
hand en keek van me weg toen ze zich voorstelde. Ze liet me binnen. Ik stond in
een piepklein appartement.
Ze ging me voor naar de huiskamer.
Deze werd
gedomineerd door een enorme hoekbank en een groot formaat televisie aan de muur.
In de bank hing een jongetje. Hij gunde me geen blik waardig en keek verveeld
naar de beelden van een tekenfilm op de televisie.
Tegen een muur stond een
eettafel geschoven waaraan twee stoelen. Hier ging ik maar zitten. De vrouw was
verdwenen en ik probeerde contact te krijgen met het jongetje. Hij noemde zijn
naam. Helaas probeerde hij tegelijkertijd een snoepje in zijn mond weg te
werken, dus veel meer dan “knlmr”, kon ik er niet uit opmaken. Ondertussen was
de vrouw weer de kamer in gekomen. Ze kwam bij mij aan tafel zitten en keek me
verwachtingsvol aan.
“Mam….”, probeerde het jongetje, maar dat werd direct door
de vrouw afgekapt. Beledigd keek het ventje weer naar de televisie.
Ik introduceerde mezelf en vertelde het doel van dit eerste
gesprek: kennismaken, een globale oriëntatie van de schuldensituatie en,
vooral, een inschatting maken of er een crisissituatie dreigde.
De vrouw begon te vertellen over hun situatie. Die was niet
rooskleurig: hoge schulden, onder andere een achterstand in de huur; achterlopende
betalingen bij het elektriciteitsbedrijf en de zorgverzekering was al
overgenomen door het zorginstituut (wat, naast de maandelijkse premie, ook een
maandelijkse boete betekent). Hierbij was duidelijk dat de vrouw een beperkte
schuld had en haar vriend een torenhoge. De vrouw en haar vriend leefden van
haar uitkering en het zag er naar uit dat in afzienbare tijd deze uitkering nog
eens zou worden verlaagd.
Ze leefden op de rand van een vulkaan.
Inmiddels kwam haar vriend de kamer inlopen. Hij stelde zich
niet voor, maar ging op de bank naast zijn zoontje zitten. Ik vroeg hem of hij
erbij wilde komen zitten, maar daar had hij geen oren naar.
“Het is haar idee dat we hulp nodig hebben, volgens mij
redden we het wel.”
Ik probeerde hem duidelijk te maken dat de situatie toch wel
erg kritisch was. Hij wilde er niet van horen. Hij begon een heel verhaal over
een schuldhulpverleningstraject dat blijkbaar niet goed was verlopen. Ook gaf
hij mij te kennen dat ze vooral slachtoffer waren van “het systeem”.
Ik vroeg hem wat hij hiermee bedoelde.
Nou, de rechter had nog geen drie weken geleden een
schuldsaneringstraject voor hen afgewezen. Ik vroeg hem welke reden de rechter
hiervoor had opgegeven. Nou, de rechter vond dat ze onvoldoende zelf hun best
hadden gedaan om van de schulden af te komen….dat vond hij onzin, ze waren
juist heel coöperatief.
Ik wees hem erop dat de rechter hier blijkbaar anders over
dacht…
De man haalde zijn schouders op.
“We redden het wel…”
De vrouw had al die tijd haar mond gehouden. Ik keek haar
aan. Ze begon me te vertellen dat ze iedere maand toch iets van de schuld
probeerde af te lossen.
“Dat bedoel ik”, riep de man, “ze doet hartstikke haar best…”
Ik begon me te realiseren dat ik me op een zinkend schip
bevond. Ik sprak mijn respect uit voor de vrouw dat ze, ondanks hun gebrek aan
inkomsten, toch probeerde af te lossen. Ik wees haar erop dat dit op de iets
langere termijn, haar uitkering zou worden teruggebracht, toch steeds lastiger
zou worden. Bovendien, de torenhoge schuld van haar vriend, dat werd een
hopeloze strijd. Ik probeerde haar ervan te overtuigen dat ze toch echt weer
professionele hulp moesten inschakelen.
De vrouw keek steels naar haar vriend en verklaarde dat ze
het beiden erg lastig vonden om hun financiën uit handen te geven.
Haar vriend bemoeide zich niet meer met het gesprek. Hij had
zijn piketpaaltjes geslagen en de vrouw had ze begrepen. Haar belangstelling
verflauwde. Ik deed nog een manmoedige poging om haar wat huiswerk te geven en
een vervolgafspraak te maken.
Ze verklaarde dat ze beiden de avonden geen afspraken wilden
maken….ik kon alleen de avonden….ze zou me nog wel mailen of ze dan toch een
afspraak wilden maken….
Ik vermoed dat ik nooit meer iets van hen hoor.
Eigenlijk zou hier het advies dat ik nooit mag geven, het
allerbeste zijn: gooi die lamstraal je huis uit…
Maar ja, de kinderen…
Abonneren op:
Posts (Atom)






