Het is 8 november geweest. De verjaardag van mijn vader, 91
jaar oud. Ik stelde me voor hoe hij wakker zou zijn geworden in een nieuwe
kamer in een nieuw bed. Zijn ruime appartement had hij een dag eerder moeten
inruilen voor een kamer in een verpleeghuis. Weliswaar een grote kamer, maar
vanuit zijn bed kon hij nu de hele ruimte overzien. Hij zou zich hebben geconcentreerd
op de geluiden om hem heen: ze waren nieuw en door zijn doofheid kon hij ze
maar moeilijk plaatsen. Hij zou zich waarschijnlijk hebben afgevraagd wanneer
er iemand zou komen om hem uit bed te helpen. Ik weet zeker dat hij zijn
polshorloge uitgebreid had bestudeerd om te ontdekken hoe laat het zou zijn. Ik
vermoed dat hij er helemaal niet aan zou hebben gedacht dat hij ook nog jarig
was.
De opmerkzame lezer ziet dat de tekst grotendeels in de
voltooid verleden tijd is geschreven. De verhuizing naar het verpleeghuis werd
door zijn overlijden de week ervoor, geannuleerd.
“Maar ik ga helemaal niet dood”, beweerde mijn vader met
grote stelligheid, toen mijn broer en ik samen het gesprek wilden aangaan over
het onvermijdelijke. Zijn conditie ging in enkele dagen hard achteruit en
ademhalen werd steeds meer een gevecht. Zoals gewoonlijk relativeerde mijn vader
de situatie. Hij had die nacht slecht geslapen en als de wijkverpleegkundige hem
nu maar een slaaptabletje zou geven, dan zou het morgen wel weer een stuk beter
zijn. Ik vroeg hem nog of hij überhaupt wel eens over de dood nadacht, maar dat
was niet het geval.
“Ik zie wel”, was zijn nuchtere commentaar.
Toch wat verward, namen mijn broer en ik die avond afscheid.
De volgende dag bleek hij weliswaar goed geslapen te hebben, maar zijn conditie
was nu zo slecht, dat de wijkverpleegkundige hem in bed liet liggen. Mijn broer
en ik besloten om de naaste familie te vragen om naar Gouda te komen.
Mijn vader was vooral moe. Hij wilde slapen en vroeg of we
de familie niet de volgende dag konden vragen om te komen. Dan kon hij nog wat
slapen. Ik pakte zijn handen en keek hem aan.
“Pap, ze komen nu. Ik weet het zeker, morgen ben je ook nog
steeds erg moe…dat gaat niet meer veranderen …”
Hij knikte bedachtzaam. Langzaam leek er iets in hem te
kantelen. Tegen één van mijn dochters hoorde ik hem zeggen:
“Ik heb geen idee hoe dit gaat aflopen. Ik hou overal
rekening mee.”
De korte gesprekjes kregen het karakter van een afscheid.
Op enig moment kwam de wijkverpleegkundige een morfinepomp
aansluiten zodat mijn vader minder benauwd zou zijn. Ik zat naast zijn bed en
kreeg wat instructies. Mijn vader had zijn ogen gesloten.
Ik hoorde hoe de wijkverpleegkundige de voordeur achter zich
sloot en ik keek weer naar mijn vader.
Hij was al vertrokken.
Het is goed zo, pa.
